ECLI:NL:RBROT:2026:1616
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde was bij vonnis van 29 augustus 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. Op 3 april 2025 besloot het Openbaar Ministerie tot voorwaardelijke invrijheidstelling met ingang van 30 april 2025, onder diverse bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen en middelencontroles.
Op 5 december 2025 besloot het Openbaar Ministerie de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen voor de duur van 120 dagen, omdat de veroordeelde de voorwaarden niet naleefde. Dit werd op 8 december 2025 aan hem betekend. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat hij voldoende had meegewerkt en dat de begeleid wonen locatie niet passend was.
Tijdens de behandeling op 21 januari 2026 bevestigde de veroordeelde zijn bezwaar en gaf aan zich onveilig te voelen bij de begeleid wonen locatie. Het Openbaar Ministerie stelde dat het bezwaar ongegrond moest worden verklaard, omdat uit het reclasseringsadvies bleek dat de veroordeelde drugs bleef gebruiken, medicatie staakte, niet meewerkte aan middelencontroles en niet wilde terugkeren naar de begeleid wonen locatie.
De rechtbank voerde een marginale toetsing uit en oordeelde dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de herroeping had kunnen besluiten. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukte het belang van een nieuw plan van aanpak en verdere gesprekken met reclassering en Fivoor voor een eventuele toekomstige voorwaardelijke invrijheidstelling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.