ECLI:NL:RBROT:2026:1841

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
25/2254
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 225 GemeentewetArt. 2:1 Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022Art. 2:2 Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022Art. 1.1 Parkeerregeling Den Haag 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen hogere parkeertarief tweede vergunning in Den Haag

Eiser heeft een parkeervergunning voor bewoners in Den Haag gekregen, maar betwist het hogere tarief dat het college hanteert voor een tweede vergunning vanwege het bezit van een parkeergelegenheid op eigen terrein (POET). Hij stelt dat dit beleid in strijd is met zijn eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank beoordeelt het bezwaar en het daarop volgende beroep.

De rechtbank stelt vast dat het college op grond van artikel 225 van Pro de Gemeentewet bevoegd is om parkeerbeleid vast te stellen, waaronder de POET-regeling. Deze regeling is voldoende toegankelijk en voorzienbaar en heeft een wettelijke basis. De rechtbank oordeelt dat het parkeerbeleid een legitiem algemeen belang dient, namelijk het reguleren van parkeernood, en dat de regeling proportioneel en subsidiariteit in acht neemt. De regeling verplicht eiser niet zijn auto op eigen terrein te parkeren, maar koppelt een hoger tarief aan parkeren op straat.

Verder kwalificeert de oprit van eiser als een POET, ook al gebruikt hij deze niet als parkeerplaats. De rechtbank vindt dat dit niet disproportioneel is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiser geen concreet bewijs levert dat anderen met een POET een lagere tarief betalen en omdat fouten in het verleden niet herhaald hoeven te worden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het hogere tarief voor de tweede parkeervergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit Den Haag, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. W.P. van Lit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning voor bewoners in Den Haag. Eiser heeft weliswaar een parkeervergunning gekregen, maar hij stelt dat hij ten onrechte het (hogere) tarief moet betalen dat het college hanteert voor een tweede parkeervergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiser stelt onder andere dat de toepassing van het parkeerbeleid op zijn perceel in strijd is met het eigendomsrecht. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het gemeentelijk parkeerbeleid geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op de eigendomsrechten van eiser. Ook is het beleid niet disproportioneel
.Omdat eiser beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein, heeft het college voor een parkeervergunning op straat het tweede tarief kunnen hanteren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning voor bewoners. Met het besluit van 14 juni 2024 heeft het college de aanvraag toegewezen.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt voor zover het college voor de parkeervergunning het tweede (hogere) tarief hanteert. Met het bestreden besluit van 11 december 2024 is het college bij het eerdere besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser woont in de [naam wijk] in Den Haag. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning voor bewoners. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juni 2024 toegewezen. Het college heeft daarbij vastgesteld dat eiser beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein (POET). Hoewel dat niet leidt tot afwijzing van de aanvraag, stelt het college aan de hand van het beleid (POET-regeling) vast dat eiser voor de vergunning het tarief voor een tweede vergunning moet betalen.
3.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat de POET-regeling in strijd is met het eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM [1] . Ook beschikt eiser niet over een POET, zodat sprake is van een eerste parkeervergunning met bijbehorend tarief. Eiser voert ook aan dat andere bewoners met een POET toch een vergunning op straat hebben gekregen tegen het eerste (lagere) tarief.
3.2.
Met het bestreden besluit van 11 december 2024 is het college bij het eerdere besluit gebleven. Het college geeft aan dat de oprit van eiser voldoet aan de criteria van een POET. Dat eiser zijn oprit niet als parkeerplaats wil of kan gebruiken doet daar niet aan af. Omdat de POET-regeling voor eiser voorziet in de mogelijkheid om op straat te parkeren – zij het tegen het tweede (hogere) tarief – is geen sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht. Het college stelt dat eiser immers niet verplicht is om zijn auto op eigen terrein te parkeren. Dat maakt het besluit ook niet disproportioneel. Verder geeft het college dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet (met stukken) is onderbouwd.
3.3.
Eiser is tegen het bestreden besluit van 11 december 2024 in beroep gegaan.
Toetsingskader
