ECLI:NL:RBROT:2026:1953

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/2556
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIASchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres, werkzaam als gastvrouw op een kinderdagverblijf, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding. Het UWV wees de aanvraag af omdat de arbeidsongeschiktheid volgens medisch en arbeidsdeskundig onderzoek minder dan 35% bedroeg, wat onvoldoende is voor een uitkering.

Eiseres voerde aan dat haar fibromyalgie, chronische pijn, vermoeidheid, slaapproblemen en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. Zij stelde dat zij sterk beperkt was in lopen en staan en dat een urenbeperking onterecht ontbrak. Diverse medische rapporten en e-mails werden overgelegd ter onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen zorgvuldig en deugdelijk had vastgesteld, inclusief de psychische klachten en het vermoeden van een licht verstandelijke beperking. De arbeidsdeskundige concludeerde dat eiseres geschikt was voor meerdere functies met een arbeidsongeschiktheid van 14,4%, onder de 35% grens.

De rechtbank volgde het UWV en verwierp het beroep, omdat de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd en het bewijs van eiseres onvoldoende was om het oordeel te wijzigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J. Marges),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om aan eiseres een WIA [1] -uitkering toe te kennen. Eiseres is het niet eens met deze weigering en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de uitkering. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft besloten eiseres geen WIA-uitkering toe te kennen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 24 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiseres voor een WIA-uitkering met ingang van 28 mei 2024 (de datum in geding) afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit van 21 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar dochter, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is werkzaam geweest als gastvrouw op een kinderdagverblijf voor 28 uur per week. Eiseres heeft zich, terwijl zij een WW-uitkering ontving, op 31 mei 2022 ziek gemeld. Op 9 februari 2024 heeft eiseres vervolgens een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
In verband met deze aanvraag is eiseres op 6 mei 2024 gezien door een arts, werkend onder supervisie van een verzekeringsarts. In het rapport van 14 mei 2024 concludeert de arts dat eiseres verminderde benutbare mogelijkheden heeft. Er is toen een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 6 mei 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen en 5. Statische houdingen.
3.2.
De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 23 mei 2024 vervolgens geconcludeerd dat eiseres, met inachtneming van haar mogelijkheden en beperkingen, niet geschikt is voor de functie die zij het laatst verrichtte voordat zij ziek werd (de maatgevende arbeid), maar wel voor ander werk. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er minimaal drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 3,32% lager dan wat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Dat betekent dat zij voor 3,32% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wet WIA. Omdat dit minder is dan 35% heeft het UWV met het primaire besluit geweigerd eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.
3.3.
Omdat eiseres tegen het primaire besluit bezwaar heeft gemaakt, heeft een heroverweging plaatsgevonden. In verband daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres op 7 januari 2025 op een hoorzitting gezien. Aansluitend heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en de medische informatie van de behandelend sector bij de heroverweging betrokken. In het rapport van 15 januari 2025 komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire oordeel.
3.4.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 12 februari 2025 geconcludeerd dat twee van de vijf functies die eerder passend waren bevonden, bij nader inzien toch niet geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hiervoor één nieuwe functie geduid. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er dan nog steeds minimaal drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, zou kunnen doen. Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 14,4% lager dan wat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Dat betekent dat zij voor 14,4% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wet WIA. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

4. Eiseres voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Zij lijdt aan fibromyalgie en heeft (hierdoor) last van chronische pijn en vermoeidheid. Ook heeft zij last van slaapproblemen en psychische klachten. Eiseres heeft zowel op het fysieke als psychische vlak diverse trajecten en therapieën gevolgd, helaas zonder resultaat. Volgens de deskundigen zou zij eerst een nieuw revalidatietraject voor haar fysieke toestand moeten volgen, dan vindt mogelijk ook een verbetering van haar psychische toestand plaats. Bij het primaire medisch onderzoek stelde de arts vast dat, behalve pijnervaring, geen afwijkingen konden worden geobjectiveerd die pasten bij fibromyalgie, terwijl de reumatoloog in juni 2022 heeft geschreven dat sprake is van chronisch pijn- en vermoeidheidssyndroom (zonder reumatische oorzaak). Door de pijnklachten is eiseres thuis nauwelijks in staat om normaal te functioneren. Ook is eiseres van mening dat zij sterk beperkt moet worden geacht op de onderdelen ‘lopen’ en ‘staan’. Volgens eiseres is verder ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een verslag van het expertiseteam zorg Rotterdam, een e-mail van het wijkteam Kralingen-Crooswijk en een
e-mail van de gemeente Rotterdam overgelegd.

