ECLI:NL:RBROT:2026:1663

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712171 / JE RK 25-2650
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen en een machtiging tot uithuisplaatsing van één kind. De kinderrechter heeft op 19 januari 2026 een zitting gehouden waarbij ouders, advocaten, de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door spanningen tussen de ouders en de complexe problematiek van één kind.

De kinderen wonen verspreid: de oudste bij de vader, de middelste in een instelling en de jongste afwisselend bij beide ouders. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om passende hulp en ondersteuning te bieden en de belangen van de kinderen te waarborgen. De machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor de duur van zes maanden voor het kind met agressief en destructief gedrag, waarvoor een passende woonplek en psychiatrisch onderzoek nodig zijn.

De ouders verzetten zich niet tegen het verzoek en erkennen de spanningen. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden. De beslissing is schriftelijk vastgelegd op 13 februari 2026.

Uitkomst: De kinderrechter stelt drie minderjarige kinderen onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van één kind voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712171 / JE RK 25-2650
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. W.J.J. Trooster, kantoorhoudende in Vlaardingen,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad van 19 december 2025 met bijlagen, ontvangen op diezelfde datum;
  • het rapport van de Raad van 8 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] woont bij de vader.
2.3.
[minderjarige 2] verblijft op een open groep van [naam instelling] .
2.4.
[minderjarige 3] woont afwisselend een week bij de moeder en een week bij de vader.
2.5.
Bij beschikking van 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 januari 2026.
2.6.
Bij beschikking van 1 december 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 23 januari 2026.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen tot haar meerderjarigheid, te weten tot 25 oktober 2026, en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Het gezinssysteem heeft hulp en ondersteuning nodig. Binnen de ondertoezichtstelling moet gekeken worden hoe de relatie tussen de ouders verbeterd kan worden en waar de kinderen zullen verblijven. De Raad is van mening dat MST passend kan zijn in dit gezin. Met name bij [minderjarige 2] moet daarnaast goed bekeken worden welke hulp zij nodig heeft. De Raad is blij dat de ouders zich niet verzetten tegen de ondertoezichtstelling. Hopelijk krijgt het gezin de komende tijd meer rust.
4.2.
De GI steunt ter zitting het verzoek van de Raad. De huidige jeugdbeschermer zal vanuit de voorlopige ondertoezichtstelling de hulp doorzetten maar zal daarna niet meer betrokken zijn bij dit gezin. De jeugdbeschermer heeft het hier met name met [minderjarige 1] goed over gehad. Haar band met [minderjarige 2] is anders aangezien [minderjarige 2] op een groep woont waar zij al 1-op-1 begeleiding krijgt. Desgevraagd geeft de GI aan dat een netwerkplaatsing altijd voorop staat maar dat de problematiek van [minderjarige 2] zo’n plaatsing overstijgt. De groep waar [minderjarige 2] nu verblijft weet ook niet zeker of zij er kan blijven. [minderjarige 2] gaat geregeld niet naar school en houdt zich niet aan de afspraken. Een driemilieus-voorziening is wellicht passender. Het is belangrijk dat [minderjarige 2] op een passende plek stabiliseert en dat daarna met een psychiatrisch onderzoek wordt bekeken waar de problematiek van [minderjarige 2] vandaan komt. Om ervoor te zorgen dat er niet in korte tijd te veel hulp wordt ingezet, is het belangrijk dat de regie vanuit de jeugdbescherming blijft.
4.3.
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De vader is blij met de hulp die er vanuit de ondertoezichtstelling wordt geboden en hoopt dat de kinderen dit ook als helpend gaan ervaren. De vader heeft in alle gesprekken altijd volledige openheid gegeven, maar is op sommige punten ook terughoudend geweest ter bescherming van de kinderen. De Raad heeft in het rapport de situatie goed in kaart gebracht. Hierin staan ook kritische punten over de vader waarmee hij aan de slag gaat. De verhouding tussen de ouders verloopt nog altijd erg spanningsvol. De vader is geschrokken van de documenten en weerleggingen die door de moeder zijn ingestuurd. De vader herkent zich niet in de suggestie van intieme terreur. De vader wil graag de focus leggen op de toekomst en stappen vooruitzetten.
