ECLI:NL:RBROT:2026:1582

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
C/10/681408 / HA ZA 24-551 en C/10/689094 / HA ZA 24-945
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:66 lid 1 BWArt. 3:268 lid 2 BWArt. 6:74 BWArt. 6:101 BWArt. 6:102 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid advocaten voor niet-tijdige intrekking executieverkoop woning

In deze civiele hoofd- en vrijwaringszaak staat de aansprakelijkheid centraal van advocaten betrokken bij een executieverkoop van een woning. Hypotheekverstrekker Rabobank had een executieverkoop overgenomen en een advocaat namens Rabobank diende een verzoek tot toestemming voor verkoop in. Na een betalingsregeling met de eigenaar van de woning, [persoon A], werd afgesproken het verzoek in te trekken als zij tijdig een bedrag van € 13.500 zou betalen. Hoewel [persoon A] tijdig betaalde, werd het verzoek niet ingetrokken en werd de woning verkocht.

De rechtbank oordeelt dat alle betrokken advocaten (advocaat [persoon B], advocaat [persoon C] en de advocaat van [persoon A]) een beroepsfout hebben gemaakt doordat zij onvoldoende hebben gedaan om de intrekking tijdig te bewerkstelligen. Met name advocaat [persoon B] wordt het grootste verwijt gemaakt omdat hij verantwoordelijk was voor de nakoming van de afspraak met [persoon A].

De rechtbank stelt vast dat [persoon B] 75% van de schade van [persoon A] moet vergoeden. In de vrijwaringszaak kan [persoon B] een deel van deze schade op [persoon C] verhalen, die formeel bevoegd was het verzoek in te trekken maar dit naliet. De precieze schade wordt later vastgesteld. De rechtbank wijst ook op de rol van de advocaat van [persoon A], die eveneens een beroepsfout maakte, wat leidt tot een vermindering van de vergoedingsplicht van [persoon B] met 25%.

Uitkomst: Advocaat B is aansprakelijk voor 75% van de schade van A door niet-tijdige intrekking van het executieverkoopverzoek, waarvan 35% op advocaat C en zijn kantoor kan worden verhaald.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/681408 / HA ZA 24-551 (hoofdzaak)
C/10/689094 / HA ZA 24-945 (vrijwaringszaak)
Vonnis van 18 februari 2026
in de hoofdzaak van
[persoon A],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. A. de Groot,
tegen
[persoon B],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels,
en
in de vrijwaringszaak van
[persoon B],
wonende te [woonplaats 2] ,
eiser,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels,
tegen

1..[persoon C] ,

wonende te [woonplaats 3] ,
2.[advocatenkantoor X],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. D.G. Rosenquist.
Partijen worden hierna [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [advocatenkantoor X] genoemd.
De zaak in het kort
In deze zaak heeft hypotheekverstrekker Rabobank de door een derde gestarte executieverkoop van de woning van [persoon A] overgenomen. De Rabobank heeft al een koper gevonden en advocaat [persoon C] heeft daarvoor namens de Rabobank een verzoek tot het geven van toestemming voor de verkoop van de woning ingediend. Ook is er door [persoon A] (tevergeefs) een procedure tot stopzetting van de executie gestart. In die procedure was [persoon B] de advocaat van de Rabobank. [persoon A] heeft met [persoon B] vervolgens de afspraak gemaakt dat de executieverkoop van de woning zal worden gestaakt (door middel van intrekking van het toestemmingsverzoek) als zij nog dezelfde dag een bedrag van € 13.500 aan de Rabobank betaalt. [persoon A] heeft de € 13.500 tijdig betaald, maar het verzoek is niet ingetrokken waardoor de executieverkoop niet is stopgezet en de woning toch is verkocht. [persoon A] stelt [persoon B] aansprakelijk voor de schade die zij daardoor heeft geleden. [persoon B] heeft op zijn beurt [persoon C] in vrijwaring opgeroepen omdat alleen [persoon C] bevoegd was om het toestemmingsverzoek bij de rechtbank in te trekken en dat – ondanks zijn instructie daartoe – niet heeft gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat alle betrokken advocaten ( [persoon B] , [persoon C] en de advocaat van [persoon A] ) meer hadden kunnen doen om te bewerkstelligen dat het toestemmingsverzoek tijdig zou worden ingetrokken. Zij hebben daarmee alledrie een beroepsfout gemaakt, maar [persoon B] valt het meest te verwijten omdat hij jegens [persoon A] verantwoordelijk was voor de nakoming van de gemaakte afspraak (tot betaling van de € 13.500 en de intrekking van het verzoek). In de hoofdzaak oordeelt de rechtbank dat [persoon B] 75% van de schade van [persoon A] moet vergoeden. In de vrijwaringszaak oordeelt de rechtbank dat [persoon B] van dit percentage een deel op [persoon C] kan verhalen. De precieze schade moet nog worden vastgesteld, dat zal later in de procedure gebeuren.

