ECLI:NL:RBROT:2026:1825

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11992692 VV EXPL 25-741
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 RvArt. 45 RvArt. 65 RvArt. 120 RvArt. 121 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding wegens ernstige formele gebreken in kort geding

In deze kortgedingprocedure tussen eiser, een bedrijf uit Den Haag, en gedaagde, een bedrijf uit Rotterdam, is de dagvaarding door de kantonrechter nietig verklaard. De dagvaarding voldeed niet aan diverse wettelijke vereisten, waaronder het ontbreken van betekening door deurwaardersexploot, het niet vermelden van het adres van de rechtbank, de rechtsgevolgen bij niet verschijnen van gedaagde, en de datum en tijdstip van de zitting.

Beide partijen waren niet verschenen bij de zitting op 2 februari 2026. De kantonrechter besloot geen verstek te verlenen aan eiser omdat de dagvaarding door de gebreken vermoedelijk niet bij gedaagde was aangekomen. Ook werd geoordeeld dat het niet redelijk was om van gedaagde te verwachten op basis van deze dagvaarding te verschijnen.

De kantonrechter gaf eiser geen gelegenheid om de gebreken te herstellen vanwege de ernst ervan. De proceskosten werden aan eiser opgelegd, maar de kosten aan de zijde van gedaagde werden op nihil begroot omdat gedaagde niet was verschenen. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter F. Aukema-Hartog.

Uitkomst: De dagvaarding wordt nietig verklaard en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11992692 VV EXPL 25-741
datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser], die handelt onder de naam
[bedrijf 1],
woonplaats: Den Haag,
eiser,
gemachtigde: mr. E. Fransen,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam
[bedrijf 2],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de conceptdagvaarding in kort geding van [eiser], met bijlagen;
  • de e-mails van de gemachtigde van [eiser] van 30 januari 2026.
1.2.
Op 2 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden, waarbij beide partijen niet zijn verschenen.

2.De beoordeling

De dagvaarding is nietig
2.1.
[gedaagde] is niet in deze procedure verschenen. Er wordt echter geen verstek tegen hem verleend (artikel 139 Rv Pro). De dagvaarding voldoet namelijk op een groot aantal punten niet aan de wettelijke vereisten. Het gaat daarbij in elk geval om de volgende formele gebreken (artikel 45 en Pro 11 Rv):
  • de dagvaarding is niet door middel van een deurwaardersexploot betekend aan [gedaagde];
  • het adres van de rechtbank is niet in de dagvaarding opgenomen;
  • de rechtsgevolgen wanneer [gedaagde] niet in de procedure verschijnt zijn niet in de dagvaarding vermeld;
  • de datum en het tijdstip van de zitting zijn niet in de dagvaarding vermeld.
2.2.
De kantonrechter geeft [eiser] niet de gelegenheid om deze gebreken te herstellen. De gebreken zijn namelijk van zo’n aard dat kan worden aangenomen dat de dagvaarding door de gebreken [gedaagde] niet heeft bereikt. Zelfs als deze dagvaarding [gedaagde] wel zou hebben bereikt, kan door de aard van de gebreken, niet van hem worden verwacht dat hij op basis van deze dagvaarding verschijnt. De conclusie is dat de kantonrechter de dagvaarding nietig verklaart (artikel 65, 120 en 121 Rv) [1] .
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.3.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan Tassoupoulos moet betalen op € 0,-, omdat [gedaagde] niet in de procedure is verschenen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart de dagvaarding nietig;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 0,-.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Hoge Raad 9 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5729