4.4.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder heeft ter zitting een brief voorgelezen. De moeder heeft een uitgebreide reactie op het Raadsrapport gegeven omdat de moeder zich zorgen maakt over het verliezen van haar kinderen. De moeder ziet bepaalde patronen die doorbroken moeten worden. De moeder is blij dat de hulp vanuit de voorlopige ondertoezichtstelling wordt doorgezet. De moeder hoopt daarnaast dat vooral [minderjarige 2] de hulp krijgt die zij nodig heeft. De spanningsvolle relatie wordt ook door de moeder erkend en zij hoopt dat dit de komende periode opgelost kan worden. De ouders zijn al begonnen met het traject Parallel solo ouderschap. De moeder hoopt dat de GI de komende periode meer kan betekenen in de communicatie tussen de ouders.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen worden al lange tijd belast met de problemen die tussen de ouders spelen en de emoties die de ouders ervaren. Het lukt de ouders niet om op constructieve wijze met elkaar te communiceren. Hierdoor worden de kinderen belast met onderlinge spanningen en strijd. De Raad maakt zich ook zorgen over de mate waarin de ouders kunnen aansluiten bij wat de kinderen ieder afzonderlijk nodig hebben. Op dit moment heeft [minderjarige 2] geen contact met de moeder. [minderjarige 2] doet heftige uitspraken. [minderjarige 3] woont de helft van de tijd bij ieder van de ouders. Gezien de grote bestaande spanningen is de vraag wat dit voor hem betekent. Bij [minderjarige 1] wordt gezien dat zij als oudste (te) veel verantwoordelijkheid op zich neemt en een rol aanneemt die niet bij haar positie past. De kinderrechter ziet – naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige 1] – dat zij mooie toekomstplannen heeft. Het is haar gegund dat ze die kan gaan waarmaken.
5.3.
Het is belangrijk dat de kinderen opgroeien in een rustige en stabiele (thuis)situatie met ouders die emotioneel beschikbaar voor hen zijn en hen niet belasten met of blootstellen aan spanningen, stress en vijandigheid. De kinderen hebben het recht om een eigen beeld te ontwikkelen van hun beide ouders en onbelast contact met hen te hebben. Zij moeten de ruimte krijgen om de heftige gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Het is belangrijk dat er op verschillende gebieden (specialistische) hulpverlening wordt ingezet.
5.4.
Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat hulpverlening in een gedwongen kader, door middel van een ondertoezichtstelling van de kinderen, noodzakelijk is om het gezin passende hulp en ondersteuning te bieden en om te belangen en de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] onder toezicht stellen tot haar meerderjarigheid, te weten tot 25 oktober 2026, en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2]
5.6.
[minderjarige 2] kampt met zelfbepalend, fysiek agressief en naar zichzelf destructief gedrag. Zij is opgenomen geweest op de High Intensive Care van Yulius en vervolgens overgeplaatst naar [naam instelling] . Hier verblijft [minderjarige 2] nog steeds. [naam instelling] heeft bij de GI aangegeven dat zij niet weten of zij de meest geschikte plek voor [minderjarige 2] zijn. [minderjarige 2] is zelf van mening dat zij bij de vader kan wonen. De vader heeft op dit moment echter onvoldoende vaardigheden om grip te krijgen op het gedrag van [minderjarige 2] . Vanwege de verstoorde relatie tussen [minderjarige 2] en de moeder acht de kinderrechter een plaatsing bij de moeder ook niet mogelijk. Het gedrag van [minderjarige 2] is complex en op dit moment is het onduidelijk waar dit gedrag door verklaard kan worden. De komende periode is het belangrijk dat er wordt onderzocht wat [minderjarige 2] nodig heeft en welke woonplek op de korte en de langere termijn passend is voor haar.
5.7.
Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter een machtiging verlenen, aansluitend op de tot 23 januari 2026 lopende machtiging, om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, met ingang van 19 januari 2026 tot haar meerderjarigheid, te weten tot 25 oktober 2026;
6.2.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, met ingang van 19 januari 2026 tot 19 januari 2027;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 juli 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.