4. Gemeenten kunnen een parkeerbelasting heffen voor parkeervergunningen op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. [2] Dat tarief mag afhankelijk worden gemaakt van de ligging van de terreinen of weggedeelten. [3] Het college heeft het parkeerbeleid voor Den Haag vastgelegd in onder meer de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (Parkeerverordening 2022) en de Regeling parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (Parkeerregeling 2022). [4] Hierin zijn onder andere de tarieven en voorwaarden vastgelegd voor bewonersvergunningen. Een eerste bewonersvergunning kost € 93,80 per jaar; een tweede bewonersvergunning kost € 327,70 per jaar. [5] Als een bewoner beschikt over een POET, kan die bewoner voor een eerste voertuig in beginsel geen parkeervergunning voor parkeren op de openbare weg aanvragen. Een bewoner beschikt over een POET als sprake is van een parkeergelegenheid, die aansluit op de weg, die bij de woning hoort en ten minste 2,35 meter breed en 5 meter diep is met een doorgang van ten minste 2 meter breed. [6] Voor de [naam wijk] geldt dat aan een bewoner met een POET voor een eerste voertuig wel een parkeervergunning kan worden verleend. In die situatie betaalt de bewoner het tweede tarief ongeacht of gebruik wordt gemaakt van de parkeerplaats op eigen terrein. [7]
4.1.
De wet- en regelgeving die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft de POET-regeling een wettelijke basis?
5. Eiser stelt dat de POET-regeling in strijd is met het legaliteitsbeginsel, omdat de Gemeentewet geen grondslag biedt om de gebruiksrechten ten aanzien van het eigen perceel van eiser te beperken.
5.1.
De rechtbank heeft deze grond opgevat als de stelling dat een wettelijke basis voor de POET-regeling ontbreekt. De rechtbank overweegt dat het college op grond van artikel 225 van Pro de Gemeentewet bevoegd is tot het opstellen van regels en beleid voor parkeervergunningen en de belasting die daarvoor moet worden betaald. Gemeenten zijn in beginsel vrij de parkeerregulering naar eigen inzicht vorm te geven. Het college heeft hier met de Parkeerverordening 2022 en de Parkeerregeling 2022 invulling aan gegeven. Hierin is ook de POET-regeling opgenomen. De rechtbank is van oordeel vast dat de POET-regeling daarmee een wettelijke basis heeft.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het parkeerbeleid van Den Haag (POET) in strijd met het eigendomsrecht?
6. Eiser stelt verder dat de POET-regeling in strijd is met zijn gebruiks- en eigendomsrechten zoals bepaald in het EVRM [8] en daarom buiten toepassing moet blijven. Eiser voert ook in dit verband aan dat de wettelijke grondslag voor de POET-regeling ontbreekt en de POET-regeling niet voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de rechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift uitsluitend kan worden getoetst in het kader van een rechtmatigheidsbeoordeling van een besluit dat op dat algemeen verbindend voorschrift is gebaseerd (exceptieve toetsing). [9] Daarvan is hier sprake met de door het college afgegeven parkeervergunning.
6.2.
De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het gebruik van het perceel van eiser valt onder de reikwijdte van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM. Deze bepaling beschermt onder meer het ongestoorde genot van eigendom. De rechtbank kan eiser volgen in het standpunt dat de aanwijzing van zijn oprit als POET het ongestoorde genot van zijn eigendom kan beperken in zoverre dat hij door de POET-regeling een keuze moet maken of hij zijn auto op zijn POET parkeert en dan aan de gemeente geen tarief verschuldigd is of hij op straat parkeert tegen een hoger tarief dan hij voor een eerste bewonersvergunning verschuldigd zou zijn. Eiser wordt tot die keuze gedwongen door de introductie van het parkeervergunningenstelsel in de [naam wijk] . Anders dan eiser stelt, vormt dat echter geen ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht.
6.3.
In dat kader wijst de rechtbank erop dat het eigendomsrecht niet absoluut is en de overheid bevoegd is eigendom te reguleren. Uit vaste rechtspraak [10] volgt dat elke beperking van het eigendomsrecht een wettelijke basis moet hebben die voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is. Ook dient de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang na te streven en zal een redelijke mate van evenredigheid moeten bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt gediend (subsidiariteit). Dit vereist een evenwichtige verhouding tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten (proportionaliteit). Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze voor middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. [11]
6.4.
