Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1867

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
12073613 VV EXPL 26-45
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning en betaling huurachterstand wegens niet-hoofdverblijf en huurachterstand

Stichting Hef Wonen startte een kort geding tegen gedaagde omdat deze de woning niet als hoofdverblijf gebruikte, een huurachterstand had van €5.617,36 en geen medewerking verleende aan onderhoud. Gedaagde verscheen niet, waardoor verstek werd verleend.

De kantonrechter oordeelde dat de spoedeisendheid aanwezig was en dat de vorderingen ontvankelijk waren. De ontruiming werd toegewezen omdat het niet hebben van het hoofdverblijf en de huurachterstand beide een tekortkoming vormen die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. De huurachterstand en de lopende huur tot ontruiming moesten worden betaald, inclusief wettelijke rente.

Proceskosten werden aan gedaagde opgelegd, begroot op €1.013,02, te vermeerderen met wettelijke rente. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen en betaling van de huurachterstand met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12073613 VV EXPL 26-45
datum uitspraak: 4 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. L.J. Verheij,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna ‘Hef Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 3 februari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 18 februari 2026 is de zaak besproken tijdens een zitting waarbij [naam] namens Hef Wonen aanwezig was samen met haar gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 24 januari 2025 van Hef Wonen de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). De huurprijs is nu € 802,48 per maand. Hef Wonen is dit kort geding gestart omdat [gedaagde] de woning niet als zijn hoofdverblijf gebruikt, een huurachterstand heeft en geen medewerking verleent aan onderhoud. Ter zitting heeft Hef Wonen toegelicht dat de huurachterstand per februari 2026 is opgelopen tot € 5.617,36. Hef Wonen eist dat [gedaagde] die achterstand betaalt, vermeerderd met rente en kosten, en dat hij de woning ontruimt. Zij wil ook dat de huur wordt doorbetaald totdat de woning is ontruimd.

3.De beoordeling

3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Uit de stellingen van Hef Wonen volgt dat deze spoed aanwezig is, zodat zij ontvankelijk is in haar vordering.
Ontruiming
3.2.
[gedaagde] moet binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis betekend de woning ontruimen. Deze eis lijkt namelijk niet onrechtmatig of ongegrond (artikel 139 Rv Pro). Hef Wonen heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] de woning niet als hoofdverblijf gebruikt en dat hij een huurachterstand van € 5.617,36 heeft. Zowel het niet hebben van het hoofdverblijf als de huurachterstand leveren beide een tekortkoming op die een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Gelet daarop is het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure daarop vooruit te lopen door [gedaagde] te veroordelen om de woning te ontruimen.
Huurachterstand
3.3.
Vaststaat dat de huurachterstand tot en met februari 2026 € 5.617,36 bedraagt. Omdat ook deze eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt, wordt [gedaagde] veroordeeld om dit bedrag aan Hef Wonen te betalen. Hij moet ook vanaf 1 maart 2025 tot en met de dag van de ontruiming de maandelijkse huurprijs van € 802,48 (blijven) betalen. Hef Wonen heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor het eventueel resterende gedeelte van de maand na de dag van de ontruiming. Als de woning voor het einde van de maand wordt ontruimd, hoeft [gedaagde] voor die laatste dagen van de maand geen vergoeding te betalen (naar rato).
Rente
3.4.
De rente wordt toegewezen, omdat Hef Wonen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Dit houdt in dat [gedaagde] wettelijke rente moet betalen over het openstaande bedrag van de huurachterstand, te rekenen vanaf de vervaldatum van iedere huurtermijn tot aan de dag dat volledig is betaald. Indien [gedaagde] ook toekomstige huurtermijnen niet of niet tijdig betaalt, is hij eveneens wettelijke rente verschuldigd over het dan openstaande saldo, telkens vanaf de betreffende vervaldatum van iedere huurtermijn tot het moment waarop volledig is betaald.
Proceskosten
3.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.013,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat Hef Wonen dat eist (artikel 233 Rv Pro). Zowel het niet hebben van het hoofdverblijf als de huurachterstand bieden hiervoor voldoende aanleiding. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hef Wonen te betalen € 5.617,36, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vervaldata van de betreffende huurtermijnen tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hef Wonen te betalen € 802,48 met ingang van de maand maart 2026 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om, voor iedere maand waarin de huur van € 802,48 niet of niet tijdig wordt betaald, aan Hef Wonen de wettelijke rente te betalen over het openstaande bedrag, te berekenen vanaf de vervaldatum van de betreffende huurtermijn tot de dag dat volledig is betaald;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.013,02, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Gerritse en in het openbaar uitgesproken.
53954