ECLI:NL:RBROT:2026:1657

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/10/714036 / JE RK 26-173
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West om de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen. De minderjarige verblijft momenteel bij de tante moederszijde, maar de relatie tussen de moeder en de tante is verstoord, wat spanningen binnen de familie veroorzaakt. De GI overweegt een neutrale pleegplaatsing als de situatie niet verbetert.

De moeder verzet zich primair tegen verlenging en verzoekt subsidiair om een kortere verlenging van één maand. Zij erkent haar verslavingsproblematiek en werkt mee aan hulpverlening. De vader sluit zich aan bij de moeder en wil dat de plaatsing binnen het netwerk blijft, eventueel bij zijn kant van de familie.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. Hoewel de moeder binnenkort intensieve hulpverlening start, is het nog te vroeg voor terugplaatsing. De GI moet de situatie bij de tante monitoren en zo nodig een andere plek zoeken. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verlengd tot 22 april 2026.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 22 april 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714036 / JE RK 26-173
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboorteplaats] 2022 in [geboortedatum] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Nentjes, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. T. Erdal, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026;
- het bericht ingediend namens de moeder met bijlage, ontvangen op 3 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de tante moederszijde (mz).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 januari 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 6 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het nader toe. [minderjarige] verblijft op dit moment bij de tante mz en ontvangt hier de juiste basale zorg. Echter is de band tussen de moeder en de tante mz niet goed en zijn er conflicten binnen de familie. [minderjarige] staat hier tussenin. De GI was daarom voornemens om te gaan zoeken naar een neutraal pleeggezin voor [minderjarige] . Vorige week heeft er een gesprek plaatsgevonden met de moeder, haar advocaat en de vader. Tijdens dit gesprek is besproken wat er precies speelt binnen de familie en wat er de komende periode nodig is. Tijdens dit gesprek heeft de moeder kenbaar gemaakt dat zij wel achter een plaatsing bij de tante mz kan staan. Ondertussen staat de moeder niet meer achter een plaatsing bij de tante mz. Dit maakt het een lastige situatie. De GI is aan het onderzoeken wat het beste is voor [minderjarige] . Voor nu zijn er afspraken gemaakt met de moeder en de tante mz over de communicatie. Omdat de vader wel contact heeft met de tante mz, heeft de GI hem de afgelopen weken af en toe ingezet om kleding en dergelijke naar [minderjarige] te brengen. Als het niet lukt om de situatie tussen de moeder en de tante mz te verbeteren, is een neutrale plaatsing van [minderjarige] voor de hand liggend. De GI heeft daarnaast zorgen over de relatieproblematiek tussen de ouders en de verslavingsproblematiek van de moeder. De wens van de ouders is om [minderjarige] zo snel mogelijk terug te plaatsen. Hiervoor is het voor de GI in ieder geval van belang dat de moeder behandeling krijgt en transparant is over het verloop hiervan. Daarnaast vindt de GI de inzet van systemische hulpverlening en opvoedondersteuning belangrijk. Voor nu wordt gedacht aan Sensa Zorg omdat zij al het bovenstaande kunnen bieden. Ook is er een aanmelding gedaan bij Coachpoint voor het begeleiden van de omgang.
4.2.
