ECLI:NL:RBROT:2026:1670

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
C/10/660474 / FA RK 23-4420
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:5 lid 8 BWArt. 1:204 lid 3 BWArt. 1:253c lid 1 en 2 BWArt. 1:377a lid 1 en 3 BWArt. 1:20e lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verleent vervangende toestemming erkenning zonder naamswijziging en wijst verzoek gezag en omgang af

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning van een minderjarige door de man, die al twee andere minderjarigen had erkend. De rechtbank concludeerde dat hoewel erkenning in het belang van de minderjarige is, het rechtsgevolg van naamswijziging achterwege moet blijven vanwege het belang van de minderjarige bij behoud van zijn huidige geslachtsnaam en bescherming van zijn privé- en familieleven.

De rechtbank weegt de belangen van de minderjarige, de vrouw en de man zorgvuldig af. De erkenning legt de juridische afstamming vast, maar een naamswijziging zou de emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling van de minderjarige negatief beïnvloeden, mede vanwege zijn vermoedelijke autismespectrumstoornis. Daarom wordt de erkenning toegestaan zonder naamswijziging.

Verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en een omgangsregeling worden afgewezen. De rechtbank oordeelt dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders vanwege de verstoorde communicatie en beperkte betrokkenheid van de man. Ook acht de rechtbank omgang op dit moment schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarigen.

De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, beëindigt de taak van de bijzondere curator en bepaalt dat partijen elk hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Vervangende toestemming voor erkenning verleend zonder naamswijziging; verzoeken tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/660474 / FA RK 23-4420
Beschikking van 19 februari 2026 over vervangende toestemming voor erkenning, het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.P. Biesbroek te Rotterdam.
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. N.D. 't Zand te Amsterdam.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
[naam 1], advocaat te ‘s Gravendeel, hierna te noemen de bijzondere curator.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , hierna: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 1] , hierna: [minderjarige 3] ,
hierna samen: de minderjarigen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van deze rechtbank van 7 november 2024;
  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 28 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Het verzoek is gecombineerd behandeld met het bij de rechtbank ingekomen verzoek van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen, bekend onder zaak-/rekestnummer: C/10/711049/JE RK 25-2492. In die zaak is afzonderlijk uitspraak gedaan.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • de raad, in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [naam 2] ;
  • twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), [naam 3] en [naam 4] .
1.4.
De man en zijn advocaat zijn niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met de advocaat van de man gebeld. De advocaat heeft op dat moment aanhouding gevraagd met als reden dat zij en de man de oproep voor de mondelinge behandeling niet hebben ontvangen. Namens de vrouw is bezwaar gemaakt tegen de aanhouding van de mondelinge behandeling vanwege het belang van de minderjarigen en de vrouw bij duidelijkheid over de verzoeken. De rechtbank heeft gecontroleerd of de man behoorlijk is opgeroepen. De wet schrijft voor dat de oproeping van verzoeker met een gewone brief gebeurt. [1] De oproep per gewone brief is naar het juiste adres verzonden en daarmee behoorlijk gedaan. De rechtbank houdt een mondelinge behandeling aan als sprake is van klemmende redenen. Het niet ontvangen van een juist verstuurde oproepbrief is geen klemmende reden. De rechtbank ziet dus geen grond voor inwilliging van het verzoek om aanhouding. De rechtbank heeft de advocaat van de man aangeboden telefonisch bij de zitting aanwezig te zijn. De advocaat van de man heeft daarvan afgezien, omdat zij zich niet heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling vervolgens voortgezet.
1.5.
De minderjarigen zijn uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
De rechtbank verwijst naar de beschikking van deze rechtbank van 7 november 2024 en neemt over wat daarin is opgenomen. In die beschikking is een informatieregeling vastgesteld en is bepaald dat de man een onderhoudsbijdrage moet voldoen. De behandeling van de verzoeken over de vervangende toestemming voor erkenning, het gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht is aangehouden en de raad is verzocht onderzoek te doen.

