ECLI:NL:RBROT:2026:1875

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/10/714414 / JE RK 26-224 , C/10/714416 / JE RK 26-225 en /10/714556 / JE RK 26-247
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R. van Wildenberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BWArt. 1:265e BWWet beëdigde tolken en vertalers
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Rotterdam behandelde op 16 februari 2026 verzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond betreffende een minderjarige geboren in 2014. De moeder van de minderjarige kampt met persoonlijke problematiek, waaronder alcohol- en emotieregulatieproblemen, wat heeft geleid tot mishandeling van de minderjarige en een voorlopige ondertoezichtstelling.

De kinderrechter had reeds op 4 en 5 februari 2026 voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing verleend, evenals vervangende toestemming voor medische behandeling door een FARR-arts om letsel vast te stellen. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de moeder stappen zet richting herstel, waaronder stoppen met alcoholgebruik en aanmelding voor hulpverlening.

De Raad en de gecertificeerde instelling stelden dat een thuisplaatsing binnen een week in het belang van de minderjarige is, en de moeder en minderjarige zelf staan hier ook achter. De kinderrechter besloot daarom de voorlopige ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing te verlengen tot 23 februari 2026 en de machtigingen daarna te herroepen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 23 februari 2026 en daarna herroepen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/714414 / JE RK 26-224, C/10/714416 / JE RK 26-225 en C/10/714556 / JE RK 26-247
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. B.H. van der Zwan, kantoorhoudende in Rotterdam;
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 februari 2026 (zaaknummers C/10/714414 en C/10/714416), met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 februari 2026 (zaaknummer C/10/714556), met de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. S. Ben Ahmed, waarnemend voor mr. B.H. van der Zwan;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Japanse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van T. Kondo, tolk in de Japanse taal.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] opnieuw naar binnen geroepen bij de uitspraak. Bij de uitspraak is tevens bijzondere toegang verleend aan de huidige (netwerk)pleegvader van [voornaam minderjarige] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten in het gezin van een vriendin.
(zaaknummer C/10/714414)
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2026 [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 4 mei 2026.
(zaaknummer C/10/714414)
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2026 ook een (spoed)machtiging verleend [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 4 maart 2026, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden tot deze zitting.
(zaaknummer C/10/714416)
2.5.
Bij beschikking van 4 februari 2026 heeft de kinderrechter ook vervangende toestemming verleend voor een medische behandeling van [voornaam minderjarige] , te weten een onderzoek door een FARR-arts waarbij de aard en de omvang van het lichamelijke letsel van [voornaam minderjarige] wordt vastgesteld.
(zaaknummer C/10/714556)
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 februari 2026 een (spoed)machtiging verleend [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in het netwerk met ingang van 5 februari 2026 tot 4 maart 2026, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden tot deze zitting.

3.De (aangehouden) verzoeken

(zaaknummer C/10/714414)

