ECLI:NL:RBROT:2026:1695

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11627149 CV EXPL 25-8335
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:229 lid 1 BWArt. 7:213 BWArt. 6:265 BWArt. 6 lid 3 huurreglementArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens overlast door zoon huurder en nalaten ontruiming

De huurder verhuurt sinds 1997 een woning van Stichting 3B Wonen. 3B Wonen vordert ontbinding van de huurovereenkomst omdat de huurder zich niet als goed huurder gedraagt, met name door de overlast veroorzaakt door zijn zoon die zonder toestemming in de woning verblijft en medewerkers van 3B Wonen heeft uitgescholden en bedreigd.

De huurder erkent het gedrag van zijn zoon en heeft een kort geding gewonnen om zijn zoon en schoondochter te ontruimen, maar heeft dit vonnis te laat laten uitvoeren. De kantonrechter oordeelt dat de huurder tekortschiet in zijn verplichtingen omdat hij onvoldoende actie heeft ondernomen om de overlast te stoppen.

3B Wonen heeft onvoldoende bewijs geleverd voor verwaarlozing van de woning en illegale onderverhuur. De kantonrechter weegt mee dat de huurder weerloos is tegen zijn zoon, maar vindt de tekortkoming ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.

De huurder wordt veroordeeld de woning binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen en de proceskosten te betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder moet de woning binnen twee weken ontruimen wegens ernstige overlast veroorzaakt door zijn zoon.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11627149 CV EXPL 25-8335
datum uitspraak: 13 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting 3B Wonen,
vestigingsplaats: Bergschenhoek,
eiseres,
gemachtigde: mr. A. Noordermeer-van der Heide,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H. Koning.
De partijen worden hierna ‘3B Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 25 maart 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlage;
  • de brief van [gedaagde] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] , met bijlagen;
  • de brief van [gedaagde] van 15 december 2025, met bijlagen;
  • de rolbeslissing van 19 december 2025;
  • de akte van 3B Wonen van 15 januari 2026.
1.2.
Op 25 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B] namens 3B Wonen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook [gedaagde] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tijdens de zitting heeft de kantonrechter vonnis bepaald op 19 december 2025.
1.3.
Op 15 december 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] laten weten dat zijn cliënt is overleden en er dus geen vonnis hoeft te worden gewezen. De kantonrechter heeft in zijn rolbeslissing 3B Wonen de gelegenheid gegeven om op het overlijden van [gedaagde] te reageren. 3B Wonen heeft gevraagd om toch vonnis te wijzen. Aangezien de inhoudelijke behandeling van de zaak al heeft plaatsgevonden, ziet de kantonrechter voldoende reden om opnieuw een datum voor het vonnis te bepalen (artikel 225 lid 4 Rv Pro).