De rechtbank overweegt dat uit 5.1. volgt dat de wettelijke grondslag voor parkeerregulering is gelegen in artikel 225 van Pro de Gemeentewet. Dat de POET-regeling is neergelegd in lagere regelgeving doet aan de wettelijke grondslag voor een beperking van het eigendomsrecht niet af, omdat de beperking ook daarmee voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar kan zijn. [12] Tussen partijen staat verder niet ter discussie dat de parkeernood een legitiem doel is voor het opstellen van parkeerbeleid. Anders dan eiser stelt, kan de parkeernood daarmee ook een legitiem doel zijn voor ingrijpen op eigendomsrechten en daarmee de POET-regeling. De vraag die dan overblijft, is of de POET-regeling een onevenredige inbreuk maakt op de belangen van eiser. De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake is. Het staat voorop dat eiser niet verplicht is om zijn auto daar te parkeren. [13] Omdat de situatie in de [naam wijk] afwijkt van de andere delen van Den Haag, heeft het college (vooralsnog) een uitzondering gemaakt op het algemene beleid dat in geval van een POET een parkeervergunning wordt geweigerd. De rechtbank volgt het college dat het POET-beleid eiser niet belemmert zijn perceel naar eigen inzicht te blijven gebruiken. Wel is in die situatie – zo schrijft de Parkeerregeling voor – een hoger tarief verschuldigd voor een eerste bewonersparkeervergunning. Daarmee is in deze specifieke situatie gekozen afgeweken van het uitgangspunt om geen parkeervergunning toe te wijzen voor bewoners met een POET en daarmee gekozen voor een minder ingrijpend middel om het beoogde (legitieme) doel te bereiken. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze financiële gevolgen voor hem leiden tot een excessieve en buitensporige last. Aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit is aldus voldaan. De POET-regeling maakt aldus geen ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht van eiser.
6.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kwalificeert de oprit van eiser als POET?
7. Eiser stelt dat als sprake is van een rechtmatige inbreuk, de oprit niet kwalificeert als POET. Hij voert daarbij aan dat zijn oprit juridisch, feitelijk of planologisch niet bestemd of bedoeld is om motorvoertuigen te parkeren. Een kwalificatie als POET is door het gebruik van zijn garage, oprit en tuin disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
7.1.
De rechtbank stelt dat het bestreden besluit uitsluitend ziet op de oprit en niet – zoals het college ter zitting heeft geopperd – ook op de garage. De rechtbank volgt het onbetwiste standpunt van het college dat de toegang naar en de oprit zelf feitelijk voldoen aan de afmetingen van een POET en die POET ook aansluit op de weg. Daarbij heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de feitelijke situatie van de toegang naar de oprit, de oprit zelf en de aanwezigheid van de garage tot de conclusie leidt dat dit (ooit) bedoeld is om een auto te kunnen parkeren op eigen terrein. Of de gronden ook daartoe zijn bestemd, is niet vereist. Er moet juridisch, feitelijk
ofplanologisch sprake zijn van een POET. Dat eiser zijn oprit inmiddels anders gebruikt (voor fietsen, kliko’s, etc) en mede door dat gebruik parkeren op de oprit niet praktisch of haalbaar is, maakt dus niet dat geen sprake is van een POET. Zoals hiervoor al duidelijk is geworden betekent de POET-regeling niet dat eiser zijn auto op de oprit moet parkeren en zijn perceel niet meer naar eigen inzicht kan gebruiken. Er is alleen een financiële consequentie aan verbonden. Omdat eiser stelt dat het hem niet gaat om de financiële gevolgen, is de kwalificatie – anders dan eiser stelt – ook anderszins niet onevenredig in verhouding tot de te dienen doelen.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het gehanteerde tarief in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
8. Eiser stelt tot slot dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Niet alleen betalen andere wijkbewoners met een POET het eerste tarief voor hun parkeervergunning voor de openbare weg, maar ook eiser zelf heeft voor 2025 een parkeervergunning tegen het lagere tarief ontvangen.
8.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel door de burger een concrete melding moet worden gedaan waaruit volgt dat het bestuursorgaan geen consistent en doordacht bestuursbeleid voert. [14] Eiser heeft niet met een concreet voorbeeld onderbouwd dat andere bewoners in zijn wijk met een POET een parkeervergunning tegen het eerste vergunningentarief hebben gekregen. Hoewel het college ter zitting heeft erkend dat bij de toepassing van de tarieven fouten zijn gemaakt en – onder andere – eiser ten onrechte een lager tarief heeft betaald in 2025, volgt uit vaste rechtspraak dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het betrokken bestuursorgaan kan worden gedwongen om eenmaal gemaakte fouten te (blijven) herhalen. [15]
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en verweerder de parkeervergunning terecht tegen het hoger tarief heeft verleend. Eiser krijgt ongelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.W. Brande, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Eerste Protocol bij het EVRM