3.De beoordeling

3.1.
Vervangende toestemming erkenning [minderjarige 3]
3.1.1.
Het verzoek strekt tot het aan de man verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 1] .
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek van de man.
3.1.3.
De man heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] erkend en wil daarom [minderjarige 3] ook erkennen. Volgens de vrouw bestaat geen twijfel dat de man de verwekker van [minderjarige 3] is. De vrouw vindt dat een eventuele erkenning door de man een negatief effect zal hebben op de emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling van [minderjarige 3] . Vooral een wijziging van de geslachtsnaam door de erkenning zal een grote, negatieve impact hebben op [minderjarige 3] . Hij wil zijn huidige achternaam houden. Voor een kind als [minderjarige 3] is het heel belangrijk dat zoiets belangrijks niet verandert als hij dat niet wil. Zijn naam staat voor wie hij is.
3.1.4.
De bijzondere curator adviseert in haar advies van 11 april 2024 als volgt. Volgens de bijzondere curator verandert er voor [minderjarige 3] door de erkenning niets en zijn belangen worden niet geschaad. Door de erkenning wordt de afstammingsband juridisch vastgelegd en wordt de feitelijke situatie in overeenstemming gebracht met de juridische situatie. Het is volgens de bijzondere curator van belang dat de situatie van alle minderjarigen gelijk wordt getrokken en dat gebeurt door de erkenning van [minderjarige 3] . De bijzondere curator heeft geen twijfel over het verwekkerschap van de man. De bijzondere curator adviseert de vervangende toestemming tot erkenning te verlenen aan de man.
3.1.5.
De raad is van mening dat vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige 3] door de man in het belang van [minderjarige 3] is. De erkenning op zichzelf is niet belastend of schadelijk voor [minderjarige 3] . Tegelijkertijd vindt de raad het nadrukkelijk in het belang van [minderjarige 3] dat erkenning niet leidt tot wijziging van zijn geslachtsnaam. Een naamswijziging zou voor [minderjarige 3] verwarrend en emotioneel ontwrichtend kunnen zijn, omdat dit raakt aan zijn zelfbeeld, sociale herkenning en de continuïteit die hij nodig heeft. Als de erkenning toch tot een naamswijziging leidt, acht de raad die erkenning niet in het belang van [minderjarige 3] . Dan zou de erkenning een risico vormen voor [minderjarige 3] emotionele ontwikkeling, draagkracht en welzijn. Is de mogelijkheid van erkenning zonder wijziging van de geslachtsnaam uitgesloten, dan moet erkenning uitblijven, aldus de raad.
3.1.6.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW Pro kan vervangende toestemming worden verleend, tenzij de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige schaadt of door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt, als de man de verwekker is van de minderjarige.
3.1.7.
De rechtbank moet daarbij de belangen van de minderjarige, de man en de vrouw wegen. De vrouw heeft met name belang bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige. De man heeft belang bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen hem en de minderjarige. De belangen van de minderjarige kunnen zowel zijn gelegen in een ongestoorde verhouding met de vrouw als in het ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de man. Die afweging mag niet leiden tot schade aan de belangen van de minderjarige of de vrouw. Van schade aan de belangen van de minderjarige is sprake als ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling. De rechtbank ziet zich gesteld voor een ingewikkelde afweging, gelet op de gevolgen van de beslissing. De uitkomst van die afweging is daarom als volgt.
3.1.8.
De rechtbank verleent aan de man vervangende toestemming om [minderjarige 3] te erkennen, maar het rechtsgevolg van die erkenning blijft uit, voor zover het betreft de wijziging van de geslachtsnaam. Met deze beslissing van de rechtbank wordt recht gedaan aan twee gelijkwaardige belangen van [minderjarige 3] . De rechtbank legt dat uit.
3.1.9.
Het ene belang van [minderjarige 3] betreft duidelijkheid over zijn afstamming. Tussen partijen is geen discussie dat de man de verwekker van [minderjarige 3] is. Het uitgangspunt bij het verlenen van de toestemming is dat de minderjarige en de verwekker in beginsel recht hebben op de erkenning van hun relatie als familierechtelijke betrekking. Met de raad en de bijzondere curator acht de rechtbank de erkenning in het belang van [minderjarige 3] , omdat het zijn afstamming van de man juridisch vastlegt en ook voor hemzelf duidelijk maakt. Daarnaast is voor de rechtbank belangrijk dat het enkel een vastlegging van de feitelijke en juridische situatie is, die geen directe invloed heeft op de betrokkenheid van de man bij het leven van [minderjarige 3] . Dit maakt dat de vrouw niet wordt geschaad in haar belang bij een ongestoorde verstandhouding met [minderjarige 3] .
3.1.10.