1.De procedure

In de hoofdzaak:
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in het incident van 2 oktober 2024 (en het herstelvonnis van 23 oktober 2024) en de daarin genoemde stukken,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de aan partijen verstrekte zittingsagenda,
  • de brief van mr. De Groot van 2 juni 2025, met producties,
  • de brief van mr. De Groot van 10 juni 2025, met producties,
  • de brief van mr. Bindels van 11 juni 2015, met producties,
- de zitting van 17 juni 2025 en de bij die gelegenheid overgelegde spreekaantekeningen van mrs. De Groot en Bindels.
In de vrijwaringszaak:
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 november 2024, met producties,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de aan partijen verstrekte zittingsagenda,
- de mondelinge behandeling van 17 juni 2025 en de bij die gelegenheid overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Bindels en Rosenquist.
2. De feiten
2.1.
[persoon B] en [persoon C] zijn beiden advocaat. In 2021 was [persoon B] werkzaam bij een advocatenkantoor, [persoon C] was en is werkzaam bij [advocatenkantoor X] .
2.2.
[persoon A] heeft ten behoeve van de Rabobank een recht van eerste hypotheek gevestigd op haar woning aan de [adres] in [woonplaats 4] (hierna: de woning) in verband met een door de Rabobank aan haar verstrekte lening. Na herfinanciering bedraagt het gefinancierde bedrag € 136.000. Begin 2017 heeft [persoon A] de woning verhuurd aan derden.
2.3.
In verband met een huurgeschil tussen [persoon A] en een derde heeft deze derde (hierna: de derde-schuldeiser) in 2020 (uiteindelijk) executoriaal beslag laten leggen op de woning.
2.4.
Vanwege het executoriale beslag en omdat [persoon A] de woning zonder toestemming had verhuurd, heeft de Rabobank de financiering opgezegd en het resterende gefinancierde bedrag van € 124.120 opgeëist. Vervolgens heeft de Rabobank bij deurwaardersexploot van 23 april 2021 de executie van de woning aangezegd en heeft zij de executie van de derde-schuldeiser overgenomen.
2.5.
Op 7 juni 2021 heeft een vastgoedbedrijf een onderhands bod van € 231.000 op de woning uitgebracht. Rabobank heeft dit bod geaccepteerd.
2.6.
Diezelfde dag, 7 juni 2021, heeft [persoon A] de Rabobank in kort geding gedagvaard, waarbij zij heeft gevorderd om de Rabobank te verbieden de executie van het woonhuis te vervolgen. Als advocaten traden op mr. R. Kiewitt (hierna: Kiewitt) namens [persoon A] en [persoon B] namens de Rabobank. Bij vonnis van 28 juni 2021 heeft de rechtbank de vordering van [persoon A] afgewezen.
2.7.
Op 16 juni 2021 heeft de Rabobank de rechtbank verzocht om toestemming voor de onderhandse verkoop van het woonhuis. [1] Daarbij heeft [persoon C] zich als advocaat namens de Rabobank gesteld. Op 30 augustus 2021 heeft de zitting van dit verzoek plaatsgevonden. De uitspraak voor de beslissing op het verzoek stond gepland op maandag 13 september 2021.
2.8.
In de periode vóór en na de zitting heeft er overleg plaatsgevonden voor het sluiten van een betalingsregeling met de derde-schuldeiser. Nadat [persoon A] de vordering van de derde-schuldeiser had voldaan, resteerde er uiteindelijk nog een door [persoon A] aan de Rabobank te betalen bedrag van € 13.500 in verband met gemaakte bankkosten.
2.9.
Op vrijdag 10 september 2021 heeft er tussen [persoon B] en Kiewitt de volgende e-mailcorrespondentie plaatsgevonden:
E-mail van [persoon B] om 12.01 uur:
(…)
Uitsluitend als het bedrag van EUR 13.500,00 uiterlijk vandaag wordt bijgeschreven op onze derdenrekening en er een voor de bank aanvaardbare uitleg wordt gegeven over de herkomst van het bedrag, zal ik de Voorzieningenrechter laten weten dat het verzoek wordt ingetrokken. De executie zal dan worden gestaakt en de relatie zal kunnen worden gecontinueerd.
Betaling van het bedrag van EUR 13.500,00 dient (vandaag dus) plaats te vinden op rekening (…).
(…)
E-mail van Kiewitt om 17.12 uur:
(…)
Op de valreep. Ik verzond eind van deze middag een rappèl aan cliënte en kreeg haar vijf minuten geleden aan de telefoon. Betrokkene sluit op dit moment haar winkel af. Zij gaat vervolgens rechtstreeks naar het Postkantoor om nog voor 18.00 uur de betaling te verrichten, op het door u opgegeven rekeningnummer.
Naar ik begreep zal zij mij afzonderlijk nazenden een verklaring omtrent de herkomst van het geld. Deze zal ik u nadien doorgeleiden. Zelf ben ik vanaf nu niet meer op kantoor (en niet meer te bereiken), vanwege een afspraak elders.
(…)
E-mail van [persoon B] om 17.13 uur:
Dank voor uw bericht, maar.... naar het Postkantoor? Ik meen dat het bedrag nu electronisch en real time overgemaakt moet worden.
2.10.
[persoon A] heeft de € 13.500 overgemaakt op 10 september 2021 om 17.53 uur.
2.11.
Op maandag 13 september 2021 om 8.21 uur heeft [persoon B] aan [persoon C] het volgende e-mailbericht gestuurd (met vermelding ‘Urgentie: Hoog’):
(…)
Ik verwijs naar het onderstaande. Mevrouw [persoon A] heeft er voor gezorgd dat het bedrag van EUR 13.500,00 vrijdagavond op onze derdenrekening is bijgeschreven. Om die reden verzoek ik u het door u namens cliënte ingediende verzoek zo spoedig mogelijk in te trekken.
Er zou vandaag een beschikking worden afgegeven. Het is dus van belang dat de Voorzieningenrechter per omgaande het bericht krijgt dat het verzoek wordt ingetrokken, met excuses voor de late berichtgeving.
(…)
2.12.
Het verzoek tot toestemming voor de onderhandse verkoop van de woning is niet ingetrokken en de rechtbank heeft bij beschikking van 13 september 2021 uitspraak gedaan en het verzoek toegewezen. Hierdoor is de tussen de Rabobank en het vastgoedbedrijf gesloten koopovereenkomst onvoorwaardelijk geworden en is de woning voor de overeengekomen koopsom van € 231.000 aan het vastgoedbedrijf geleverd.
2.13.
Het vastgoedbedrijf heeft de woning na ruim 10 maanden doorverkocht voor een koopsom van € 320.000.

