Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1827

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11973507 VV EXPL 25-706
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vergoeding buitengerechtelijke kosten tuchtprocedures pleegzorgbegeleider

De zaak betreft een pleegzorgbegeleider die vordert dat zijn voormalige werkgever, Stichting Enver, wordt veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand in lopende tuchtprocedures. De arbeidsovereenkomst was beëindigd via een vaststellingsovereenkomst, waarbij de CAO Jeugdzorg van toepassing is. De tuchtprocedures zijn gerelateerd aan een strafrechtelijk onderzoek en een IGJ-rapport over tekortkomingen in de pleegzorgbegeleiding.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de vaststellingsovereenkomst en de CAO in beginsel recht bestaat op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, tenzij sprake is van ontslag wegens dringende reden, wat hier niet het geval is. De uitkomst van de lopende tuchtprocedure is echter bepalend voor de definitieve vergoedingsplicht, en deze procedure is nog niet afgerond.

Omdat de uitkomst van de tuchtprocedure onzeker is en de pleegzorgbegeleider onvoldoende spoedeisend belang heeft aangetoond, wijst de kantonrechter de vordering in kort geding af. Tevens wordt de pleegzorgbegeleider veroordeeld in de proceskosten van €1.009,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onzekerheid over de uitkomst van de tuchtprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11973507 VV EXPL 25-706
datum uitspraak: 11 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. B.F. Desloover,
tegen
Stichting Enver,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Schuurman.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Enver’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 december 2025, met bijlagen;
  • de brief van [eiser] van 20 januari 2026, met één bijlage;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van [eiser] ;
  • de spreekaantekeningen van Enver;
  • de e-mail van [eiser] van 5 februari 2026;
  • de e-mail van Enver van 6 februari 2026, met een kopie van haar brief van 5 februari 2026.
1.2.
Op 26 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door mr. B.F. Desloover. Namens Enver was aanwezig de heer
[naam] (bestuurder), bijgestaan door mr. D. Schuurman.
1.3.
De zaak is na de zitting op verzoek van partijen enige tijd aangehouden om hen de gelegenheid te geven nog met elkaar in overleg te treden over een eventuele oplossing van het geschil. Op 5 februari 2026 heeft [eiser] medegedeeld dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en is de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
Enver is een zorginstelling, die zich bezighoudt met het aanbieden van onder meer ambulante jeugd- en opvoedhulp. [eiser] is bij Enver in dienst geweest als pleegzorgbegeleider. Op de arbeidsovereenkomst van [eiser] is de CAO Jeugdzorg (hierna: de ‘CAO’) van toepassing. [eiser] is in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar de Vlaardingse pleegouders, die werden verdacht van de mishandeling van een pleegkind, als getuige gehoord. Daarnaast heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: ‘IGJ’) een onderzoek ingesteld naar het optreden van Enver in die kwestie. Dat heeft op 8 januari 2025 geleid tot een onderzoeksrapport, waarin (onder andere) geconcludeerd is dat Enver ernstig is tekortgeschoten in de pleegzorgbegeleiding. Op 16 april 2025 hebben [eiser] en Enver een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] op 1 september 2025 eindigt. In september 2025 hebben zowel Enver als de IGJ een tuchtrechtelijke klacht tegen [eiser] ingediend bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (hierna: ‘SKJ’). Enver is niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. De door IGJ ingestelde tuchtprocedure loopt nog.
2.2.
Volgens [eiser] volgt uit de vaststellingsovereenkomst tussen partijen en uit de CAO dat Enver verplicht is om de kosten van rechtsbijstand van [eiser] in het kader van de tuchtklachten te vergoeden, maar weigert Enver dat. Daarom eist [eiser] dat Enver wordt veroordeeld tot betaling van alle buitengerechtelijke kosten zoals die door de gemachtigde van [eiser] worden gemaakt in het kader van de tuchtprocedures bij de SKJ en tot betaling van een voorschotbedrag op deze kosten van € 5.616,- exclusief btw.
2.3.
Enver is het niet eens met de eis van [eiser] en voert aan dat [eiser] geen spoedeisend belang bij zijn eis heeft. Ook stelt Enver zich op het standpunt dat er geen vergoedingsplicht bestaat op grond van de vaststellingsovereenkomst en/of de CAO.
2.4.
De kantonrechter wijst de eis van [eiser] af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het toetsingskader in kort geding
2.5.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor Enver als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Het is op dit moment onvoldoende aannemelijk dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen
2.6.
In de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is – voor zover hier van belang – in artikel 10.2 het volgende opgenomen:
“10.2. Werkgever vergoedt de redelijke kosten voor juridisch advies ten aanzien van de getuigenverhoren in de strafzaak en de redelijke kosten voor juridisch advies in de tuchtzaak. (…)”
In aansluiting daarop is in artikel 4.3 van de CAO het volgende bepaald:
“a. Is een werknemer door het uitoefenen van zijn beroep betrokken bij een interne of
externe klachtenprocedure of bij een strafrechtzaak of tuchtrechtzaak? Dan regelt de werkgever professionele rechtsbijstand voor deze werknemer en draagt de werkgever de kosten.
Lid a van dit artikel is niet van toepassing als de werkgever de werknemer ontslaat omdat er sprake is van een dringende reden. In dat geval ontvangt de werknemer geen rechtsbijstand van de werkgever.
Als de werkgever rechtsbijstand heeft geregeld voor een werknemer, maar had de werkgever dat achteraf in redelijkheid niet hoeven doen, dan moet de werknemer de kosten van de rechtsbijstand terugbetalen als de werkgever daar om vraagt.”
2.7.