Het andere belang van [minderjarige 3] dat een rol speelt bij de beslissing van de rechtbank, heeft te maken met zijn geslachtsnaam. [minderjarige 3] draagt op dit moment de geslachtsnaam van zijn moeder. Op grond van artikel 1:5 lid 8 BW Pro verandert deze naam na de erkenning van rechtswege in de geslachtsnaam van zijn vader, omdat de twee oudere zussen van [minderjarige 3] door de man erkend zijn en partijen bij die erkenning hebben verklaard dat zij de geslachtsnaam van de man dragen. De raad en de vrouw hebben voldoende duidelijk gemaakt dat een wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige 3] grote gevolgen voor hem heeft, omdat zijn huidige geslachtsnaam een essentieel onderdeel is van zijn identiteit en gevoel van veiligheid en verbondenheid. Daar komt bij dat de rechtbank uit de stukken heeft vernomen dat [minderjarige 3] symptomen heeft die wijzen op een autismespectrumstoornis, hoewel dit nog niet officieel is vastgesteld. Hieruit volgt dat voorspelbaarheid, zekerheid en duidelijkheid meer dan gemiddeld van betekenis zijn. Het is belangrijk de volledige achtergrond van het verzet van [minderjarige 3] tegen wijziging van zijn achternaam te betrekken bij de beslissing. Een verandering van zijn naam zou een dusdanige impact hebben op zijn innerlijk leven dat hij zichzelf niet meer is. Dit mag dus niet van hem gevraagd worden. De rechtbank heeft de bezwaren van de vrouw en de raad gehoord en ziet het belang van [minderjarige 3] om zijn geslachtsnaam te behouden.
3.1.11.
De keuzes die de wetgever ooit heeft gemaakt, hebben in dit specifieke geval tot gevolg dat geen expliciete mogelijkheid bestaat om de erkenning toe te wijzen met behoud van de geslachtsnaam van de vrouw. De rechtbank staat daardoor voor een wettelijk onmogelijke opgave: erkenning is in het belang van [minderjarige 3] , maar naamswijziging niet. Hoewel [minderjarige 3] belang heeft bij erkenning door de man, zal het daarmee samenhangende van rechtswege intredende gevolg – wijziging van zijn geslachtsnaam – juist rechtstreeks tegen zijn belang ingaan. De rechtbank kan daarom niet anders dan tot de conclusie komen dat sprake is van een situatie waarmee bij de totstandkoming van artikel 1:5 lid 8 BW Pro geen rekening is gehouden. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat het aan de erkenning verbonden rechtsgevolg dat de geslachtsnaam van [minderjarige 3] zou wijzigen achterwege moet blijven op grond van de bescherming van zijn privé- en familieleven en recht op naam, welke rechten zijn gewaarborgd in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.1.12.
In de praktijk betekent het uitsluiten van het rechtsgevolg dat [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] onveranderd niet dezelfde geslachtsnaam zullen dragen, terwijl zij na de erkenning wel officieel dezelfde juridische ouders hebben. Voor de rechtbank is wat dit betreft belangrijk dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geld sparen om werk te maken van het wijzigen van de geslachtsnaam van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in die van de vrouw. Hoewel nog onzeker is of de geslachtsnaam van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gewijzigd zal worden, zal de rechtbank bij de beslissing over de erkenning van [minderjarige 3] geen rekening houden met het feit dat als gevolg daarvan de minderjarigen verschillende achternamen dragen. Het belang dat alle kinderen in één gezin dezelfde achternaam dragen is in dit concrete geval ondergeschikt aan het belang van [minderjarige 3] bij erkenning door zijn vader en het belang om zijn huidige naam te behouden.
3.1.13.
De rechtbank verklaart de vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad, omdat geen belangen zijn gesteld of gebleken die zich verzetten tegen uitvoerbaarheid bij voorraad.
3.1.14.
De rechtbank wijst de man erop dat hij zelf met deze beschikking naar de ambtenaar van de burgerlijke stand moet gaan om de akte van erkenning te laten opmaken.
3.1.15.
Om problemen bij de tenuitvoerlegging van deze beschikking te voorkomen, wijst de rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke stand erop dat hij de akte van erkenning moet opmaken als de rechtbank vervangende toestemming verleent en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Zij verwijst hiervoor naar haar beschikkingen van 26 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:7118) en 31 oktober 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:10910). Dat betekent dat de ambtenaar van de burgerlijke stand niet mag wachten op de onherroepelijkheid van de vervangende toestemming. Een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.
3.1.16.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
3.2.
Gezag
3.2.1.
De man verzoekt te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw wordt belast met het gezag over de minderjarigen.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek van de man.
3.2.3.
Omdat aan de man vervangende toestemming wordt verleend [minderjarige 3] te erkennen en de man [minderjarige 2] en [minderjarige 1] heeft erkend, wordt de man juridisch ouder van de drie minderjarigen. Hij is daarmee een tot het gezag bevoegde ouder in de zin van artikel 1:253c BW en kan worden ontvangen in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag over de minderjarigen.
3.2.4.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.2.5.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.2.6.
