Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1641

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/10/680330 HA ZA 24-497
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:68 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting man tot medewerking aan Iraaks/islamitische echtscheiding met dwangsom

Partijen zijn gescheiden volgens Nederlands recht, maar de vrouw wenst ook een echtscheiding volgens Iraaks/islamitisch recht, waarbij de man wettelijk verplicht is mee te werken op grond van artikel 1:68 lid 2 BW Pro.

Ondanks toezeggingen heeft de man niet meegewerkt aan de Iraaks/islamitische echtscheiding, waardoor deze niet kon worden afgerond. De rechtbank oordeelt dat de man geen zwaarwegende belangen heeft gesteld om zijn medewerking te weigeren.

De rechtbank veroordeelt de man om binnen vier weken mee te werken aan de echtscheiding en legt een dwangsom van €500 per dag op bij niet-naleving, met een maximum van €100.000. Tevens wordt hij veroordeeld in de proceskosten van de vrouw en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de Iraaks/islamitische echtscheiding met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: C/10/680330 HA ZA 24-497
datum uitspraak: 25 februari 2026
Vonnis van de rechtbank
in de zaak van
[naam vrouw],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. D. Rezaie,
tegen
[naam man],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A. El Aqde.
De partijen worden hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het vonnis van 2 juli 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • een akte van de vrouw met bijlagen 7, 8 en 9;
  • een akte van de man met een bijlage.

2.De verdere beoordeling

De kern van de zaak
2.1
Partijen zijn gescheiden volgens Nederlands recht en zij leven gescheiden. De vrouw wil ook naar islamitisch en Iraaks recht scheiden zijn van de man. Het is niet gelukt om tijdens deze procedure via de Iraakse ambassade in Den Haag of in Irak deze echtscheiding tot stand te brengen. In dit vonnis zal de man worden veroordeeld om mee te werken met een dwangsom. Deze beslissing wordt hieronder uitgelegd.
De man moet meewerken aan de Iraaks/islamitische echtscheiding
2.2
Partijen zijn het erover eens, dat Iraaks recht samenvalt met islamitisch recht bij echtscheiding. Uitgangspunt van de wetgever is, dat de man moet meewerken aan de Iraaks/islamitische echtscheiding, omdat de vrouw daarom verzoekt. Dat staat in artikel 1:68 lid 2 BW Pro.
2.3
De man heeft op de zitting van 8 oktober 2024 toegezegd om mee te werken aan echtscheiding via de Iraakse ambassade. De zaak is aangehouden om op deze wijze een Iraaks/islamitische echtscheiding tot stand te brengen. Dat is niet gelukt. De man voert nog aan dat deze echtscheiding al is uitgesproken in zijn afwezigheid, maar niet blijkt, dat deze naar Iraaks/islamitisch recht geldig is, want de verklaringen van imams daarover spreken elkaar tegen.
2.4
Op de zitting van 24 april 2025 heeft de advocaat van de man uitgelegd dat de vrouw in Irak kan scheiden zonder de medewerking van de man. Vervolgens is de zaak opnieuw aangehouden, zodat de vrouw een Iraaks/islamitische echtscheiding in Irak kon bewerkstelligen. Anders dan de man aanvoert is er géén bewijsopdracht gegeven in het tussenvonnis van 2 juli 2025, maar er is om stukken gevraagd [1] .
2.5
De vrouw heeft een Iraakse advocaat aangesteld om de gewenste echtscheiding in Irak te verkrijgen. Deze advocaat heeft de medewerking van de man heeft gevraagd, maar hij heeft daaraan geen gevolg gegeven. De Iraakse advocaat verklaart dat daardoor de echtscheiding in Irak niet kon worden afgerond [2] .
2.6
De man voert aan dat uit deze verklaring niet blijkt dat de vrouw niet zonder medewerking van de man echtscheiding kan realiseren. Daarbij gaat de man ten onrechte voorbij aan zijn wettelijke plicht om mee te werken als de vrouw daarom vraagt. Vast staat dat hij niet heeft meegewerkt toen de Iraakse advocaat daarom vroeg. In zijn laatste akte legt de man niet uit waarom hij niet heeft meegewerkt. Juist omdat een dwangsom een ingrijpende maatregel is bij een veroordeling om mee te werken aan echtscheiding, heeft de rechtbank de man tot twee maal toe de gelegenheid willen geven om zonder deze dwang aan zijn wettelijke plicht te voldoen. Deze mogelijkheden heeft hij niet aangegrepen.
De man stelt geen zwaarwegende belangen om niet mee te werken aan echtscheiding
2.7
De wet geeft de man de mogelijkheid zijn medewerking te weigeren als hij daarvoor een zwaarwegende belangen stelt. Zulke belangen stelt hij niet. Ter zitting is wel gesproken over soorten echtscheiding en de financiële gevolgen, maar dat hij financieel een onredelijk nadeel lijdt door deze echtscheiding blijkt nergens uit.
2.8
De man zal dus worden veroordeeld om mee te werken aan de Iraaks/islamitische echtscheiding.
Aan de veroordeling wordt een dwangsom verbonden
2.9
De man heeft niet meegewerkt aan echtscheiding tijdens deze procedure, dus aan de veroordeling zal een dwangsom worden verbonden.
Meewerken aan echtscheiding houdt in dat als de vrouw de man per brief verzoekt om mee te werken aan echtscheiding naar Iraaks/islamitisch recht, de man alles doet wat nodig is om tot Iraaks/islamitische echtscheiding te komen. Dat kan zijn: verschijnen voor een imam, getuigen meenemen, verschijnen voor een Iraakse rechtbank of andere handelingen die tot gevolg hebben dat de vrouw niet langer met de man is gehuwd naar Iraaks/islamitische recht. De man is klaar met zijn inspanningen als de echtscheiding officieel is volgens Iraaks/islamitisch recht.
2.1
Doet hij dat niet, dan verbeurt hij, na betekening van dit vonnis, een dwangsom van € 500,00 per dag die hij in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,00.
De man wordt veroordeeld in de proceskosten
2.11
De man wordt in het ongelijk gesteld en daarom wordt hij in de proceskosten veroordeeld. Dat betekent dat hij zijn eigen kosten moet dragen en de kosten van de vrouw moet vergoeden.
2.12
Omdat de vrouw heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal gedaagde niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
- griffierecht € 87,00
- salaris advocaat € 2.149,00 (3,5 punten tarief II; € 614,00 per punt)
- nakosten
€ 178,00 +
€ 2.414,00
Ook de wettelijke rente over deze kosten vanaf de 15e dag na dit vonnis wordt toegewezen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
2.13
De man heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad. Daarom wordt dit onderdeel van de vordering toegewezen. Dat betekent dat het vonnis uitgevoerd kan worden, ook als een van partijen een rechtsmiddel instelt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
veroordeelt de man om binnen vier weken na dit vonnis mee te werken aan het bewerkstelligen van echtscheiding naar Iraaks/islamitische recht (zie 2.8);
3.2
als de man niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis heeft voldaan aan de veroordeling onder 3.1 zal hij een dwangsom verbeuren van € 500,00 per dag met een maximum van € 100.000,00;
3.3
veroordeelt de man in de proceskosten die tot heden aan de kant van de vrouw worden begroot op € 2.414,00 met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis als dan nog niet is betaald;
3.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 22 Rv Pro
2.Bijlage 8 bij de laatste akte van de vrouw