ECLI:NL:RBROT:2026:1684

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2603046:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 287 lid 4 FwArt. 287b FwArt. 305 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen ontruiming in afwachting schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287, vierde lid, Faillissementswet om te voorkomen dat Altera Residential Custodian B.V. het ontruimingsvonnis van 11 april 2023 ten uitvoer legt. De ontruiming was aangekondigd voor 10 februari 2026.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van spoedeisendheid, gelet op het vonnis en het exploot waarin de ontruiming wordt aangekondigd. De belangenafweging weegt het belang van verzoeker om in zijn woning te blijven af tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan, mede omdat de huur van januari en februari 2026 inmiddels, zij het te laat, is betaald en er een verzoek tot onderbewindstelling is ingediend. Tevens is niet onaannemelijk dat verzoeker zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarvan de behandeling op korte termijn zal plaatsvinden.

Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, waarbij de ontruiming wordt verboden zolang de huurtermijnen tijdig worden voldaan en het verzoek tot schuldsanering in behandeling is. De voorziening vervalt bij intrekking of definitieve beslissing op het schuldsaneringsverzoek.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de ontruiming zolang de huurtermijnen tijdig worden voldaan en het verzoek tot schuldsanering in behandeling is.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 9 februari 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam]
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 9 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (hierna: Fw), een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
Ook heeft verzoeker op 9 februari 2026 een verzoekschrift ex artikel 287b Faillissementswet ingediend. Hierop zal afzonderlijk worden beslist.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe Altera Residential Custodian B.V. (voorheen Altera Vastgoed N.V.), gevestigd te Amstelveen, vertegenwoordigd door Swier cs Gerechtsdeurwaarders (hierna: verweerster), te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen, totdat op het door verzoeker ingediende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist.
Deze rechtbank heeft bij vonnis van 10 februari 2025 de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis opgeschort voor de duur van zes maanden, derhalve van 17 januari 2025 tot 17 juli 2025.
Deze rechtbank heeft bij vonnis van 12 november 2025 een tweede verzoek ex artikel 287b Faillissementswet afgewezen.

3.De beoordeling

Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2023 tot ontruiming van zijn woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van het exploot van 27 november 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hem ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro in zijn huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 april 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit de overgelegde betaalbewijzen blijkt dat de huurtermijnen van januari en februari 2026, weliswaar te laat, op 5 februari 2026 zijn voldaan. Daarnaast is schuldhulpverlening aan de slag gegaan door een beschermingsbewindvoerder te verzoeken om met spoed de kantonrechter te verzoeken tot onder bewindstelling van verzoeker. Hierdoor is ook voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
Het verstreken zijn van het moratorium staat er niet zonder meer aan in de weg om een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro te vragen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat op voorhand niet onaannemelijk is dat verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten
Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal bovendien op
18 maart 2026 om 11:30 uur– en derhalve op korte termijn – worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw Pro.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verzoeker daarom nu zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De verzochte voorziening zal worden toegewezen, waarbij in het belang van verweerster zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verbiedt verweerster, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaatsnaam];
- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel de beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan.
Deze beschikking is op 9 februari 2026 gegeven door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier. [1]