De rechtbank is van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De rechtbank wijst het verzoek van de man dan ook af en legt uit waarom.
3.2.7.
De man wil betrokken zijn bij belangrijke beslissingen in het leven van de minderjarigen, terwijl de vrouw van mening is dat partijen niet kunnen overleggen en dat het hen niet zal lukken om gezagsbeslissingen te nemen. Uit het onderzoek van de raad blijkt dat de minderjarigen zich in een kwetsbare en onstabiele opvoedsituatie bevinden, waarin zij afhankelijk zijn van passende begeleiding en duidelijke beslissingen over hun leven. De communicatie van partijen is verstoord en de man is beperkt betrokken geweest bij het leven van de minderjarigen. De raad ziet daardoor geen mogelijkheden voor partijen om het ouderlijk gezag gezamenlijk uit te oefenen, omdat een noodzakelijke basis om tot overeenstemming te komen ontbreekt. Er is geen sprake van wederzijds vertrouwen en gezamenlijke verantwoordelijkheid. De rechtbank ziet met de raad op dit moment geen mogelijkheden voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag door partijen, zonder het risico dat de minderjarigen klem en verloren raken. De grote zorgen om de minderjarigen maken dat op dit moment veel hulpverlening ingezet moet worden om die zorgen weg te nemen. Dat vraagt om duidelijke beslissingen waarop de minderjarigen moeten kunnen vertrouwen. De man heeft onvoldoende aangetoond dat er een basis is om gezamenlijk beslissingen te nemen. Zonder die basis is het risico reëel dat gezamenlijk gezag de stabiliteit voor de minderjarigen in gevaar zal brengen. Daarnaast is de man beperkt betrokken geweest bij het leven van de minderjarigen en heeft hij niet of nauwelijks contact met hen. De rechtbank acht de man daarom niet in staat beslissingen te nemen in hun belang, omdat hij niet voldoende op de hoogte is van wat hun belang inhoudt.
3.3.
Omgangsregeling
3.3.1.
Omdat het verzoek van de man over het gezag wordt afgewezen, zal de rechtbank hierna enkel spreken over een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
3.3.2.
De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, die inhoudt dat de man op zijn vrije dagen wanneer de minderjarigen geen school hebben omgang met de minderjarigen mag hebben waarbij hij de minderjarigen ophaalt om te overnachten en dan de minderjarigen weer thuisbrengt.
3.3.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek van de man.
3.3.4.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.3.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af en overweegt daarbij als volgt.
Volgens de man zag hij de minderjarigen in het verleden gemiddeld drie keer per week, maar deze omgang is stopgezet. De vrouw heeft aangevoerd dat nooit vaste afspraken zijn gemaakt. De man kwam wanneer het hem uitkwam en hij heeft de minderjarigen enkel in het bijzijn van derden gezien. Volgens de vrouw is contactherstel tussen de man en de minderjarigen niet in hun belang. De raad vindt dat het op dit moment niet uitvoerbaar is om te zorgen dat de minderjarigen contact hebben met beide ouders. Op dit moment hebben de minderjarigen en de vrouw geen draagkracht voor omgang. Er moet eerst stabiliteit komen in het gezin van de vrouw en in de ontwikkeling van de minderjarigen.
3.3.6.
De rechtbank ziet met de raad geen mogelijkheden om een omgangsregeling vast te leggen, omdat de minderjarigen op dit moment al hun aandacht nodig hebben voor de focus op hun eigen ontwikkeling. De minderjarigen hebben op dit moment echt geen ruimte voor omgang met de man. De rechtbank acht het daarom ook niet het juiste moment om te onderzoeken of omgang met de man in het belang van de minderjarigen is en welke regeling daar het meest aan tegemoet zou komen. De rechtbank is van oordeel dat omgang tussen de man en de minderjarigen nu ernstig nadeel zou opleveren voor de ontwikkeling van de minderjarigen. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 2] nog enig contact heeft met de man via Whatsapp. De rechtbank vindt het belangrijk om op te merken dat de minderjarigen door deze beslissing niet worden tegengehouden om zelf contact op te nemen met hun vader, maar het initiatief voor dat contact ligt bij de minderjarigen.
3.4.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent [naam man] , geboren op [geboortedatum 3] 1978 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] , vervangende toestemming voor erkenning van:
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 1] , met de aanvulling dat aan de erkenning het rechtsgevolg met betrekking tot de geslachtsnaamwijziging wordt onthouden, in die zin dat [minderjarige 3] de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam] ’ behoudt indien de erkenning tot stand komt;
4.2.
draagt de griffier op om een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
4.3.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;
4.4.
wijst af de verzoeken van de man over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Huizenga, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 19 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 271 Rv Pro.