3.Het geschil

In de hoofdzaak
3.1.
[persoon A] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [persoon B] te veroordelen tot vergoeding van de door [persoon A] geleden en nog te lijden schade als gevolg van verlies van eigendom van haar woonhuis aan de [adres] in [postcode] [woonplaats 4] (met ondergrond, erf, tuin, en verdere aanhorigheden), op te maken bij staat en te vereffenden volgens de wet,
  • [persoon B] te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
[persoon B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
In de vrijwaringszaak
3.3.
[persoon B] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [persoon C] en [advocatenkantoor X] hoofdelijk te veroordelen om aan [persoon B] te betalen al hetgeen waartoe [persoon B] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak,
  • [persoon C] en [advocatenkantoor X] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de vrijwaring (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4.
[persoon C] en [advocatenkantoor X] voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon B] in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.

4.De beoordeling

In de hoofdzaak
De standpunten van partijen
4.1.
[persoon A] stelt het volgende. Zij heeft de € 13.500 tijdig betaald en is daarmee de overeengekomen regeling nagekomen. [persoon B] heeft het bij de rechtbank aanhangige verzoek echter niet ingetrokken. [persoon B] is daarom jegens [persoon A] schadeplichtig, naar de rechtbank begrijpt primair omdat [persoon B] tekort is geschoten in de nakoming van de met [persoon A] gesloten regeling en subsidiair omdat [persoon B] jegens [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld. [persoon A] is door toedoen en/of nalaten van [persoon B] volstrekt onnodig en ten onrechte haar huis kwijtgeraakt. Zij leidt daardoor ernstige schade. Zo loopt zij de huurinkomsten en de (toekomstige) waardestijging van de woning mis, nog daargelaten dat zij niet in staat is een ander eigen huis te verwerven. De schade kan nog niet definitief worden vastgesteld en daarom wordt gevorderd om de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
4.2.
[persoon B] voert het volgende aan:
  • [persoon B] is niet tekort geschoten in de regeling omdat niet hij maar de Rabobank contractspartij bij de gemaakte afspraak is,
  • [persoon A] is zelf de met de Rabobank gesloten regeling niet nagekomen, want zij heeft niet voldaan aan de voorwaarde dat zij een voor de Rabobank aanvaardbare uitleg moest geven over de herkomst van de gelden waarmee zij de betaling heeft gedaan,
  • [persoon B] heeft niet onrechtmatig gehandeld en er is ook geen causaal verband tussen het handelen van [persoon B] en de beweerdelijke schade. [persoon C] was de procesadvocaat in de toestemmingsprocedure en alleen hij kon het verzoek intrekken. [persoon B] heeft er ondanks zijn persoonlijke omstandigheden (zijn moeder lag op sterven) alles aan gedaan om [persoon C] aan te sporen het verzoek tijdig in te trekken,
  • er is aan de zijde van [persoon A] sprake van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro,
  • [persoon A] heeft zelf een doorslaggevende rol gespeeld bij het ontstaan van de beweerdelijke schade door tot het allerlaatste moment te wachten met de betaling en door de betaling niet rechtstreeks via internetbankieren te doen maar via de omslachtige route van het postkantoor. Bovendien heeft, naast [persoon C] , ook Kiewitt geen actie ondernomen en heeft hij [persoon B] noch [persoon C] aangespoord de procedure in te trekken en hij heeft zelf ook geen contact opgenomen met de rechtbank,
  • [persoon B] betwist de door [persoon A] gestelde schade.
[persoon A] heeft voldaan aan de regeling
4.3.
Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat er een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de voorwaardelijke intrekking van het bij de rechtbank aanhangige verzoek voor toestemming van de onderhandse verkoop van de woning (hierna: het toestemmingsverzoek). Die overeenkomst staat dus vast.
4.4.
Tussen [persoon A] en [persoon B] is wel in geschil of [persoon A] heeft voldaan aan de in de e-mail van 10 september 2021 gestelde voorwaarden voor intrekking van het toestemmingsverzoek.
4.5.
Vast staat dat de € 13.500 nog dezelfde dag (op 10 september 2021 om 17.53 uur) door [persoon A] is betaald. Daarmee is aan de in de e-mail van 10 september 2021 gestelde betalingsvoorwaarde voldaan.
4.6.
[persoon B] voert aan dat [persoon A] geen uitleg heeft gegeven over de herkomst van de gelden waarmee zij de betaling heeft gedaan, dat zij daarmee dus niet aan alle voorwaarden van de regeling heeft voldaan en dat [persoon B] dus slechts onverplicht [persoon C] heeft aangespoord om het toestemmingsverzoek in te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit verweer niet op. In het e-mailbericht van 10 september 2021 van [persoon B] staat inderdaad vermeld dat [persoon A] , naast de diezelfde dag nog te verrichten betaling van € 13.500, ook een uitleg moet geven over de herkomst van het geld. Echter, uit de wijze waarop partijen (en dan met name [persoon B] ) uitvoering hebben gegeven aan het voorstel, moet worden afgeleid dat de uitleg over de herkomst van het geld weliswaar door [persoon A] op enig moment moest worden verstrekt, maar dat het verstrekken daarvan geen noodzakelijke voorwaarde was voor intrekking van het bij de rechtbank aanhangige toestemmingsverzoek. Dit blijkt uit het feit dat [persoon B] [persoon C] op maandagmorgen heeft gemaild met het verzoek het instemmingsverzoek in te trekken, terwijl op dat moment door [persoon A] nog geen (volledige) uitleg van de herkomst van het geld was gegeven. Het ontbreken van die uitleg op de bewuste maandag 13 september 2021 maakt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat [persoon A] (op dat moment) niet aan de gesloten regeling had voldaan.
