ECLI:NL:RBROT:2026:1909

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
26/460
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende medische onderbouwing

Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd op grond van ernstige en chronische medische problematiek, omdat zij met twee jonge kinderen woont in een flat zonder lift. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze aanvraag afgewezen na advies van een SMA-arts, die stelde dat er nog behandelmogelijkheden zijn en niet duidelijk is of sprake is van chronische medische problematiek.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting op 25 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek behandeld en direct uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang twijfelachtig is en dat de gevraagde maatregel te verstrekkend is, mede omdat het onzeker is of de urgentieverklaring in bezwaar zal worden toegekend.

Hoewel het advies van de arts vragen oproept, onder meer over de maximale trapbelasting en de invloed van behandelingen en revalidatie, is onvoldoende duidelijkheid en medische onderbouwing geleverd. Het college moet deze punten in bezwaar nader motiveren, inclusief de toepassing van de hardheidsclausule.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor verzoekster voorlopig niet met voorrang kan reageren op woningen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot toekenning van een urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende medische onderbouwing en aanwezigheid van behandelmogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/460
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 januari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
4. Verzoekster woont met twee jonge kinderen in een flatwoning op de 2e verdieping, zonder lift. Zij heeft een urgentieverklaring aangevraagd op de urgentiegrond ‘ernstige en chronische medische problematiek’. Het college heeft vervolgens advies gevraagd van een arts van het Team Sociaal Medische Advisering (SMA). Volgens de arts is er geen sprake van een urgente situatie waardoor verzoekster zou moeten verhuizen.
5. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van een levensontwrichtende woonsituatie als gevolg van chronische medische problematiek, waardoor verzoekster niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte. Ook zijn er volgens het college geen omstandigheden geconstateerd die aanleiding geven voor toepassing van de hardheidsclausule. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat er aan haar een urgentieverklaring wordt toegekend.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
7. Toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening zal niet onmiddellijk tot een oplossing voor verzoeksters probleem leiden, omdat zij met een urgentieverklaring niet direct een andere woning zal hebben gevonden. Hierdoor kan worden getwijfeld aan het spoedeisend belang voor het voeren van deze procedure. Ervan uitgaande dat verzoekster met de urgentieverklaring toch snel een andere woning toegewezen zou kunnen krijgen, dan ligt toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening niet voor de hand, omdat deze niet het karakter van een voorlopige maatregel heeft.
8. Er bestaat op dit moment geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde – verstrekkende – maatregel, ook omdat het op dit moment te onzeker is of de urgentieverklaring in bezwaar wel toegekend zal worden. Daarbij is van belang dat er volgens de arts nog behandelmogelijkheden zijn, zodat niet duidelijk is of wordt voldaan aan het criterium dat sprake moet zijn van
chronischemedische problematiek. Verder heeft verzoekster zelf geen medische stukken overgelegd waaruit duidelijk blijkt dat er sprake is van een levensontwrichtende situatie.
9. Dit neemt niet weg dat het advies van de arts vragen oproept. In het advies staat dat verzoekster in staat is om eenmaal per dag de trappen op en af te lopen. Als aangenomen moet worden dat dat ook het maximum is voor verzoekster, dan lijkt er wel sprake te zijn van een levensontwrichtende situatie. Dat heeft het college tijdens de zitting ook bevestigd. Het college leest het advies echter zo dat ‘eenmaal per dag’ niet als een maximum moet worden begrepen. Volgens het college heeft de arts de gehele situatie van verzoekster bekeken en die niet als voldoende ernstig ingeschat. Het advies geeft voor die lezing wel enige aanknopingspunten, maar duidelijk is het advies op dit punt niet. In bezwaar zal dit opgehelderd moeten worden.
10. Ook zal in bezwaar nader moeten worden ingegaan op het punt van de behandelmogelijkheden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het advies niet wat de behandelingen naar verwachting voor effect zullen hebben op verzoeksters mogelijkheden om de trap te gebruiken. Evenmin is in het advies ingegaan op de invloed van een mogelijke revalidatieperiode. Ook dit zal in bezwaar opgehelderd kunnen worden. Daarnaast zal het college in bezwaar gemotiveerd moeten ingaan op de vraag of er aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster vooralsnog niet met voorrang kan reageren op woningen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
12. De voorzieningenrechter heeft partijen erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026 door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.