3.1.
Voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed) machtiging uithuisplaatsing
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie
maanden. Deze voorlopige ondertoezichtstelling is bij beschikking van 4 februari 2026 al verleend. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen, te weten in een pleeggezin, voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Vier weken zijn hiervan reeds verleend bij beschikking van 4 februari 2026 en het verzoek is voor het overige aangehouden.
(zaaknummer C/10/714416)
3.2.
Vervangende toestemming medische behandeling
De Raad verzoekt, op grond van artikel 1:265e Burgerlijk Wetboek (hierna: BW),
vervangende toestemming te verlenen voor de medische behandeling van [voornaam minderjarige] . Deze
medische behandeling betreft onderzoek door de FARR-arts om eventueel letsel vast te
kunnen stellen. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Deze vervangende toestemming is al bij beschikking van 4 februari 2026 door de kinderrechter verleend.
(zaaknummer C/10/714556)
3.3.
Verzoek (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in het
netwerk te verlenen voor de duur van 4 weken en deze af te geven zonder de
belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing
in het netwerk voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de
beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Vier weken zijn hiervan reeds verleend bij beschikking van 5 februari 2026, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden tot deze zitting. Ter zitting heeft de GI het verzoek gedeeltelijk ingetrokken. Zij verzoekt nu een machtiging uithuisplaatsing voor de periode tot 23 februari 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het noodzakelijk is dat de voorlopige ondertoezichtstelling in stand blijft, zodat er hulp ingezet kan worden en de Raad nader onderzoek kan doen naar de thuissituatie. Na verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling zal duidelijk zijn of de hulpverlening in het gedwongen kader nog nodig is of in het vrijwillig kader verder kan. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt door de Raad niet ingetrokken. Wel sluit de Raad zich aan bij de visie van de GI hierover. Het perspectief van [voornaam minderjarige] ligt niet langer in het (netwerk)pleeggezin.
4.2.
De GI heeft zich tijdens de mondelinge behandeling aangesloten bij het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de Raad. Ten aanzien van beide verzoeken tot machtiging tot uithuisplaatsing heeft de GI naar voren gebracht dat er deze week zal worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Zowel [voornaam minderjarige] als de moeder staan daar achter. [voornaam minderjarige] kan en wil niet veel langer meer in het netwerkpleeggezin blijven. De ambulante spoed hulp (ASH) staat klaar om te starten met hulpverlening in de thuissituatie. Er is al gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [voornaam minderjarige] en dit is goed verlopen. De moeder zal hulp gaan krijgen bij haar alcohol- en emotieregulatieproblemen. Daarnaast kampt de moeder met stressproblemen, eenzaamheid en medicatieproblemen. De moeder is aangemeld bij Parnassia. Die wachtlijst daar is zes maanden. In de tussentijd worden er urinecontroles ingezet via de huisarts. De FARR-arts heeft teruggekoppeld dat er letsel was dat passend is bij het verhaal van [voornaam minderjarige] . De moeder erkent wat er is gebeurd. Aangezien deze week wordt teruggewerkt naar huis is de machtiging nog nodig tot en met zondag.
4.3.
Namens en door de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder staat open voor de hulpverlening. Zij is gestopt met alcohol en slaapmedicatie en via de huisarts zullen er urinecontroles gaan plaatsvinden. De moeder heeft zich aangemeld bij Parnassia voor haar emotionele problemen. Er heeft al een gesprek plaatsgevonden tussen de moeder en [voornaam minderjarige] via Enver. Enver gaat de moeder ook in de thuissituatie ondersteunen. De moeder erkent dat zij op 3 februari 2026 en in de week daarvoor geweld heeft gebruikt tegen [voornaam minderjarige] . Daar heeft zij spijt van. De moeder vindt het fijn dat het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verkort naar nog een week.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er zorgen bestaan over de ontwikkeling en de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder heeft last van persoonlijke problematiek, waardoor er escalaties plaatsvinden waarbij [voornaam minderjarige] wordt mishandeld door haar moeder. Voor [voornaam minderjarige] is daarom een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken. De aankomende periode moet worden onderzocht of een definitieve ondertoezichtstelling nodig is of dat hierna hulpverlening in het vrijwillige kader afdoende is.
5.2.
Daarnaast is een vervangende toestemming voor een medische behandeling verleend voor onderzoek door een FARR-arts waarbij de aard en de omvang van het lichamelijk letsel van [voornaam minderjarige] kon worden vastgesteld toen [voornaam minderjarige] op 3 februari 2026 bij de buurvrouw had aangegeven dat zij door haar moeder met een zwabber was geslagen. De politie heeft de moeder toen in verwarde toestand aangetroffen en de moeder was niet in staat om zelf de toestemming te geven.
5.3.
Tot slot is de kinderrechter op basis van de stukken en de zitting van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Ter zitting is naar voren gekomen dat de moeder al grote stappen maakt in het werken aan haar persoonlijke problematiek. Zij is gestopt met het drinken van alcohol en zij heeft zich aangemeld voor urinecontroles. Daarnaast heeft de moeder zich aangemeld voor hulpverlening ten aanzien van haar emotieregulatie problematiek. In de thuissituatie zal ASH starten en er heeft een aanmelding plaats gevonden voor hulpverlening door Parnassia. Zowel de moeder als [voornaam minderjarige] staan achter een thuisplaatsing en ook de Raad en de GI hebben ter zitting aangegeven een thuisplaatsing binnen een week van [voornaam minderjarige] in haar belang te achten.
5.4.
De kinderrechter zal daarom de reeds verleende machtigingen tot uithuisplaatsing in stand laten voor de periode tot 23 februari 2026 en voor het overige herroepen.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/10/714414
6.1.
houdt de bij beschikking van 4 februari 2026 verleende voorlopige ondertoezichtstelling in stand;
C/10/714416
6.2.
houdt de bij beschikking 4 februari 2026 verleende vervangende toestemming voor een medische behandeling van [voornaam minderjarige] , te weten een onderzoek door een FARR-arts waarbij de aard en de omvang van het lichamelijke letsel van [voornaam minderjarige] wordt vastgesteld, in stand;
C/10/714414
6.3.
houdt de bij beschikking van 4 februari 2026 verleende spoedmachtiging uithuisplaatsing van Marie-Rose in een voorziening voor pleegzorg in stand voor de periode van 4 februari 2026 tot 23 februari 2026;
6.4.
herroept de bij beschikking van 4 februari 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van
23 februari 2026 tot 4 maart 2026;
6.5.
wijst het verzoek voor het overige af;
C/10/714556
6.6.
houdt de bij beschikking van 5 februari 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in het netwerk in stand voor de periode van 5 februari 2026 tot 23 februari 2026;
6.7.
herroept de bij beschikking van 5 februari 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in het netwerk van 23 februari 2026 tot 4 maart 2026;
6.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. R. van Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van J.A. van Soest als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.