4.7.
Los hiervan heeft [persoon A] tijdens de zitting duidelijkheid verschaft over de herkomst van het bedrag van € 13.500. Zij heeft verklaard dat € 9.600 afkomstig is van een lening van Qredits. Het restant is betaald met kasgeld uit de winkel van [persoon A] , welk kasgeld zij bij het postkantoor op haar eigen bankrekening heeft gestort en vervolgens via telebanking heeft overgemaakt naar de bankrekening van het toenmalige advocatenkantoor van [persoon B] .
4.8.
Tijdens de zitting is verder nog aan de orde gekomen de vraag of het voortbestaan van de huurrelatie in de weg heeft gestaan aan nakoming van de regeling. Vast staat immers dat [persoon A] de woning verhuurde aan een derde en dat hypotheekverstrekker Rabobank daar tijdens de onderhandelingen over de staking van de executie van op de hoogte was. [persoon A] stelt nu dat onderdeel van de regeling was dat de kredietrelatie met de Rabobank zou worden voortgezet en dat zij mocht aannemen dat zij op de tot dan toe gebruikelijke voet verder kon, dus inclusief de verhuur van de woning.
4.9.
De rechtbank acht dat standpunt juist, gelet op het volgende. Tijdens de onderhandelingen heeft een advocaat van het toenmalige advocatenkantoor van [persoon B] op 12 augustus 2021 een e-mail aan Kiewitt gestuurd waarin hij meedeelt dat ten aanzien van deze kosten
“slechts finale kwijting kan worden verleend voor dit betaalde bedrag, en dus niet voor al hetgeen partijen van elkaar te vorderen hebben. Uitgangspunt is immers dat de financiering wordt gecontinueerd”. En ook in het e-mailbericht van 10 september 2021 van [persoon B] (zie 2.9) staat dat wanneer (onder meer) de betaling van € 13.500 is betaald,
“de executie dan [zal] worden gestaakt en de relatie zal kunnen worden gecontinueerd”. Gelet op deze e-mails, gelet op het feit dat in geen van die e-mails het voorbehoud wordt gemaakt dat de verhuur van de woning moest worden gestaakt en gelet op de omstandigheid dat een dergelijk standpunt van de bank ook verder kennelijk niet (kenbaar) is ingenomen, mocht [persoon A] aannemen - anders dan [persoon B] heeft aangevoerd - dat zij bij nakoming van de gemaakte afspraak de verhuur van de woning mocht voortzetten. De overeenkomst aangaande de hypothecaire lening kende immers geen absoluut verbod voor [persoon A] om te verhuren, verhuur was slechts verboden als toestemming van de Rabobank ontbrak. De huurrelatie stond dus niet in de weg aan de nakoming van de met de Rabobank gesloten regeling.
4.10.
Conclusie is dat [persoon A] er met de door haar op 10 september 2021 gedane betaling van € 13.500 op mocht vertrouwen dat zij aan de met de Rabobank gesloten regeling had voldaan en dat het bij de rechtbank aanhangige toestemmingsverzoek dus moest en zou worden ingetrokken.
[persoon B] is niet zelf contractspartij bij de gesloten regeling
4.11.
[persoon A] stelt nu dat [persoon B] op zijn beurt de betalingsregeling niet is nagekomen doordat hij het toestemmingsverzoek niet heeft ingetrokken. [persoon B] betwist echter contractspartij bij de betalingsregeling te zijn; hij trad als advocaat op namens de Rabobank en daarom is niet [persoon B] zelf maar de Rabobank contractspartij bij de met [persoon A] gesloten overeenkomst. Van een tekortkoming in de nakoming aan zijn zijde kan volgens [persoon B] dus überhaupt geen sprake zijn.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank is [persoon A] de regeling niet met [persoon B] in persoon overeengekomen. Uit de e-mailcorrespondentie volgt dat de advocaten van de Rabobank en [persoon A] contact met elkaar hebben gehad over de kwestie van de executieverkoop en dat [persoon B] en Kiewitt in dat kader, in hun hoedanigheid van advocaat van respectievelijk de Rabobank en [persoon A] , de in 2.9 geciteerde e-mails hebben gestuurd. Als advocaat handelde [persoon B] op basis van volmacht en dat brengt op grond van artikel 3:66 lid 1 BW Pro mee dat de gesloten regeling in haar gevolgen de volmachtgever (de Rabobank) treft. Dit maakt dat niet [persoon B] , maar de Rabobank contractspartij is bij de met [persoon A] gemaakte afspraak.
4.13.
Dit betekent dat de primaire stelling van [persoon A] , namelijk dat [persoon B] tekort is geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis, niet opgaat. Van een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW Pro aan de zijde van [persoon B] is geen sprake omdat [persoon B] geen contractpartij is.
Redelijk handelend vakgenoot als maatstaf
4.14.
Dat [persoon B] niet als contractspartij heeft te gelden, neemt niet weg dat hij als advocaat van de Rabobank wel feitelijk de persoon is geweest die de overeenkomst met de advocaat van [persoon A] heeft gesloten.
4.15.