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 13 augustus 1997 de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] van (de voorganger van) 3B Wonen. 3B Wonen vindt dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt, omdat hij de tuin en de woning verwaarloost en omdat zijn zoon overlast veroorzaakt. Daarnaast benoemt 3B Wonen dat de woning zonder toestemming wordt onderverhuurd aan de zoon van [gedaagde] en zijn partner. 3B Wonen wil deze onderhuursituatie stopzetten, omdat de zoon van [gedaagde] na een huisbezoek van 3B Wonen een medewerker heeft uitgescholden en dreigementen heeft geuit. Dit gaat 3B Wonen te ver. In deze procedure eist 3B Wonen dat de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] wordt ontbonden en [gedaagde] de woning moet verlaten.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij erkent weliswaar dat zijn zoon dit gedrag heeft vertoond en de tuin als opslagplaats gebruikt voor de meest uiteenlopende zaken, maar vindt ook dat hij er alles aan doet om de situatie stop te zetten. Hij is tegen zijn zoon een kort geding-procedure gestart om de woning te (laten) ontruimen en heeft een titel verkregen om dit te doen. De ontruiming stond gepland op 13 januari 2026. [gedaagde] benoemt dat hij niet is opgewassen tegen het gedrag van zijn zoon en dat zijn zoon zich als heer en meester van het huis is gaan gedragen. Verder beargumenteert [gedaagde] dat zijn zoon toestemming heeft gekregen van 3B Wonen om in de woning te verblijven. Tot slot betwist hij dat de woning is verwaarloosd.
2.3.
Voordat de kantonrechter ingaat op de inhoudelijke beoordeling wil hij benoemen dat hij zich realiseert dat het vreemd voorkomt om uit te gaan van de situatie alsof [gedaagde] nog in leven is maar hij ziet zich hiertoe wettelijk genoodzaakt. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] de woning moet verlaten. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
3B Wonen heeft nog belang bij haar vorderingen
2.4.
De kantonrechter overweegt dat 3B Wonen nog belang heeft bij haar vorderingen, omdat de huurovereenkomst niet eindigt door het overlijden van de huurder (artikel 7:229 lid 1 BW Pro). Omdat 3B Wonen in deze procedure vordert dat deze huurovereenkomst wordt ontbonden, heeft zij nog belang bij de ingestelde vorderingen.
[gedaagde] heeft zich niet als een goed huurder gedragen
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen (artikel 7:213 BW Pro), omdat hij te weinig inspanningen heeft verricht om de door zijn zoon veroorzaakte overlast te beëindigen. Vast staat dat de zoon van [gedaagde] op 14 februari 2025 medewerkers van 3B Wonen heeft uitgescholden en bedreigd toen 3B Wonen langskwam voor een huisbezoek. De zoon van [gedaagde] heeft, in bijzijn van een buurman, de medewerker van 3B Wonen een ‘vuile kankerhoer’ genoemd en gevraagd of hij haar ‘even de kanker in moest slaan’. De medewerker van 3B Wonen heeft aangifte gedaan van dit voorval. Daar komt bij dat [gedaagde] na aanhoudende klachten van buren is aangesproken op de aanhoudende vervuiling van de tuin die door zijn zoon wordt veroorzaakt. Deze gedragingen kunnen aan [gedaagde] worden toegerekend, omdat de zoon en schoondochter met toestemming van [gedaagde] in de woning verblijven en het bij aanhoudende overlast, zeker na het voorval op 14 februari 2025, op de weg ligt van [gedaagde] om de situatie zo spoedig mogelijk te beëindigen. [gedaagde] heeft weliswaar in kort geding een titel verkregen om zijn zoon en schoondochter per 1 september 2025 de woning te laten ontruimen, maar heeft hier te laat gebruik van gemaakt. Op het moment van de zitting van 25 november 2025 was de woning namelijk nog niet ontruimd. [gedaagde] heeft de deurwaarder opdracht gegeven het kort geding vonnis te executeren en een datum verkregen voor de ontruiming (13 januari 2026), maar dit is te laat. Omdat [gedaagde] te laat actie heeft ondernomen en op het moment van de zitting nog niet met zekerheid kan worden gezegd dat de woning door zijn zoon en schoondochter wordt ontruimd en ontruimd zal blijven, gedraagt hij zich niet als goed huurder en schiet hij tekort in de nakoming van zijn verplichtingen.
2.6.
De kantonrechter vindt dat 3B Wonen onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] de woning heeft verwaarloosd. 3B Wonen heeft enkel meldingen overgelegd van buurtbewoners. Nu de verwaarlozing door [gedaagde] wordt betwist, had het op de weg gelegen van 3B Wonen om met bijvoorbeeld foto’s te onderbouwen dat de woning wel verwaarloosd wordt door [gedaagde] . De kantonrechter oordeelt ook dat 3B Wonen onvoldoende heeft gesteld dat er sprake is van illegale onderverhuur. Er is namelijk gesteld noch gebleken dat de zoon en schoondochter van [gedaagde] een tegenprestatie betalen voor het gebruiken van de woning. In artikel 6 lid 3 van Pro het huurreglement is niet opgenomen dat het in gebruik geven van de woning niet is toegestaan. Dat [gedaagde] de woning zonder toestemming in gebruik heeft gegeven, wordt dan ook niet gezien als een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.7.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om zich als goed huurder te gedragen en dit niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro in combinatie met artikel 7:213 BW Pro). De tekortkoming is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter moet hierbij rekening houden met alle omstandigheden en uitgaan van de omstandigheden die tijdens de zitting bekend zijn. [1] De kantonrechter vindt het zwaar wegen dat [gedaagde] een kort geding procedure is gestart tegen zijn zoon en schoondochter om de woning te laten ontruimen, maar stelt ook vast dat dit kort geding vonnis te laat ten uitvoer is gelegd. Er is wel een opdracht gegeven om het vonnis te executeren en de ontruiming staat gepland op 13 januari 2026, maar dit geeft op het moment van de zitting onvoldoende zekerheid dat de woning door zijn zoon en schoondochter wordt ontruimd. Uit de gestelde feiten en omstandigheden blijkt namelijk dat [gedaagde] weerloos is tegen zijn zoon. Er is dan ook geen garantie dat de overlastsituatie die door zijn zoon wordt veroorzaakt, definitief zal worden beëindigd. 3B Wonen heeft allerlei maatregelen genomen om ontbinding en ontruiming te voorkomen, zoals [gedaagde] meerdere keren aanspreken op het gedrag van zijn zoon en hem als laatste kans een gedragsaanwijzing aanbieden, welke uiteindelijk niet door [gedaagde] is ondertekend. 3B Wonen heeft dan ook een zwaarwegend belang bij het beëindigen van deze situatie. Ondanks dat de kantonrechter sympathie heeft voor de situatie waarin [gedaagde] zich heeft bevonden en ten tijde van de zitting nog bevindt, oordeelt de kantonrechter dat de tekortkoming ernstig genoeg is om de ontbinding te rechtvaardigen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
2.8.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. De kantonrechter stelt de ontruimingstermijn gelet op de omstandigheden vast op twee weken nadat dit vonnis is betekend.
2.9. 3
B Wonen heeft onvoldoende belang om te vorderen dat de huurprijs wordt doorbetaald tot de ontruiming. Niet is gebleken dat [gedaagde] de maandelijkse huurprijs tijdens de huurperiode niet of te laat heeft betaald.
Geen oneerlijke bepalingen
2.10.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan 3B Wonen moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 135,00 aan griffierecht, € 434,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,00) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 822,95. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat 3B Wonen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen 3B Wonen en [gedaagde] en veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde schoon met alle sleutels ter beschikking van 3B Wonen te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van 3B Wonen worden begroot op € 822,95;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810