Namens en door de moeder wordt ter zitting primair verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor een kortere periode dan verzocht, te weten voor één maand. De moeder kon, ondanks dat de tante mz negatief over de moeder praat in het bijzijn van [minderjarige] , in eerste instantie instemmen met een plaatsing bij de tante mz. De moeder begrijpt namelijk dat [minderjarige] dan bij een voor haar bekend persoon verblijft. Echter is ondertussen gebleken dat de plaatsing van [minderjarige] bij de tante mz enkel onrust en verdeeldheid veroorzaakt. De moeder kan niet communiceren met de tante mz waardoor zij voor contact met [minderjarige] volledig afhankelijk is van de GI. De vader heeft beter contact met de tante mz waardoor hij vaker contact heeft met [minderjarige] . Dit zorgt voor scheefgroei. Als [minderjarige] nog niet thuisgeplaatst kan worden, ziet de moeder daarom het liefst dat [minderjarige] in een neutraal pleeggezin wordt geplaatst. De moeder vindt het lastig dat steeds hoofzakelijk wordt gekeken naar haar verslavingsproblematiek terwijl er ook andere zorgen zijn, zoals de relatieproblematiek tussen de ouders. De moeder erkent haar verslavingsproblematiek en staat sinds januari 2025 op de wachtlijst bij De Hoop. Dat is op eigen initiatief gebeurd, voordat de GI betrokken is geraakt. Op 8 december 2025 heeft de moeder een eerste intake gehad bij De Hoop en op 9 februari 2026 heeft de moeder een verlengde intake staan. De Hoop heeft laten weten dat een opname niet tot de mogelijkheden behoort en er intensieve ambulante hulpverlening in de thuissituatie zal worden ingezet. De moeder gaat hieraan meewerken en begrijpt dat de veiligheid van haar kinderen voorop moet staan. Zij is daarom bereid om volledige openheid te geven, medewerking te verlenen aan alle hulpverlening en dagelijks mee te werken aan urinecontroles.
4.3.
Namens en door de vader wordt ter zitting aangesloten bij het verzoek van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor één maand. De vader stemt niet in met een plaatsing van [minderjarige] in een neutreel pleeggezin. Er is een groot netwerk betrokken, ook aan zijn kant. Mocht de plaatsing bij de tante mz niet houdbaar zijn, moet daarom onderzocht worden of [minderjarige] geplaatst kan worden binnen het netwerk van de vader. Beide ouders willen dat [minderjarige] zo snel mogelijk wordt teruggeplaatst. Hierbij moet een terugplaatsing bij de vader ook worden overwogen. De vader is bezig met het vinden van een eigen woonruimte en heeft hier door zijn lange inschrijftijd ook op korte termijn zicht op. Het vooruitzicht op hulpverlening vanuit Sensa Zorg met zowel systemische als individuele hulpverlening, vindt de vader goed klinken en hij is bereid daaraan mee te werken.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[minderjarige] is op 9 januari 2025 uit huis geplaatst na een onrustige periode in de thuissituatie door spanningen tussen de ouders en een terugval van de moeder in haar alcoholgebruik. Op dit moment verblijft [minderjarige] bij de tante mz. Het gaat hier goed met [minderjarige] , maar de relatie tussen de moeder en de tante mz is verstoord, waardoor deze plaatsing spanningen met zich meebrengt. De spanningen spelen breder in de familie. Dit roept de vraag op of een plaatsing binnen het netwerk het meest in [minderjarige] haar belang is. Enerzijds is het fijn dat [minderjarige] op een voor haar vertrouwde plek zit, anderzijds is het niet de bedoeling dat [minderjarige] de spanningen tussen de moeder en de tante mz meekrijgt. De moeder heeft daarom de wens dat, als [minderjarige] nog niet terug kan naar huis, zij in een neutraal pleeggezin wordt geplaatst. De vader ziet het liefst dat [minderjarige] in dat geval binnen het netwerk blijft.
5.3.
Hoewel het positief is dat de moeder op zeer korte termijn een verlengde intake heeft bij De Hoop en beide ouders openstaan voor hulpverlening, is de kinderrechter van oordeel dat het op dit moment nog te vroeg is om [minderjarige] terug te plaatsen. De afgelopen weken is er nog niet veel veranderd en de benodigde hulpverlening moet nog worden ingezet. Het is belangrijk dat dit eerst gebeurt zodat een uiteindelijke terugplaatsing succesvol verloopt. In de tussentijd is het belangrijk dat [minderjarige] op een stabiele en veilige plek verblijft. De komende periode moet worden onderzocht of de plaatsing bij de tante mz dit [minderjarige] voldoende kan bieden. Hierin is een belangrijke rol weggelegd voor de GI om zicht te houden op de opvoedsituatie bij de tante mz en indien nodig op zoek te gaan naar een andere plek voor [minderjarige] .
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.