ECLI:NL:RBROT:2026:1577

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2186 en FT RK 25/2188
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 305 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratorium en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid nakoming huurverplichtingen

Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om een moratorium te verkrijgen dat de ontruiming van haar woonruimte zou opschorten. Zij kampt met problematische schulden en ontvangt een inkomen uit arbeid en toeslagen. Ondanks eerdere aanmeldingen voor schuldhulpverlening en beschermingsbewind, is haar situatie problematisch gebleven.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege het ontruimingsvonnis en het exploot dat ontruiming aankondigt. Echter, verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de lopende huurtermijnen tijdig zal voldoen. Hoewel zij de huur van december 2025 te laat heeft betaald, ontbreekt bewijs dat zij de huur van januari 2026 zal voldoen of dat zij daadwerkelijk onder bewind is gesteld.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen af tegen het belang van verweerster om het vonnis uit 2020 ten uitvoer te leggen. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs en de eerdere mislukte schuldhulptrajecten, weegt het belang van verweerster zwaarder. Daarom wordt het moratorium afgewezen en wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om moratorium wordt afgewezen en verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 12 januari 2026
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 3 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 4 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 december 2025.
Ter zitting van 11 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: de schuldhulpverlener);
  • mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Door de rechtbank is op 11 december 2025 – na de zitting – een e-mail van verzoekster ontvangen. De rechtbank heeft op 11 december 2025 op deze e-mail gereageerd en verzoekster in de gelegenheid gesteld om vóór dinsdag 16 december 2025 aanvullende stukken in te brengen.
Op 16 december 2025 heeft de rechtbank een e-mail van verzoekster ontvangen, welke door de rechtbank is doorgestuurd aan verweerster.
Verweerster heeft de rechtbank op 17 december 2025 nader bericht. De rechtbank heeft vervolgens de uitspraak aangehouden en partijen hiervan per brief van 18 december 2025 op de hoogte gesteld. Verzoekster is daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 8 januari 2026 aanvullende stukken in te brengen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft in het verleden een tijdje geen vaste verblijfplaats gehad en een jaar zonder inkomen gezeten. Verzoekster heeft ook onder bewind gestaan bij Stichting Nieuw Vaarwater. Dit bewind is per 16 september 2025 opgeheven omdat het bewind op dat moment niet uitvoerbaar was en het onwaarschijnlijk was dat het bewind na benoeming van een andere bewindvoerder wel uitvoerbaar zou zijn. Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. Daarnaast ontvangt zij huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget. Het inkomen van verzoekster is voldoende om de lopende huur van € 675,73 te voldoen. Op
11 november 2025 is verzoekster door het wijkteam aangemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening.
Verzoekster heeft op 11 december 2025 – na de zitting – een e-mail aan de rechtbank verzonden. Wegens persoonlijke omstandigheden was zij niet in staat om bij de zitting aanwezig te zijn. Zij heeft evenwel aangegeven met betrekking tot haar schulden open te staan voor hulp en te willen betalen. Zij hoopt dan ook op nog een kans voor haar en haar dochter. Op 16 december 2025 is door verzoekster een e-mail aan de rechtbank verzonden met onder meer een betaalbewijs van de huur voor de maand december 2025, de mededeling dat zij echt wil meewerken en de toezegging dat een aanvraag zou zijn gedaan voor onderbewindstelling bij Van den Bosse Bewindvoering. Bovendien heeft zij hulp van het wijkteam en vanuit Geldplein.

3.Het verweer

Verweerster heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerster is al vijf jaar bezig met verzoekster en heeft haar al meerdere keren, in 2020, 2021 en 2022, aangemeld voor schuldhulpverlening. Dit telkens zonder resultaat. Verzoekster is in 2024 onder bewind gesteld en de huur is toen vier maanden lang voldaan. Vervolgens heeft verweerster van de beschermingsbewindvoerder begrepen dat verzoekster haar inkomen, zonder medeweten van de beschermingsbewindvoerder, op een andere rekening had gestort. Hierdoor was het voor de beschermingsbewindvoerder niet meer mogelijk om de vaste lasten, zoals de huur, te voldoen.
In haar bericht van 17 december 2025 heeft verweerster haar standpunt herzien. Verweerster refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De huur voor de maand december 2025 is alsnog voldaan. Daarnaast is door de schuldhulpverlener bevestigd dat verzoekster een afspraak heeft bij Van den Bosse Bewindvoering en dat na deze afspraak een spoedaanvraag voor onderbewindstelling wordt ingediend. Ook heeft verzoekster toegezegd de huur van januari 2026 uiterlijk 20 december 2025 te zullen voldoen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 29 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij samen met haar minderjarige kind in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 juni 2020 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt volgens het verzoekschrift inkomen uit arbeid van € 1.096,00 per maand. Daarnaast ontvangt zij huurtoeslag van € 307,00, zorgtoeslag van € 131,00 en kindgebonden budget van € 491,00. Dit inkomen van totaal
€ 2.025,00 zou voldoende moeten zijn om de lopende huur van € 675,73 te voldoen. Verzoekster heeft evenwel niet aangetoond dat zij de lopende huurtermijnen (tijdig) voldoet. Hoewel verzoekster de huur van december 2025 uiteindelijk wel – op 16 december 2025 en dus te laat – heeft voldaan, heeft zij niet aangetoond dat de huur van januari 2026 is voldaan of zal worden voldaan. Ook zijn er geen stukken ontvangen waaruit volgt dat zij zichzelf daadwerkelijk heeft aangemeld voor beschermingsbewind. De rechtbank is daarom niet voldoende overtuigd dat verzoekster gedurende de voorziening de lopende huurtermijnen zal voldoen. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de verzochte voorziening niet toewijsbaar is. Het ontruimingsvonnis kan immers alleen worden opgeschort voor de duur van de voorziening als de lopende huurverplichtingen gedurende die voorziening worden voldaan (artikel 287b jo. 305 lid 2 Fw). Bovendien moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekster zich zal inspannen om een oplossing te vinden voor haar problematische schuldensituatie. Hiervan is niet gebleken. Verzoekster is al meerdere keren aangemeld voor schuldhulpverlening via de gemeente. Ook is al sprake geweest van beschermingsbewind. Dit alles zonder resultaat. Het beschermingsbewind is recent beëindigd omdat het niet uitvoerbaar bleek. Daarnaast is verzoekster niet ter zitting verschenen en heeft zij geen gebruik gemaakt van de extra tijd die aan haar is geboden om haar standpunt dat zij de huur tijdig zal gaan betalen en dat er opnieuw beschermingsbewind zal worden ingesteld, nader te onderbouwen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.