Uitgangspunt is dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Een advocaat heeft de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt te behartigen en stelt zich daarbij partijdig op (artikel 10a lid 1, onder b, Advocatenwet). Daarbij dient een advocaat wel oog te hebben voor de context van dat belang, alsmede voor de belangen van andere betrokkenen (zoals de wederpartij of derden). Onder omstandigheden kan een advocaat dan ook gehouden zijn bij zijn dienstverlening aan de cliënt rekening te houden met hem bekende of redelijkerwijs kenbare, gerechtvaardigde belangen van de wederpartij of van derden die in voor hen nadelige zin zouden kunnen worden geraakt door het (voorgenomen) handelen of nalaten waarop zijn dienstverlening betrekking heeft. Indien een advocaat weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat sprake is van zodanige belangen en dat de betrokken wederpartij of betrokken derden door een handelen of nalaten op onaanvaardbare wijze in die belangen zouden kunnen worden geschaad, dient hij zijn dienstverlening aan de cliënt daarop af te stemmen.
[persoon B] heeft als advocaat onvoldoende zorgvuldigheid betracht
4.16.
[persoon B] voert in de eerste plaats aan dat niet hij maar [persoon C] een fout heeft gemaakt. [persoon C] was volgens [persoon B] de procesadvocaat en alleen hij kon dus het bij de rechtbank aanhangige toestemmingsverzoek intrekken. [persoon B] meent dat hem dan niet kan worden verweten dat [persoon C] het toestemmingsverzoek niet heeft ingetrokken. Dit verweer gaat niet op. Vast staat weliswaar dat [persoon C] het toestemmingsverzoek bij de rechtbank had gediend en dat hij dus aanvankelijk de behandelend en tevens de procesadvocaat was. Maar gebleken is dat [persoon B] , naast zijn rol als advocaat in het executiegeschil, na verloop van tijd feitelijk ook de rol van advocaat in het toestemmingsverzoek van [persoon C] had overgenomen en dat het [persoon B] is geweest die met Kiewitt de afspraak heeft gemaakt over de voorwaardelijke intrekking van het toestemmingsverzoek. Daarmee is [persoon B] als behandelend advocaat van de Rabobank opgetreden en in zoverre verantwoordelijk voor de nakoming van die afspraak. Onder die omstandigheden mag van een redelijk handelend advocaat een proactief optreden verwacht worden met betrekking tot de op zijn client (de Rabobank) rustende verplichting om het toestemmingsverzoek in te trekken, ook wanneer die redelijk handelend advocaat (zoals [persoon B] stelt) niet zelf bevoegd is om het toestemmingsverzoek in te trekken. Het lag op zijn weg om, zo nodig, [persoon C] daartoe te bewegen.
4.17.
Het lijdt geen enkele twijfel dat de door [persoon B] geschetste persoonlijke omstandigheden (zijn moeder lag op sterven, waardoor hij maandagmorgen 13 september 2021 niet naar kantoor ging maar naar zijn moeder) een logische en ook menselijke verklaring is om niet (altijd) gehandeld te hebben zoals dat van een redelijk handelend advocaat in normale omstandigheden verwacht mag worden. Wel mocht verwacht worden dat hij deed wat hij in de gegeven omstandigheden kon. Uit het verweer van [persoon B] leidt de rechtbank af dat daar op de bewuste maandagmorgen ook gelegenheid voor was, gezien de door hem verrichte handelingen vóórdat hij naar zijn moeder vertrok. Zo heeft [persoon B] op zitting verklaard dat hij ’s ochtends om 8.00 uur een medewerker van de Rabobank heeft gebeld waarbij toen is besproken dat de € 13.500 was betaald en dat het toestemmingsverzoek wat de Rabobank betreft kon worden ingetrokken. Vervolgens heeft [persoon B] [persoon C] om 8.21 uur per e-mail verzocht om het toestemmingsverzoek met spoed in te trekken (zie 2.11). Naar eigen zeggen is [persoon B] vervolgens naar zijn moeder vertrokken.
4.18.
Gezien het grote belang dat [persoon A] had bij tijdige intrekking van het toestemmingsverzoek (waar [persoon B] zich ook bewust van was, gezien de die ochtend door hem verrichte handelingen), had [persoon B] vanuit zijn feitelijke rol bij de toestemmingsprocedure echter meer kunnen en moeten doen. In plaats van te volstaan met het versturen van de e-mail aan [persoon C] , had [persoon B] [persoon C] (of een kantoorgenoot) ook kunnen bellen (of bijvoorbeeld een managementassistent laten bellen) met het verzoek het toestemmingsverzoek met de grootst mogelijke spoed in te trekken. Daartoe was aanleiding omdat er, ondanks de grote spoed, geen prompte reactie van [persoon C] kwam. Daarnaast had [persoon B] ook zelf, ondanks dat hij niet de procesadvocaat was in die procedure, de rechtbank (telefonisch) kunnen informeren over de getroffen schikking en de aanstaande intrekking van het toestemmingsverzoek en de rechtbank daarbij kunnen verzoeken om, in afwachting van de intrekking van het verzoek, de uitspraak aan te houden.
4.19.
Dit maakt dat [persoon B] , ondanks zijn trieste persoonlijke omstandigheden, toch onrechtmatig jegens [persoon A] heeft gehandeld en op grond daarvan aansprakelijk is voor de schade die [persoon A] als gevolg van de niet-tijdige intrekking van het toestemmingsverzoek heeft geleden en mogelijk nog zal lijden.
‘Eigen schuld’ aan de zijde van [persoon A] ?
4.20.
