ECLI:NL:RBROT:2026:1791

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/10/681761 / HA ZA 24-576
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:129 lid 1 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting en rente bij wanprestatie in handelsrelatie tussen CST Industries en Envitech Services

In deze civiele procedure tussen CST Industries Inc. en Envitech Services B.V. heeft de rechtbank Rotterdam een eindvonnis gewezen na een tussenvonnis waarin Envitech was toegelaten tot bewijslevering omtrent schadeposten. Envitech heeft echter geen bewijs geleverd en haar advocaat heeft zich onttrokken, waarna geen nieuwe advocaat is verschenen.

De rechtbank oordeelt dat Envitech het bedrag van €271.057,76 aan CST moet betalen, zoals vastgesteld in het tussenvonnis. De schadevorderingen van Envitech wegens wanprestatie met betrekking tot de projecten VTTI-ETT5 en BP Verwater worden afgewezen vanwege het ontbreken van bewijs. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe over het bedrag van de factuur voor het project VTTV Cyprus en de wettelijke handelsrente over de overige facturen, met verschillende ingangsdata afhankelijk van de betalingstermijnen en verzuimdata.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank Envitech tot betaling van beslagkosten en proceskosten, inclusief rente over deze kosten indien niet tijdig betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De procedure kenmerkte zich door het ontbreken van een nieuwe advocaat voor Envitech en het niet nakomen van bewijslevering, waardoor CST in het gelijk is gesteld.

Uitkomst: Envitech wordt veroordeeld tot betaling van €271.057,76 aan CST, vermeerderd met wettelijke rente, handelsrente, beslagkosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rolnummer: C/10/681761 / HA ZA 24-576
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
CST INDUSTRIES INC.,
gevestigd te Kansas City, Verenigde Staten,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
ENVITECH SERVICES B.V.,
gevestigd te Schiedam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat voorheen mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam, nu niet langer in rechte vertegenwoordigd.
Partijen worden hierna CST en Envitech genoemd.

1.De zaak in het kort

In een tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat Envitech een bedrag aan CST moet betalen. Envitech is in het tussenvonnis toegelaten tot bewijslevering ten aanzien van de omvang van enkele schadeposten, die mogelijk kunnen worden verrekend met het aan CST te betalen bedrag. Na het tussenvonnis heeft de advocaat van Envitech zich onttrokken. Er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld en Envitech is niet tot bewijslevering overgegaan. De rechtbank wijst nu een eindvonnis in deze zaak.

2.De procedure

2.1.
Op 15 oktober 2025 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen. In dat tussenvonnis is een bewijsopdracht gegeven aan Envitech.
2.2.
Bij B-formulier van 12 november 2025 heeft de advocaat van Envitech zich onttrokken. In het B-formulier staat dat Envitech over de gevolgen van de onttrekking is geïnformeerd.
2.3.
De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 26 november 2025 voor het stellen van een nieuwe advocaat. Op deze roldatum heeft zich geen andere advocaat voor Envitech gesteld.
2.4.
Bij B-formulier van 25 november 2025 heeft CST vonnis gevraagd voor het geval zich op 26 november 2025 geen nieuwe advocaat voor Envitech zou hebben gesteld.
2.5.
De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor vonnis.
2.6.
Op 7 januari 2026 heeft Envitech gevraagd om aanhouding van het vonnis en voortzetting van de procedure. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 4 februari 2026 voor het stellen van een nieuwe advocaat. Daarbij is aangekondigd dat, als zich op 4 februari 2026 geen nieuwe advocaat stelt, vonnis wordt gewezen op 18 februari 2026.
2.7.
CST heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing om de zaak naar de rol te verwijzen voor het stellen van een nieuwe advocaat door Envitech. Dat bezwaar is op 13 januari 2026 afgewezen.
2.8.
Op 4 februari 2026 heeft zich geen andere advocaat voor Envitech gesteld. De zaak is vervolgens opnieuw naar de rol verwezen voor vonnis.

