ECLI:NL:RBROT:2026:1579

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25-2117
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 285 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 296 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum

De heer verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) met een verzoek om een eerdere ingangsdatum. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek op 4 februari 2026 behandeld en de toelating tot de Wsnp toegewezen.

De rechtbank oordeelt dat de heer verzoeker te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden en dat hij aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. Het verzoek om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 september 2024 wordt afgewezen omdat dit niet verenigbaar is met de systematiek van de Wsnp en het eerdere schuldhulpverleningstraject. Wel wordt een eerdere ingangsdatum vastgesteld op 10 juli 2025, omdat vanaf die datum aan de afdracht- en inspanningsverplichtingen is voldaan.

Tijdens het Wsnp-traject worden de verplichtingen van de schuldenaar nauwgezet gecontroleerd door een bewindvoerder, die tevens de boedel beheert en vereffent. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris die toezicht houdt op de bewindvoerder. Indien de heer verzoeker zich aan alle verplichtingen houdt, eindigt het traject met een schone lei, waardoor schuldeisers hun vorderingen niet meer kunnen verhalen.

De rechtbank stelt de looptijd van de Wsnp-regeling op achttien maanden, met een einddatum van 10 januari 2027. De bewindvoerder krijgt de opdracht om de post van de heer verzoeker in te zien en mag een voorschot op zijn vergoeding nemen, voor zover de boedel toereikend is. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot toelating Wsnp toegewezen met ingangsdatum 10 juli 2025 en looptijd van achttien maanden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
4 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 september 2024. Dit verzoek wordt afgewezen. Wel ziet de rechtbank reden een eerdere ingangsdatum te bepalen op 10 juli 2025.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] , verzoeker,
- de heer N.A. Belo, beschermingsbewindvoerder.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet de heer [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Een eerder verzoek tot toelating tot de Wsnp en een verzoek gedwongen schuldregeling zijn bij vonnissen van deze rechtbank van 9 april 2025 afgewezen. Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens de heer [verzoeker] nadien geen (nieuw) aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp verzoek ingediend. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder hierover verklaard dat ervoor is gekozen om de afwijzingsgronden uit het vonnis op te lossen en een nieuw Wsnp verzoek in te dienen. Met een nieuw voorstel zouden veel schuldeisers waarschijnlijk ook niet akkoord gaan; gelet op hun eerdere weigering bij het vorige aanbod.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie – gelet op de toelichting van de beschermingsbewindvoerder – voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. De heer [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
2.4.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De heer [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op achttien maanden.
De ingangsdatum
2.8.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10.
De heer [verzoeker] verzoekt om de ingangsdatum vast te stellen op 1 september 2024. Naar het oordeel van de rechtbank verhoudt een eerdere ingangsdatum die is gelegen voor de datum van de afwijzing van het vorige Wsnp verzoek (9 april 2025) zich niet met de systematiek van de Wsnp. In dat vonnis is immers geoordeeld dat niet aan de eisen werd voldaan om te worden toegelaten tot de wsnp. Bovendien is het vorige schuldhulpverleningstraject gestopt op 29 april 2025. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek om de ingangsdatum vast te stellen op 1 september 2024 af.
2.11.
De rechtbank ziet ambtshalve wel aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen op 10 juli 2025. Blijkens de overgelegde 285-verklaring volgt dat een nieuw schuldhulpverleningstraject is gestart. De rechtbank stelt vast dat door de heer [verzoeker] in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject een bedrag van € 1.198,38 is gespaard, waarmee is voldaan aan de in dat traject geldende verplichting tot afdracht van het inkomen boven het vtlb. Daarnaast is in de periode van het nieuwe schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting voldaan. De heer [verzoeker] heeft een rapportage van Stichting SAP overgelegd van 10 juli 2025 omtrent zijn medische belastbaarheid. In de rapportage is vermeld dat de huidige werkzaamheden die de heer [verzoeker] verricht het maximaal haalbare voor hem is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heer [verzoeker] hiermee vanaf 10 juli 2025 voldaan aan zijn inspanningsverplichting.
2.12.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 10 juli 2025, zijnde de dag sinds wanneer aan zowel de afdachtverplichting als de inspanningsverplichting is voldaan.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw Pro). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.6.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.7.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
3.8.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] -1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
voorheen handelend onder de naam [naam bedrijf] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 10 juli 2025 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
  • draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. [1]