ECLI:NL:RBROT:2026:1580

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25-2068
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 349a FaillissementswetArt. 351a FaillissementswetArt. 352 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toelating Wsnp met toepassing hardheidsclausule en eerdere ingangsdatum

De heer verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) en om een eerdere ingangsdatum van 28 mei 2025. De rechtbank oordeelt dat ondanks dat sommige schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan, toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is omdat de schuldenaar de omstandigheden onder controle heeft gekregen en een saneringsgezinde houding toont.

De rechtbank stelt vast dat de heer verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp en dat hij zich naar verwachting zal houden aan de verplichtingen van de regeling. De rechtbank is bevoegd de procedure te behandelen en bepaalt de looptijd van de regeling op achttien maanden.

De ingangsdatum wordt vastgesteld op 22 september 2025, de dag waarop een aanbod aan schuldeisers is gedaan, omdat de schuldenaar sindsdien aan zijn afdracht- en inspanningsverplichtingen heeft voldaan, mede dankzij een ontheffing van de sollicitatieplicht.

Er wordt een bewindvoerder benoemd die toezicht houdt op de naleving van de verplichtingen, evenals een rechter-commissaris die toezicht houdt op de bewindvoerder. De regeling eindigt met een schone lei indien aan alle verplichtingen is voldaan. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de Wsnp toegewezen met toepassing van de hardheidsclausule en ingangsdatum vastgesteld op 22 september 2025 voor een periode van achttien maanden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
4 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 28 mei 2025. Dit verzoek wordt afgewezen. Wel ziet de rechtbank reden een eerdere ingangsdatum te bepalen op 22 september 2025.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] , verzoeker,
- de heer [persoon A] , stabilisatieconsulent van de Sociale Dienst Drechtsteden.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan het CJIB, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Ook is de rechtbank van oordeel dat een aantal schulden die voortvloeien uit de voormalig onderneming van de heer [verzoeker] eveneens niet te goeder trouw zijn ontstaan. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.3.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de heer [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat de heer [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen of binnen afzienbare tijd onder controle zal krijgen. De heer [verzoeker] heeft twee auto’s op zijn naam staan. Ter zitting heeft de heer [verzoeker] verklaard dat de eerste auto in Frankrijk is geschorst en (op korte termijn) zal worden gesloopt. Op de tweede auto in Nederland ligt beslag, waardoor de auto niet kan worden verkocht of geschorst. De heer [verzoeker] heeft aangegeven de auto in Nederland te gaan verkopen, zodra het beslag is opgeheven. Voor de rechtbank is het dan ook voldoende aannemelijk geworden dat er geen nieuwe boetes meer zullen ontstaan bij het CJIB. Daarnaast is de onderneming van de heer [verzoeker] op 27 juli 2023 uitgeschreven, waardoor ook daaruit geen nieuwe schulden meer zullen ontstaan. Ter zitting heeft de heer [verzoeker] blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding.
2.4.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat de heer [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
2.5.
De heer [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op achttien maanden.
De ingangsdatum
2.8.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10.
De rechtbank stelt vast dat door de heer [verzoeker] op 22 september 2025 een aanbod is gedaan aan zijn schuldeisers. De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] – gelet op het overgelegde Vtlb – op basis van zijn inkomen geen afloscapaciteit heeft. De heer [verzoeker] heeft sinds september 2025 wel maandelijks een bedrag van € 68,45 onder beslag afgedragen. De heer [verzoeker] heeft hiermee voldaan aan zijn afdrachtverplichting. Daarnaast is in de periode vanaf het aanbod aan de schuldeisers ook aan de inspanningsverplichting voldaan. De heer [verzoeker] heeft namelijk een ontheffing van de sollicitatieverplichting vanuit de Sociale Dienst Drechtsteden overgelegd, waarin hij in de periode van 1 september 2025 tot en met 31 augustus 2027 is ontheven van zijn sollicitatieverplichting.
2.11.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 22 september 2025, zijnde de dag waarop het aanbod is gedaan aan de schuldeisers.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw Pro). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.6.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
3.7.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] -1965 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
voorheen handelend onder de naam [naam bedrijf] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder P.H.L. Adam,
gevestigd te Postbus 7441,
3284 ZG Zuid-Beijerland;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 22 september 2025 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 22 maart 2027;
  • draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. [1]