3.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

Envitech moet € 271.057,76 aan CST betalen
3.1.
In het tussenvonnis van 15 oktober 2025 heeft de rechtbank, samengevat, het volgende geoordeeld:
  • Envitech moet een bedrag van € 271.057,76 aan CST betalen;
  • CST is aansprakelijk jegens Envitech voor schade van Envitech die het gevolg is van afscheurende rubbers (project VTTI-ETT5) en niet passende panelen, defecte schoenbeugels en onjuiste boorgaten (project BP Verwater);
  • CST heeft de omvang van de schade gemotiveerd betwist en de rechtbank kan de schade van Envitech op grond van het gevoerde debat niet begroten;
  • Envitech wordt opgedragen te bewijzen dat
  • i) zij in verband met het VTTI-ETT5 project kosten moet maken voor het vervangen van de rubbers a € 6.500,00 per tank en
  • ii) de kosten in de facturen van Van Akol, Atreus en AltunMontage zijn gemaakt voor het BP Verwater project en het gevolg zijn van de niet passende panelen, defecte schoenbeugels en onjuiste boorgaten;
  • van de uitkomst van de bewijslevering hangt af of en in hoever de schade van Envitech kan worden verrekend met de vordering van CST;
  • iedere verdere beslissing in conventie en reconventie, waaronder de beslissing over de gevorderde rente en proces- en beslagkosten, wordt aangehouden.
3.2.
Zoals blijkt uit het onder 2. weergegeven verloop van de procedure, is Envitech niet overgegaan tot bewijslevering. Dit betekent dat de hoogte van de schade die Envitech stelt te hebben geleden in verband met het project VTTI-ETT5 en het project BP Verwater niet kan worden vastgesteld. Ook ontbreekt het de rechtbank aan aanknopingspunten om de hoogte van die schade te schatten. Een en ander brengt mee dat de door Envitech gevorderde schadevergoeding als gevolg van de wanprestatie van CST inzake de projecten VTTI-ETT5 en BP Verwater moet worden afgewezen.
3.3.
Envitech zal dus worden veroordeeld om het in het tussenvonnis vastgestelde bedrag van € 271.057,76 aan CST te betalen.
Rente
3.4.
CST maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf 26 maart 2024, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van volledige voldoening.
3.5.
Voor zover het toewijsbare bedrag betrekking heeft op de facturen van CST voor de projecten VTTI-ETT5 en BP Verwater is de wettelijke handelsrente toewijsbaar. Die facturen hebben betrekking op geleverde materialen. In zoverre is sprake van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW. Dat is anders voor zover het de factuur van CST voor het project VTTV Cyprus betreft. Die factuur heeft volgens CST betrekking op een voorgefinancierd bedrag, dat moet worden terugbetaald omdat het betreffende project niet is doorgegaan. Envitech noemt het bedrag een aanbetaling. Dat in zoverre sprake is van een handelstransactie – een transactie waarbij goederen worden geleverd of diensten worden verricht tegen betaling – is niet onderbouwd door CST gesteld en ook niet gebleken.
3.6.
Het voorgaande brengt mee dat over het bedrag van de factuur voor het project VTTV Cyprus (€ 105.387,66) de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro zal worden toegewezen. Over het restant van het toewijsbare bedrag (€ 165.670,10) zal de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW worden toegewezen.
3.7.
Over de ingangsdatum van de wettelijke rente merkt de rechtbank het volgende op. Op grond van artikel 6:119 lid 1 BW Pro is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat een schuldenaar in verzuim is met betaling van een geldsom. Volgens CST is Envitech sinds 26 maart 2024 in verzuim, omdat uit haar e-mail van die dag blijkt dat zij niet bereid is de op haar rustende betalingsverplichting na te komen. Envitech heeft dat niet betwist. De wettelijke rente over het bedrag van € 105.387,66 zal dan ook, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf 26 maart 2024.
3.8.
Wat betreft de wettelijke handelsrente geldt het volgende. Uitgangspunt in artikel 6:119a lid 1 BW is dat, als partijen een betalingstermijn zijn overeengekomen, de wettelijke handelsrente verschuldigd wordt zodra deze betalingstermijn is overschreden. CST heeft het door haar gevorderde bedrag berekend door verrekening van haar facturen met facturen van Envitech en zij heeft niet gesteld dat sprake was van een overeengekomen betalingstermijn. Zij stelt primair dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf de datum van verzuim (26 maart 2024). Voor het verschuldigd worden van wettelijke handelsrente is echter niet bepalend dat de schuldenaar in verzuim is. Subsidiair maakt CST aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf 19 april 2024. Dat is dertig dagen na de dag waarop Envitech een ‘
statement of account’ van CST heeft ontvangen. Op grond van artikel 6:119a lid 2 BW is de wettelijke handelsrente toewijsbaar vanaf deze datum.
3.9.
Op 19 april 2024 stond een hoger bedrag open dan het thans resterende bedrag. De rechtbank heeft de vordering van CST in het tussenvonnis verrekend met vorderingen van Envitech. Het gaat om een verrekend bedrag van € 116.766,80 dat betrekking heeft op facturen van Envitech over de periode december 2023 tot en met mei 2024 en een verrekend bedrag van € 18.000,00 dat betrekking heeft op de Stocexpo-factuur van Envitech van 23 september 2024. Op grond van artikel 6:129 lid 1 BW Pro werkt verrekening terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. De rechtbank zal in dat kader uitgaan van de data waarop de facturen van Envitech opeisbaar waren. Daarbij wordt, wat betreft het bedrag van € 116.766,80, uit praktische overwegingen voor het volledige bedrag uitgegaan van de datum van opeisbaarheid van de laatste factuur van Envitech (3 juni 2024). De Stocexpo-factuur was opeisbaar per 7 oktober 2024.
3.10.
De wettelijke handelsrente zal dan ook als volgt worden toegewezen:
  • over het bedrag van € 300.436,90 vanaf 19 april 2024 tot 3 juni 2024;
  • over het bedrag van € 183.670,10 vanaf 3 juni 2024 tot 7 oktober 2024;
  • over het bedrag van € 165.670,10 vanaf 7 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling.
Beslagkosten
3.11.
CST vordert veroordeling van Envitech tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:
- deurwaarderskosten
462,35
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
2.885,00
(1 punt × € 2.885,00)
Totaal
4.035,35
Proceskosten
3.12.
Envitech is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
3.13.
De proceskosten van CST in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
135,97
- griffierecht
1.938,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.991,97
3.13.1.
De proceskosten van CST in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
2.885,00
(2 punten × factor 0,5 × € 2.885,00)
- nakosten
148,00
Totaal
3.033,00
3.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.15.
De vordering het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is gegrond op de wet en niet weersproken, zodat deze wordt toegewezen.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
veroordeelt Envitech om aan CST te betalen een bedrag van € 271.057,76, te vermeerderen met:
  • de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 105.387,66 met ingang van 26 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
  • de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 300.436,90 met ingang van 19 april 2024 tot 3 juni 2024,
  • de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 183.670,10 met ingang van 3 juni 2024 tot 7 oktober 2024,
  • de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 165.670,10 met ingang van 7 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt Envitech in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.035,35,
4.3.
veroordeelt Envitech in de proceskosten van € 7.991,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Envitech niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt Envitech tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.7.
wijst de vorderingen van Envitech af,
4.8.
veroordeelt Envitech in de proceskosten van € 3.033,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.9.
veroordeelt Envitech tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
1977/2502