Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 16 december 2025, met bijlagen;
- de brief van [eiser] van 20 januari 2026, met één bijlage;
- het antwoord, met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van [eiser] ;
- de spreekaantekeningen van Enver;
- de e-mail van [eiser] van 5 februari 2026;
- de e-mail van Enver van 6 februari 2026, met een kopie van haar brief van 5 februari 2026.
2.De beoordeling
redelijkekosten voor juridische bijstand door de werkgever worden vergoed. Als uit de uitspraak van het SKJ in de tuchtprocedure volgt dat [eiser] zodanig ernstig tekort geschoten is in de uitvoering van zijn werkzaamheden dat dit tot het opleggen van een zware sanctie aanleiding geeft (bijvoorbeeld het doorhalen van de SKJ-registratie van [eiser] ), kan immers van Enver als werkgever in redelijkheid niet worden verwacht dat zij de kosten van rechtsbijstand van [eiser] vergoedt. Die beoordeling op grond van artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst en artikel 4.3 sub c van de CAO kan dus pas gemaakt worden als duidelijk is of – en zo ja in welke mate – [eiser] tekort is geschoten in de uitvoering van zijn werkzaamheden. [eiser] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat hij inderdaad ‘procedurele fouten en inschattingsfouten’ heeft gemaakt bij zijn werkzaamheden, maar dat zegt nog niets over de exacte aard en ernst van die fouten. Daarover moet het SKJ oordelen. [eiser] heeft in dat verband verklaard dat de uitspraak in de lopende tuchtprocedure niet vóór eind februari 2026 wordt verwacht.