Wat voor [persoon B] geldt, geldt echter net zozeer voor Kiewitt. Ook Kiewitt had de rechtbank telefonisch kunnen informeren over de getroffen schikking en de aanstaande intrekking van het toestemmingsverzoek, zeker nu hij als advocaat de belangen behartigde van de partij ( [persoon A] ) die alle belang had bij stopzetting van de executieverkoop van de woning. Weliswaar lag het niet in zijn macht om het verzoek in te trekken, maar hij had wel om aanhouding kunnen vragen. Eventuele beroepsaansprakelijkheid van Kiewitt maakt geen onderdeel uit van onderhavige procedure en Kiewitt heeft dus ook geen gelegenheid gehad om zijn visie hierop te geven, maar in de onderhavige procedure wordt ervan uitgegaan dat ook Kiewitt een beroepsfout heeft gemaakt. Omdat hij deze beroepsfout beging in zijn hoedanigheid van advocaat van [persoon A] , betreft dit een omstandigheid die in het kader van ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101 BW Pro aan [persoon A] moet worden toegerekend.
4.21.
Met betrekking tot [persoon A] ’ eigen handelen zijn er geen omstandigheden gebleken waaruit ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101 BW Pro kan worden aangenomen. [persoon B] heeft gesteld dat er geen sprake van een executieverkoop geweest zou zijn als [persoon A] haar contractuele huurverplichtingen jegens een derde was nagekomen, maar dat doet niet ter zake. Inmiddels was de situatie immers veranderd en was een afspraak tussen [persoon A] en de bank gemaakt. [persoon A] is de nadien (via [persoon B] ) gemaakte afspraak met de Rabobank van haar kant nagekomen, zodat zij in het kader van ‘eigen schuld’ geen omstandigheden heeft doen ontstaan die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Verder heeft [persoon B] gesteld dat [persoon A] - kort gezegd - het op het laatste moment heeft laten aankomen om (ten dele) te voldoen aan de voorwaarden voor intrekking van het toestemmingsverzoek. Ook dit zijn echter geen omstandigheden op grond waarvan ‘eigen schuld’ kan worden aangenomen. In de eerste plaats niet omdat, voor zover [persoon B] daar op doelt, in 4.6 is overwogen dat het verstrekken van een uitleg over de herkomst van het geld geen noodzakelijke en opschortende voorwaarde was voor intrekking van het bij de rechtbank aanhangige toestemmingsverzoek. En in de tweede plaats niet omdat [persoon A] tijdens de zitting een afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij voor het doen van de betaling eerst naar het postkantoor moest ( [persoon A] moest naar eigen zeggen aan het eind van de werkdag eerst bij het postkantoor langs om het kasgeld van haar winkel op haar rekening te storten alvorens zij het bedrag kon overmaken) en daardoor pas om 17:53 uur, maar dus nog voor 18:00 u, op de bewuste 10 september 2021 het bedrag van € 13.500 heeft betaald.
4.22.
Concluderend heeft dus alleen de (aan [persoon A] toe te rekenen) beroepsfout van Kiewitt bijgedragen aan de schade die [persoon A] heeft geleden. [persoon A] heeft omtrent het nalaten van Kiewitt geen concrete stellingen ingenomen.
Gelet op de totale situatie ziet de rechtbank aanleiding om op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW Pro de vergoedingsplicht van [persoon B] met 25% te verminderen. Dit betekent dus dat [persoon B] 75% van de door [persoon A] geleden schade moet vergoeden.
De schade
4.23.
[persoon A] stelt dat zij door het onrechtmatige handelen van [persoon B] volstrekt onnodig en ten onrechte haar huis is kwijtgeraakt. Zij stelt als gevolg daarvan de volgende schadeposten te hebben:
  • inkomstenderving van € 664 per maand (huuropbrengst van € 958,22 per maand minus hypotheeklasten van € 296,66 per mand),
  • er is verlof tot onderhandse verkoop verleend voor het onderhandse aanbod van € 231.000, maar in het taxatierapport van 27 januari 2021 wordt een marktwaarde genoemd van € 250.000 en een WOZ-waarde van € 256.000, waardoor [persoon A] in ieder geval een directe schade heeft geleden van tussen de € 19.000 en € 25.000,
  • sinds de verkoop is sprake van een waardestijging, want het vastgoedbedrijf dat de woning had gekocht heeft de woning binnen 10 maanden doorverkocht voor een bedrag van € 320.000, de WOZ-waarde van de woning bedroeg per 1 januari 2024 € 335.000 en de realistische woningwaarde ligt thans tussen de € 381.000 en € 421.000, waardoor de schade van [persoon A] ten minste tussen de € 150.000 en € 190.000 bedraagt,
  • [persoon A] heeft schade geleden doordat de woning, die gemeubileerd werd verhuurd, met de inboedel is verkocht,
  • [persoon A] heeft immateriële schade geleden doordat zij heeft geleden onder het feit dat zij haar huis is kwijtgeraakt en dat zij sinds oktober 2021 in touw is geweest om alles boven water te krijgen,
  • [persoon A] heeft buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand gemaakt en schade als gevolg van rentederving geleden.
De schade kan nog niet definitief worden vastgesteld en daarom vordert [persoon A] om de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
4.24.
[persoon B] betwist de door [persoon A] gestelde schade. Mocht toch sprake zijn van schade, dan kan dat in onderhavige procedure gevorderd en beoordeeld worden en daarom verzet [persoon B] zich tegen de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure.
4.25.
Aannemelijk is dat [persoon A] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [persoon B] schade heeft geleden. [persoon A] is haar huis immers kwijt. De rechtbank gaat er van uit dat de schade in beginsel in deze procedure kan worden begroot, zodat verwijzing niet nodig is.
4.26.
