3.15.ASR heeft [naam 4] verzocht een expertiserapport uit te brengen op basis van het rapport van [naam 1]. Op 15 februari 2025 bracht [naam 4] zijn rapport uit. Daarin staat, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende.
De concept rapportage is inhoudelijk geheel consistent en navolgbaar. [naam 1]
beantwoordt de gestelde vragen en bij de vraag naar zijn diagnose geeft hij, terecht,
aan dat er sprake is van een (lichte) radiculopathie 07 rechts op basis van een op
een MRI scan vastgestelde HNP C6/7 rechts.
Maar bij de beantwoording van de aanvullende vragen in de definitieve rapportage is
er toch sprake van enige discrepantie. Gevraagd naar de vochthoudendheid van de
tussenwervelschijf C6/7 geeft hij aan dat hij dat "niet goed kan beoordelen omdat op
zijn scherm alle tussenwervelschijven van de CVVK niet meer vochthoudend zijn".
Maar dat is natuurlijk wel een bevinding. Hij schrijft er bij dat die bevinding niet
ongewoon is voor iemand op de leeftijd van betrokkene, maar het is wel een
constatering. Daarnaast wordt er inderdaad door hem niets geschreven over de
uitpuiling van de tussenwervelschijf C3/4. Die is weliswaar niet symptomatisch maar
is wel een uiting van een pre-existente polydiscopathie.
Zijn antwoord op de aanvullende vraag 3 is ook niet adequaat onderbouwd. Hij
schrijft: In de praktijk is niet uit te sluiten dat personen bij tamelijk geringe of
ongebruikelijke bewegingen van de nek toch een hernia kunnen krijgen. Veel
personen lopen een HNP op zonder een traumatische gebeurtenis. Betrokkene geeft
ook aan vrijwel direct na het ongeval uitstraling in de rechter arm te hebben ervaren.
Voor het ongeval had betrokkene deze klachten niet. Derhalve is aannemelijk dat
alhoewel de krachtinwerking niet al te groot is geweest, er wel sprake was van
directe compressie van de C7 wortel rechts.
De eerste zin wijst op een ervaring uit de praktijk waarbij mensen acuut nekhernia
klachten krijgen bij een geringe of ongebruikelijke beweging. Ja dat is juist (mijn
eigen vrouw kreeg acuut nekherniaklachten na een yoga-oefening die ze niet eerder
had gedaan) maar is geen argument om een traumatische genese te
veronderstellen. Het is meer het laatste uitlokkende moment waarop een al
beschadigde tussenwervelschijf uiteindelijk door de al eerder scheurtjes vertonende
annulus heen breekt en ja dat kan ook bij iemand die nimmer tevoren klachten had
(bij het voorbeeld blijvend: mijn vrouw had voor dat moment nog nooit nekklachten
gehad). In de volgende zin geeft [naam 1] een argument aan dat "het toch
traumatisch moet zijn omdat de klachten vrijwel direct ontstonden en die klachten er
daarvoor niet waren". Dat is in de medische causaliteitsleer een onjuiste redenering.
(…)
[foto]
Dit is de MRI-CWK in "standaard setting" en ja, dan lijken alle tussenwervelschijven
zwart en dus niet meer vochthoudend. Er is een rechtszijdige HNP C6/7 zichtbaar
(witte pijl) en een lichte discusbulging C3/4.
(…)
[foto]
Maar in een DICOM beeldviewer programma bestaat de mogelijkheid om de zwartwit
balans bij te stellen en dan kan men op de T2 (links) zien dat de discus C3/4 nog
een goede hoogte heeft maar de nucleus centraal vocht heeft verloren terwijl de
discus C6/7 inderdaad helemaal niet meer vochthoudend is (oranje pijlen). C4/5,
C5/6 en C7/Th1 zijn normaal vochthoudend. Op de Ti opname (rechts) is de
subligamentaire disvusuitpuiling C6/7 goed zichtbaar (witte pijl).
(…)
Uit een reconstructie van de impact in deze casus en daarbij behorende berekening,
waarbij gebruik wordt gemaakt van de resultaten van zo goed mogelijk vergelijkbare
botsproeven, blijkt dat betrokkene als bestuurder een delta v heeft ondergaan van
circa 7,6 tot 11,5 km/uur. De daarbij behorende gemiddelde voertuigversnelling
bedroeg 1,8 tot 3,3 g. De inzittende bewoog ten opzichte van het voertuiginterieur in
eerste instantie ongeveer recht naar achter. Dit in aanmerking nemend is de kans dat
er letsel zou zijn opgetreden aan structuren van de cervicale wervelkolom niet geheel
uitgesloten maar toch erg klein (dan moet men de uiterste waarde van 3,3 G
aannemen).
Op de CT -scan van de dag van het ongeval zijn geen structurele letsels te zien
(zoals bijvoorbeeld een avulsiebreukje, een subligamentair hematoom, etc). Ook op
de MRI van 6 weken later zijn daar geen aanwijzingen voor. Wel worden op beide
scans degeneratieve afwijkingen vastgesteld, vooral op niveau C6/7 en in iets
mindere mate C3/4.
Betrokkene heeft echter wel direct uitstralende klachten in de rechter arm
aangegeven. Bij de pre-existente degeneratieve discopathie (met osteofytaire haak
bij C6/7 rechts) was de ruimte voor de uittredende zenuwwortel al beperkt en deze is
door de plotse beweging geprikkeld geraakt (gezien het normale reflexpatroon, de
intacte motoriek en de niet-radiculaire verdeling van "dofheid" in de gehele rechter
arm is er geen sprake van een al dan niet blijvende compressie).
Concluderend heeft mijns inziens het trauma niet wezenlijk bijgedragen aan de
vastgestelde HNP C6/7 rechts.