Op grond van artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst in combinatie met artikel 4.3 sub a van de CAO heeft [eiser] in beginsel recht op vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand in de tuchtprocedures. De kantonrechter volgt Enver niet in haar stelling dat [eiser] op grond van artikel 4.3 sub b van de CAO geen recht zou hebben op vergoeding van die kosten. Dat zou slechts zo zijn als [eiser] was ontslagen wegens een dringende reden (een ontslag op staande voet), maar dat is niet het geval. Partijen hebben immers een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten en hebben daarmee de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd.
2.8.
Omdat op dit moment de door IGJ ingestelde tuchtprocedure nog niet ten einde is, is daarnaast nog niet duidelijk of [eiser] zodanig ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de uitvoering van zijn werkzaamheden dat dit gelijkgesteld kan worden met de in artikel 4.3 sub b van de CAO genoemde ‘dringende reden’. Bovendien, zelfs als de uitkomst van die tuchtprocedure zou zijn dat [eiser] een dergelijk ernstig verwijt valt te maken, valt die situatie evenmin onder het bereik van artikel 4.3 sub b van de CAO. Bij de uitleg van een CAO-bepaling zijn immers in beginsel de bewoordingen van die bepaling van doorslaggevende betekenis. Dat betekent dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat er daadwerkelijk sprake moet zijn van een door de werkgever gegeven ontslag vanwege een dringende reden en daarvan is, zoals gezegd, in dit geval geen sprake geweest.
2.9.
De uitkomst van de lopende tuchtprocedure is echter wel van belang met het oog op het bepaalde in artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst en artikel 4.3 sub c van de CAO. Daarin is bepaald dat slechts
redelijkekosten voor juridische bijstand door de werkgever worden vergoed. Als uit de uitspraak van het SKJ in de tuchtprocedure volgt dat [eiser] zodanig ernstig tekort geschoten is in de uitvoering van zijn werkzaamheden dat dit tot het opleggen van een zware sanctie aanleiding geeft (bijvoorbeeld het doorhalen van de SKJ-registratie van [eiser] ), kan immers van Enver als werkgever in redelijkheid niet worden verwacht dat zij de kosten van rechtsbijstand van [eiser] vergoedt. Die beoordeling op grond van artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst en artikel 4.3 sub c van de CAO kan dus pas gemaakt worden als duidelijk is of – en zo ja in welke mate – [eiser] tekort is geschoten in de uitvoering van zijn werkzaamheden. [eiser] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat hij inderdaad ‘procedurele fouten en inschattingsfouten’ heeft gemaakt bij zijn werkzaamheden, maar dat zegt nog niets over de exacte aard en ernst van die fouten. Daarover moet het SKJ oordelen. [eiser] heeft in dat verband verklaard dat de uitspraak in de lopende tuchtprocedure niet vóór eind februari 2026 wordt verwacht.
2.10.
Het bovenstaande betekent dat de vraag of Enver de kosten van rechtsbijstand van [eiser] moet vergoeden in hoge mate afhankelijk is van de uitkomst van de tuchtprocedure. Omdat de tuchtprocedure nog niet ten einde is en de uitkomst daarvan op dit moment nog zeer onzeker is, is het bij de huidige stand van zaken naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk dat de eis van [eiser] in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
[eiser] heeft geen spoedeisend belang bij zijn eis
2.11.
De kantonrechter is van oordeel dat er aan de kant van [eiser] op dit moment geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat het gerechtvaardigd is in het kader van dit kort geding op de uitkomst van de hiervoor genoemde tuchtprocedure vooruit te lopen.
2.12.
[eiser] heeft onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd, die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. De enkele stelling van [eiser] dat de facturen van zijn gemachtigde moeten worden betaald en dat hij daartoe op dit moment niet in staat is, is daarvoor onvoldoende. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] , doordat hij de kosten van rechtsbijstand van de tuchtprocedure aan zijn gemachtigde moet betalen, in een acute financiële noodsituatie verkeert of niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien.
2.13.
Bovendien is ter zitting gebleken dat de werkzaamheden van de gemachtigde van [eiser] in het kader van de lopende tuchtprocedure zo goed als afgerond zijn. [eiser] heeft immers toegelicht dat de zitting in die procedure inmiddels heeft plaatsgevonden en dat hij in afwachting is van de uitspraak van de SKJ. Dit betekent dat onvoldoende aannemelijk is dat de kosten van rechtsbijstand voor de lopende tuchtprocedure in de nabije toekomst nog verder zullen oplopen.
2.14.
[eiser] heeft in dat kader daarnaast nog aangevoerd dat zijn belang bij toewijzing van zijn eis ook gelegen is in het feit dat de weigering van Enver om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden voor [eiser] een ‘financiële rem’ oplevert om zich te verweren in de tuchtprocedure, in die zin dat het hem daardoor onmogelijk wordt gemaakt om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de SKJ. Of [eiser] in hoger beroep zal gaan is echter – wederom – afhankelijk van de uitkomst van de tuchtprocedure en staat dus op dit moment nog niet vast. Dit vormt dan ook geen omstandigheid, die meebrengt dat er in dit kort geding met spoed een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen.
2.15.
Gelet op het voorgaande wordt de eis van [eiser] om Enver te veroordelen tot betaling van alle buitengerechtelijke kosten van [eiser] in het kader van de tuchtprocedure afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Datzelfde geldt voor de eis van [eiser] om Enver te veroordelen een voorschotbedrag op die kosten te betalen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.16.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan Enver moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal
€ 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.17.
Dit vonnis wordt, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van Enver worden begroot op € 1.009,-;
3.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
44487