Op dit moment kan de schade echter nog niet worden begroot, omdat het partijdebat over de schade in deze procedure nog onvoldoende tot ontwikkeling is gekomen. Daarom wordt de zaak naar de rol verwezen voor een nadere akte (eerst [persoon A] , vier weken later [persoon B] ), eventueel voorzien van een wijziging van eis aan de zijde van [persoon A] . Partijen worden verzocht zich in ieder geval (maar niet uitsluitend), zoveel als mogelijk voorzien van onderliggende stukken, uit te laten over de waarde van de woning, de vraag of de inboedel is meeverkocht en de waarde van die inboedel. [persoon A] wordt ook verzocht een behoorlijk leesbaar exemplaar van de koopovereenkomst (productie 2 [persoon A] ) over te leggen.
In de vrijwaringszaak
4.27.
In de hoofdzaak is geoordeeld dat [persoon B] jegens [persoon A] aansprakelijk is en 75% van de door [persoon A] geleden en mogelijk nog te lijden schade moet vergoeden. De hoogte van deze schade moet dus nog worden vastgesteld, maar vooruitlopend op de uitkomst van het schadedebat, wordt aanleiding gezien om thans de door [persoon B] jegens [persoon C] en [advocatenkantoor X] ingestelde vordering tot vrijwaring te beoordelen.
De standpunten van partijen
4.28.
[persoon B] stelt dat, voor zover in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat [persoon B] aansprakelijk is jegens [persoon A] en hij aan haar een schadevergoeding moet betalen, [persoon C] jegens zowel [persoon A] als [persoon B] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW Pro. [persoon C] stond namelijk in de cc van de op 10 september 2021 verstuurde e-mailberichten en was dus van de (spoedeisende) situatie op de hoogte. Om die reden mocht van [persoon C] (als procesadvocaat) die maandagochtend actie worden verwacht. Daarmee is [persoon C] aansprakelijk. [advocatenkantoor X] is in dat geval op grond van artikel 6:170 BW Pro of artikel 6:171 BW Pro aansprakelijk voor de door [persoon C] gemaakte fouten, aldus [persoon B] .
4.29.
[persoon C] en [advocatenkantoor X] wijzen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro en de artikelen 6:170 en/of 171 BW van de hand. Betwist wordt dat [persoon C] de proces-advocaat van de Rabobank was. Van enige tekortkoming of onrechtmatig handelen van [persoon C] en [advocatenkantoor X] is geen sprake en zij zijn dan ook niet gehouden om [persoon B] te vrijwaren voor een eventuele veroordeling in hoofdzaak.
[persoon C] heeft een beroepsfout gemaakt
4.30.
[persoon C] en [advocatenkantoor X] hebben aangevoerd dat [persoon C] vaak als procesadvocaat van de Rabobank optreedt in niet-inhoudelijke kwesties en dat hij in dat kader ook in dit geval het verzoek tot toestemming tot onderhandse verkoop van de woning heeft ingediend. Toen echter bleek dat dit verzoek wel een inhoudelijke behandeling zou vergen, heeft de Rabobank ervoor gekozen om de zaak uit te besteden aan (het kantoor van) [persoon B] . Daarmee was de rol van [persoon C] in de toestemmingsprocedure uitgespeeld en was hij in die procedure geen advocaat meer. [persoon C] heeft desgevraagd verder verklaard dat hij niet zelf de rechtbank heeft meegedeeld dat hij niet langer de advocaat van de Rabobank was in de toestemmingsprocedure, hij ging ervan uit dat [persoon B] de rechtbank daarover had geïnformeerd.
4.31.
Zoals de betrokken advocaten bekend werken de rechtbanken met een systeem waarbij per partij één advocaat wordt geregistreerd. Deze advocaat wordt beschouwd als de behandelend advocaat en met hem/haar worden de contacten onderhouden. Indien een partij ervoor kiest om te werken met een procesadvocaat (in de vorm van een advocaat die slechts de taken op zich neemt die vroeger de procureur verrichtte, hetgeen kennelijk in dit geval de rol van [persoon C] was), zijn die partij en die procesadvocaat ervoor verantwoordelijk dat communicatie afkomstig van de behandelend advocaat door die procesadvocaat behoorlijk en tijdig aan het gerecht wordt doorgegeven. Als die procesadvocaat zich daartoe niet in staat acht, dient hij/zij, in overleg met de client, zich te onttrekken aan de zaak (waarna dan een andere advocaat zich kan stellen).
4.32.
Op basis van de stellingen van partijen en hetgeen [persoon C] tijdens de zitting heeft verklaard, stelt de rechtbank vast dat [persoon B] in de praktijk de behandeling van het toestemmingsverzoek heeft overgenomen en dat [persoon C] toen met de zaak geen bemoeienis meer had, ook niet als procesadvocaat in voormelde zin. Vast staat echter dat [persoon C] zich jegens de rechtbank nooit heeft teruggetrokken als advocaat en dat [persoon C] op de bewuste maandag 13 september 2021 bij de rechtbank dus nog als advocaat in de toestemmingsprocedure stond geregistreerd. In de rechtspraktijk is het gebruikelijk (en in dagvaardingszaken verplicht [2] ) dat een advocaat de rechtbank in kennis stelt van een onttrekking. Het betrof hier een verzoekschrift dat door een advocaat moet worden ingediend. Daarom mocht van [persoon C] verwacht worden dat, toen duidelijk werd dat het toestemmingsverzoek een inhoudelijke behandeling zou vergen en de Rabobank besloot om voor de verdere behandeling van het verzoek (het toenmalige kantoor van) [persoon B] in te schakelen, hij ( [persoon C] ) de rechtbank ervan in kennis zou stellen dat hij zich als advocaat heeft onttrokken van de zaak. Dit heeft [persoon C] echter niet gedaan en evenmin is gebleken dat hij met [persoon B] (als zijn feitelijke opvolger) heeft gecommuniceerd over het informeren van de rechtbank over de gewijzigde situatie. Hierdoor mocht [persoon B] erop vertrouwen dat [persoon C] nog de advocaat was die de contacten met de rechtbank zou onderhouden over de aanhangige toestemmingsprocedure.