Toetsingskader

5. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht met ingang van 28 mei 2024 heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden, te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zowel in zijn rapport van 15 januari 2025 als in het in reactie op het beroepschrift opgestelde rapport van 1 juli 2025 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om voor eiseres meer of andere beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit laatste rapport toegelicht dat een pijnsyndroom wil zeggen dat iemand pijn beleeft waarvoor geen duidelijke oorzaak gevonden kan worden en dat een pijnsyndroom daarom vaak niet begrepen wordt. Hierbij kan gedacht worden aan fibromyalgie. Bij eiseres is ook onbegrepen waarom zij pijn heeft en dit betekent dat bij een lichamelijk onderzoek ook geen afwijkingen gevonden zullen worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij overwogen dat fysieke arbeid niet kan leiden tot gezondheidsschade maar wellicht wel tot een hogere klachtenbeleving. Hierbij wordt benadrukt dat de FML niet bedoeld is als weergave van deze beleefde klachten. Toch is in het geval van eiseres door de primaire arts rekening gehouden met haar klachten door beperkingen op te nemen op het gebied van dynamische en statisch handelen. Gelet hierop bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om eiseres verdergaand te beperken op de onderdelen ‘lopen’ en ‘staan’.
6.2.
De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische klachten van eiseres heeft meegenomen bij zijn beoordeling. Dit blijkt uit het rapport van
15 januari 2025, waarin onder meer wordt verwezen naar het rapport van de SGGZ van
12 maart 2024. Hierin wordt aangegeven dat eiseres eerst haar pijn- en psychosomatische klachten moet aanpakken voordat zij haar trauma’s kan verwerken. Ook blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanvullend psychisch onderzoek heeft uitgevoerd. Uit dit rapport volgt ook dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de slaapproblemen van eiseres heeft meegenomen bij de beoordeling evenals het tijdens de zitting genoemde feit dat zij hiervoor amitriptyline gebruikt. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat door de primaire arts adequate beperkingen aangenomen zijn en dat er geen medische onderbouwing aanwezig is voor meer of verdergaande beperkingen.
6.3.
Ook de omstandigheid dat bij eiseres een ‘LVB-screening’ is uitgevoerd, met als conclusie dat er reden is om de aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking te vermoeden, kan volgens de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten en beperkingen van eiseres. Ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestond dit vermoeden immers al. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover in zijn rapport van 15 januari 2025 overwogen dat geen rekening gehouden kan worden met een licht verstandelijke beperking zolang niet onomstotelijk vaststaat dat daadwerkelijk sprake is van een dergelijke beperking. De rechtbank kan dit volgen en constateert dat uit het overgelegde verslag van het expertiseteam zorg Rotterdam volgt dat nog altijd sprake is van een vermoeden.
6.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tot slot inzichtelijk gemotiveerd waarom een urenbeperking in het geval van eiseres niet aan de orde is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullend rapport van 1 juli 2025 nader toegelicht dat een urenbeperking pas kan worden gegeven nadat eerst rekening is gehouden met de vermoeidheid van eiseres door beperkingen vast te stellen op de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen en 5. Statische houdingen. In het geval van eiseres zijn al beperkingen aangenomen op deze gebieden. Het werk is daardoor volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dusdanig licht van aard gemaakt dat er feitelijk al geen reden is om nog een urenbeperking aan te nemen. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid heeft hij vervolgens nog toegelicht dat een (aanvullende) urenbeperking volgens de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid kan worden aangenomen op energetische gronden, preventieve gronden of op basis van het beschikbaarheidscriterium. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een urenbeperking op één van deze gronden, omdat zij niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.
6.5.
De rechtbank is van oordeel dat wat eiseres in beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd geen reden geeft om aan het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag te twijfelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te verrichten. Eiseres wordt dan ook niet gevolgd in de tijdens de zitting naar voren gebrachte stelling dat zij door haar slaapproblemen en medicatie niet geschikt kan worden geacht voor de functie van wikkelaar.
6.6.
De rechtbank concludeert, gelet op het voorgaande, dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 28 mei 2024 terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond en eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
G.I. Heijblom, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.