Artikel 1

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Gemeentewet

Artikel 225

1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:
b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
8. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022

Artikel 2:1 Aanwijzing Pro van plaatsen voor vergunninghouders

1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 2:2, derde lid, van deze verordening.

Artikel 2:2 Vergunningen Pro

2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.
5. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximaal aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen.
6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
Regeling parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

2. Deze regeling verstaat onder:
Parkeergelegenheid op eigen terrein: parkeergelegenheid die is bestemd voor een of meer personenauto’s, die aansluit op de weg, behoort bij of is toegewezen aan een gebouw of gebouwencomplex en, als het om een solitaire, inpandige parkeergelegenheid gaat, ten minste 2,35 meter breed en 5 meter diep is en een doorgang heeft van ten minste 2 meter breed;

Artikel 4.2.1 Bewonersvergunning

1. Het college kan een eerste bewonersvergunning verlenen aan een bewoner die
a. in een vergunninggebied woont;
b. houder of berijder van een motorvoertuig is;
c. niet over een parkeergelegenheid op eigen terrein kan beschikken;
d. niet woont in een gebouw en gebouwencomplex waarvoor een reductie van de autoparkeervraag is toegepast of een vrijstelling van de autoparkeereis is verleend.
4. Het college verleent per adres ten hoogste drie vergunningen.
5. Het aantal parkeergelegenheden op eigen terrein waarover de aanvrager kan beschikken, wordt afgetrokken van het aantal te verlenen bewonersvergunningen.
6. Een tweede of derde bewonersvergunning kan worden verleend als:
a. op het adres van de aanvrager al een eerste respectievelijk tweede bewonersvergunning is verleend; of
b. de aanvrager niet over een parkeergelegenheid op eigen terrein voor het tweede respectievelijk derde motorvoertuig kan beschikken; of
c. de aanvrager over een solitaire parkeergelegenheid op eigen terrein voor het eerste respectievelijk tweede motorvoertuig kan beschikken, voor zover het adres waarvoor de vergunning is aangevraagd binnen de wijken Vogelwijk of Westbroekpark en Duttendel of binnen de buurt Duinzigt is gelegen.

Artikel 6.1 Hardheidsclausule

Het college kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang van deze regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.Dit volgt uit artikel 225, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet.
3.Dit volgt uit artikel 225, achtste lid, van de Gemeentewet.
4.Deze uitspraak is gebaseerd op de regelgeving zoals van toepassing op het moment van het bestreden besluit.
5.Dit volgt uit Hoofdstuk 3 van de tarieventabel behorende bij de Parkeerverordening 2022.
6.Dit volgt uit de definitiebepaling uit artikel 1.1, tweede lid, van de Parkeerregeling 2022.
7.Dit volgt uit artikel 4.2.1 van de Parkeerregeling 2022.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9.Dit volgt uit artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU3143).
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU3143).
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 22 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2134), onder 12.2. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:794).
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1281).
14.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1118).
15.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 april 2023 (ECLI:CRVB:2023:817).