4.33.
Omdat [persoon C] door zijn eigen nalaten nog als advocaat bij de rechtbank stond geregistreerd, kon alleen hij in de toestemmingsprocedure proceshandelingen verrichten en kon dus ook alleen hij het toestemmingsverzoek intrekken. Daarmee was [persoon C] dus verantwoordelijk voor een tijdige intrekking van het verzoek, ook wanneer daar spoed bij vereist was.
4.34.
Daar staat tegenover dat vast staat dat [persoon C] feitelijk niet meer betrokken was bij de inhoudelijke behandeling van het toestemmingsverzoek. Bovendien was de e-mail die [persoon B] op vrijdag 10 september 2021 aan Kiewitt stuurde niet rechtstreeks aan [persoon C] gericht maar slechts in cc. Dit maakt het aan de zijde van [persoon C] verklaarbaar dat hij niet op de hoogte was van de laatste stand van zaken in de toestemmingsprocedure (in het bijzonder de aanstaande uitspraakdatum op 13 september 2021) en dat hij uit de aan hem in cc verstuurde e-mail van 10 september 2021 niet zonder meer heeft begrepen dat hij de maandag meteen na dat weekend stand-by zou moeten staan voor een intrekking van het toestemmingsverzoek met grote spoed. Dat ontslaat [persoon C] echter niet van zijn verantwoordelijkheden als advocaat in de toestemmingsprocedure. Vast staat dat [persoon C] als procesadvocaat het toestemmingsverzoek niet heeft ingetrokken, terwijl formeel alleen hij dat kon doen. Daarmee heeft hij niet gehandeld als een redelijk handelend vakgenoot en heeft hij een beroepsfout gemaakt (zie 4.14), heeft [persoon C] jegens [persoon B] dus onrechtmatig gehandeld en is hij dus jegens [persoon B] aansprakelijk.
[persoon C] en [advocatenkantoor X] zijn hoofdelijk aansprakelijk
4.35.
[persoon C] en [advocatenkantoor X] hebben erkend dat “ [advocatenkantoor X] ” (waarmee blijkens hun eigen conclusie van antwoord zowel [persoon C] als [advocatenkantoor X] is bedoeld) door de Rabobank als advocaat was ingeschakeld. Daarmee hebben [persoon C] en [advocatenkantoor X] aansprakelijkheid van [advocatenkantoor X] op grond van artikel 6:170 BW Pro dan wel 6:171 BW onvoldoende gemotiveerd betwist. Naast [persoon C] is dus ook [advocatenkantoor X] aansprakelijk jegens [persoon B] .
[persoon B] heeft ook een beroepsfout gemaakt
4.36.
[persoon B] valt echter een groter verwijt dan [persoon C] te maken. Zoals in de hoofdzaak al overwogen, heeft [persoon B] feitelijk de rol van advocaat in het toestemmingsverzoek van [persoon C] overgenomen en is het [persoon B] geweest die met Kiewitt de afspraak heeft gemaakt dat het toestemmingsverzoek zal worden ingetrokken indien [persoon A] nog dezelfde dag de € 13.500 zou betalen. [persoon B] had dus het voortouw en hij had vanuit die rol (ondanks zijn persoonlijke omstandigheden) als gezegd meer kunnen en moeten doen, te weten - kort gezegd - [persoon C] telefonisch aansporen tot een spoedige intrekking van het verzoek en de rechtbank alvast telefonisch informeren over de bereikte schikking en de aanstaande intrekking van het verzoek. Dit alles geldt te meer nu [persoon B] vanuit zijn feitelijke rol volledig op de hoogte was van de spoedeisendheid van de zaak en zich bewust was van het grote belang dat [persoon A] had bij intrekking van het verzoek met de grootst mogelijke spoed.
Mate van vergoedingsplicht
4.37.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de schade van [persoon B] (dat wil zeggen de nog vast te stellen schadevergoeding die hij in de hoofdzaak aan [persoon A] zal moeten betalen) voor 65% aan [persoon B] ’s eigen beroepsfout kan worden toegerekend en voor 35% aan de beroepsfout van [persoon C] . Op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW Pro zal de rechtbank in het nog te wijzen eindvonnis de vordering van [persoon B] daarom toewijzen in die zin dat [persoon C] en [advocatenkantoor X] 35% van de schade van [persoon B] aan hem ( [persoon B] ) moeten vergoeden.
4.38.
Op grond van artikel 6:102 lid 1 BW Pro zijn [persoon C] en [advocatenkantoor X] jegens [persoon B] hoofdelijk verbonden wat betreft de op hun rustende vergoedingsplicht. Hoe hoog de uiteindelijk door [persoon C] en [advocatenkantoor X] aan [persoon B] te betalen schadevergoeding zal zijn, is afhankelijk van de uitkomst van het schadedebat in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak en de vrijwaringszaak
Verdere procedure
4.39.
In afwachting van de rolverwijzing wordt iedere verdere beslissing in zowel de hoofdzaak als de vrijwaringszaak aangehouden.
Geen hoger beroep tegen dit tussenvonnis
4.40.
Tijdens de zitting is namens [persoon B] verzocht om, indien een tussenvonnis wordt gewezen, de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep open te stellen. Op de voet van artikel 337 lid 2 Rv Pro wijst de rechtbank dit verzoek af, omdat toewijzing leidt tot onnodige vertraging in de procedure.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
18 maart 2026voor het nemen van een akte door [persoon A] zoals vermeld in 4.26, waarna op de rol van vier weken later [persoon B] mag reageren,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de vrijwaringszaak
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. 2438/106

Voetnoten

1.Op de voet van artikel 3:268 lid 2 BW Pro.
2.Artikel 7 Landelijk Pro procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton.