ECLI:NL:RBROT:2026:1653

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/10/713657 / KG ZA 26-59
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming en betredingsverbod gezamenlijke woning na relatiebeëindiging

In deze kortgedingprocedure vordert de vrouw dat de man, met wie zij een relatie had die enkele maanden geleden is beëindigd, de gezamenlijk bewoonde woning verlaat en deze niet meer betreedt. De vrouw is de enige huurder van de woning en de man verblijft zonder recht of titel in de woning.

De vrouw heeft de man per aangetekende brief verzocht de woning te verlaten, maar hij heeft hieraan geen gehoor gegeven. De rechtbank stelt vast dat de man geen medehuurder is, ondanks zijn bijdrage aan de woonlasten, omdat dit niet met bewijs is onderbouwd en hij niet op de huurovereenkomst staat.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft vanwege oplopende spanningen en dat de man de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis moet verlaten. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd bij niet-nakoming, met een maximum van €20.000. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld de woning binnen veertien dagen te verlaten en niet meer te betreden, met een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713657 / KG ZA 26-59
Vonnis in kort geding van 12 februari 2026
in de zaak van
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [naam vrouw] ,
advocaat: mr. J.F. van Duin,
tegen
[naam man],
wonende op een geheim adres in de gemeente Ridderkerk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [naam man] ,
verschenen in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze procedure vordert [naam vrouw] om [naam man] te veroordelen de door hen gezamenlijk bewoonde woning te verlaten en deze niet meer te betreden. Deze vordering wordt toegewezen. [naam man] moet de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis verlaten en hij mag de woning daarna niet meer betreden.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 23 januari 2026, met producties 1 tot en met 3.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is enkele maanden geleden beëindigd.
3.2.
[naam vrouw] huurt sinds 28 februari 2019 de woning aan de [adres] te ( [postcode 1] ) Ridderkerk (hierna: ‘de woning’).
3.3.
[naam vrouw] heeft [naam man] per aangetekende brief van 5 januari 2026 verzocht om de woning uiterlijk op 19 januari 2026 te verlaten. [naam man] heeft dit niet gedaan.

4.Het geschil

4.1.
[naam vrouw] vordert – na vermindering van eis op de mondelinge behandeling – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
[naam man] de woning aan de [adres] te ( [postcode 2] ) [
de vzr. begrijpt: [postcode 1]] Ridderkerk binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dient te verlaten met medeneming van zijn eigendommen en de woning nadien niet meer mag betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke keer of dag dat [naam man] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,-;
Subsidiair [naam vrouw] voor de duur van een nog op te starten bodemprocedure, het alleenrecht tot bewoning van de woning aan de [adres] te ( [postcode 2] ) [
de vzr. begrijpt: [postcode 1] ]Ridderkerk en dus met uitsluiting van [naam man] zal verkrijgen en [naam man] te verbieden deze woning te betreden binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke keer of dag dat [naam man] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van
€ 20.000,-;
[naam man] te veroordelen in de proceskosten.

5.De beoordeling

[naam vrouw] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
5.1.
[naam vrouw] stelt dat, omdat de relatie van partijen is beëindigd en zij nog samen in de woning wonen, de spanningen tussen hen oplopen. Vanwege deze spanningen kan een beslissing in een bodemprocedure niet worden afgewacht. Met deze stelling heeft [naam vrouw] het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. [naam man] heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
[naam man] moet de woning verlaten
5.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat alleen [naam vrouw] de huurovereenkomst heeft gesloten met de verhuurder van de woning. Dit betekent dat alleen [naam vrouw] huurder van de woning is. Omdat de relatie van partijen is beëindigd, heeft [naam vrouw] [naam man] verzocht de woning te verlaten en omdat hij dit niet doet, betekent dit dat [naam man] zonder recht of titel in de woning verblijft, ook al omdat partijen blijkbaar geen afspraken hebben gemaakt over het huurrecht in geval van beëindiging van hun relatie. Dat [naam man] ingeschreven staat op het adres van de woning maakt hem immers nog geen medehuurder. Dat [naam man] [naam vrouw] maandelijks een bepaald bedrag contant aan [naam vrouw] betaalde als bijdrage in de woonlasten, zoals hij stelt, maakt hem evenmin medehuurder. [naam man] heeft dit bovendien niet met bewijsstukken aangetoond terwijl [naam vrouw] op de mondelinge behandeling heeft gesteld dat [naam man] in het verleden wel een bijdrage in de woonlasten leverde, maar dat hij dit al geruime tijd niet meer doet.
5.3.
Al het voorgaande betekent dat [naam man] de woning moet verlaten en niet meer mag betreden. Hoewel de vordering van [naam vrouw] declaratoir is ingesteld, is voldoende duidelijk, ook voor [naam man] , dat bedoeld is te vorderen om [naam man] te veroordelen om de woning te verlaten. De daarvoor gevorderde termijn acht de voorzieningenrechter te kort. Een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis acht de voorzieningenrechter redelijk.
[naam man] moet een dwangsom betalen als hij de woning niet op tijd verlaat
5.4.
Omdat [naam man] de woning ondanks de verzoeken van [naam vrouw] daartoe, nog niet heeft verlaten, wordt een dwangsom als prikkel tot nakoming noodzakelijk geacht. Als [naam man] de woning niet binnen de gestelde termijn verlaat, is hij een dwangsom verschuldigd van
€ 250,00 per dag met een maximum van € 20.000,00.
De proceskosten
5.5.
Omdat partijen ex-partners zijn, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [naam man] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ( [postcode 1] ) Ridderkerk te verlaten met medeneming van zijn eigendommen en de woning niet meer te betreden,
6.2.
veroordeelt [naam man] om aan [naam vrouw] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 en 6.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026. 3608/2009