ECLI:NL:RBROT:2026:1954

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/2885
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIASchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres, werkzaam als gastvrouw, vroeg een WIA-uitkering aan wegens gezondheidsklachten waaronder rugproblemen, hoofdpijn en sociale beperkingen. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij volgens medisch en arbeidsdeskundig onderzoek niet voor meer dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.

Na bezwaar en heroverweging, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanvullend onderzoek deed en de Functionele Mogelijkhedenlijst aanpaste, bleef de conclusie dat eiseres geschikt is voor minimaal drie functies met een loon dat gelijk is aan haar eerdere werk, wat betekent dat zij 0% arbeidsongeschikt is.

Eiseres voerde aan dat haar beperkingen ernstiger zijn, onder meer door een aangeboren lordose, ganglion en sociale beperkingen, maar de rechtbank vond de medische beoordeling zorgvuldig en voldoende onderbouwd. De hoofdpijnklachten en ganglion werden niet als beperkingen op de datum in geding erkend.

De rechtbank oordeelde dat eiseres in staat is de geduide functies te verrichten en verklaarde het beroep ongegrond. Zij krijgt geen WIA-uitkering en ook geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bekrachtigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2885

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Schiedam, eiseres

(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een WIA [1] -uitkering. Eiseres is het niet eens met deze weigering en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV eiseres terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV eiseres terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 7 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiseres voor een WIA-uitkering met ingang van 22 januari 2024 (de datum in geding) afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Bij besluit van 28 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is werkzaam geweest als gastvrouw voor 17,53 uur per week. Eiseres heeft zich, terwijl zij een WW-uitkering ontving, op 24 januari 2022 ziek gemeld. Op
12 oktober 2023 heeft eiseres vervolgens een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
In verband met deze aanvraag is eiseres op 27 maart 2024 gezien door een arts, werkende onder supervisie van een verzekeringsarts. In het rapport van 27 maart 2024 concludeert de arts dat eiseres verminderde benutbare mogelijkheden heeft. Er is toen een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 21 januari 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen en
5. Statische houdingen.
3.2.
De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 27 mei 2024 vervolgens geconcludeerd dat eiseres, met inachtneming van haar mogelijkheden en beperkingen, niet geschikt is voor de functie die zij het laatst verrichtte voordat zij ziek werd (de maatgevende arbeid), maar wel voor ander werk. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er minimaal drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 0% lager dan wat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Dat betekent dat zij voor 0% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wet WIA. Omdat dit minder is dan 35% heeft het UWV met het primaire besluit geweigerd eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.
3.3.
Omdat eiseres tegen het primaire besluit bezwaar heeft gemaakt, heeft een heroverweging plaatsgevonden. In verband daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres op 12 november 2024 op een hoorzitting gesproken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en de medische informatie van de behandelend sector bij de heroverweging betrokken. In het rapport van 20 januari 2025 komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie dat afgeweken moet worden van het primaire oordeel. Kort samengevat heeft de primaire arts volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep te veel waarde gehecht aan de rugklachten en te weinig waarde aan de klachten die zien op het persoonlijk en sociaal functioneren van eiseres. De FML wordt hierop aangepast.
3.4.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 28 februari 2025 geconcludeerd dat een aantal functies die eerder geschikt waren bevonden, gelet op de aangepaste FML, niet langer geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hiervoor nieuwe functies geduid. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er nog steeds minimaal drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt opnieuw 0% lager dan wat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Dat betekent dat zij nog steeds voor 0% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wet WIA. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

4. Eiseres betoogt in beroep dat er onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld. Zij is geboren met een afwijking aan haar rug (lordose) waardoor zij chronische rugklachten heeft. Eiseres heeft (hierdoor) ook vaak last van ernstige hoofdpijn. Bovendien kampt zij met een zwelling aan haar linkerhand (ganglion). Verder heeft eiseres moeite met sociale contacten. Zij vermijdt sociaal-maatschappelijke activiteiten, heeft bewegingsangst en komt nauwelijks uit huis. Tot slot heeft zij last van stressklachten, overspannenheid, sterke vermoeidheid, slaapproblemen en zij kan zich ook niet focussen op een onderwerp of een taak. Als gevolg van haar klachten en beperkingen is eiseres niet in staat om de geduide functies te verrichten. Zo zal in alle geduide functies sprake zijn van actief belasten van de rug en het minimaal 4 uur achter elkaar werkzaamheden verrichten. Eiseres is daar niet toe in staat, omdat zij elke 2 uur en 15 minuten liggend tot rust moet komen. Verder moet eiseres in de geduide functies kunnen omgaan met conflicten, samenwerken, lopen, staan en zitten. In de functie van assemblagemedewerker moet zij reiken, kort-cyclisch buigen en duwen en trekken. Eiseres kan dit allemaal niet. Tot slot is bij het duiden van de functies geen rekening gehouden met de ganglion van eiseres. Hierdoor kan zij geen muis en toetsenbord hanteren en is zij niet in staat om zoveel schroefbewegingen met de arm en hand te maken als nodig is voor de functie van assemblagemedewerker. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar brieven van het Franciscus Vlietland van 5 november 2014 en 2 april 2025, een huisartsjournaal van 25 maart 2025 en eerder overgelegde stukken van het Spine & Joint Centre.

Toetsingskader

5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht met ingang van 22 januari 2024 heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden, te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.
6.1.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de bestudering van de dossiergegevens, een anamnese, een gericht lichamelijk en psychisch onderzoek door de primaire arts en de hoorzitting op 12 november 2024 waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij aanwezig was die vervolgens ook een aanvullend psychisch onderzoek verrichtte. Anders dan eiseres stelt, is het de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle medische informatie die voorhanden was meegewogen in zijn oordeel en op basis daarvan geoordeeld dat op sommige punten aanleiding bestond om, zowel in het voordeel als in het nadeel van eiseres, af te wijken van het oordeel van de primaire arts over de per datum in geding aangegeven mogelijkheden en beperkingen (FML) van eiseres. De rechtbank is daarom van oordeel dat van onzorgvuldigheid geen sprake is.
6.2.
De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 januari 2025 over de rugklachten van eiseres onder meer overwogen dat hij alle informatie wegende, anders dan de primaire arts, geen aanleiding ziet om aan te nemen dat sprake is van een actieve hernia. Zo wordt in de bij het Spine & Joint Centre nader opgevraagde informatie gesteld dat vooralsnog sprake is van een pijnsyndroom met daarbij de tekst dat ‘specifieke aantoonbare structurele afwijkingen in het houdings- en bewegingsapparaat door ons niet zijn vastgesteld'. In de door eiseres aangeleverde brief van 8 december 2021 van de neuroloog bij het Franciscus en Vlietland wordt zelfs gezegd dat toen op de MRI absoluut geen teken van een hernia of een zenuwbeknelling te zien was, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres is wel concreet bekend met een aangeboren lordose die op zichzelf al enige rugbeschermende beperkingen legitimeert. Toch zijn de in de FML gegeven beperkingen (zoals inzake buigen, tillen en dragen, staan) op dit gebied volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep te zwaar aangezet, omdat rekening werd gehouden met de aanwezigheid van een hernia. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze beperkingen daarom aangepast door ze in de klasse ‘licht’ onder te brengen.
6.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in zijn rapport overwogen dat eiseres tijdens de hoorzitting liet weten dat zij gemiddeld drie keer per week last heeft van hoofdpijnaanvallen aan de rechterkant van haar hoofd die uren tot soms dagen kunnen duren. Het is de verzekeringsarts bezwaar en beroep vanuit het primaire rapport en de anamnese bij de hoorzitting duidelijk geworden dat de hoofdpijn getriggerd wordt door de rugklachten maar ook door stress. Wat hij niet goed kan verklaren is dat eiseres de primaire arts niet heeft verteld over deze mate van invaliderende hoofdpijnen terwijl toen wel degelijk is gesproken over haar hoofdpijnen. Ook werden deze invaliderende hoofdpijnen niet benoemd door de bedrijfsarts op 4 april 2022 en ook niet in de verpleegkundige rapportage van 27 september 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geconcludeerd dat deze hoofdpijnklachten, net als de rugklachten, kennelijk sterk zijn toegenomen sinds de WIA-beoordeling, omdat dit toen anders ondubbelzinnig naar voren was gekomen. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op de datum in geding geen rekening kan worden gehouden met deze invaliderende hoofdpijnklachten, zoals deze in ieder geval in het hier en nu spelen. De rechtbank kan deze uitgebreide motivering volgen.
6.4.
Eiseres heeft eerst in beroep aangevoerd dat zij klachten heeft als gevolg van haar ganglion. Eiseres werd hiervoor in 2014 en 2015 geopereerd en zij ervaart nu weer klachten. Tijdens de zitting heeft eiseres erkend dat zij deze klachten op de datum in geding niet had. De rechtbank is dan ook met het UWV van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier bij de beoordeling geen rekening mee heeft kunnen houden.
6.5.
Verder blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat hij ervan op de hoogte was dat eiseres sociaal-maatschappelijke activiteiten vermijdt en last heeft van bewegingsangst. Zo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit de medische stukken duidelijk naar voren komt dat eiseres last heeft van spanningen en stress, overigens zonder dat er een psychiatrische diagnose is gesteld of wordt genoemd. Uit de stukken van het Spine & Joint Centre blijkt wel dat deze spanningen een negatieve invloed uitoefenen op het locomotore functioneren van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin aanleiding gezien om eiseres te beperken voor apert stresserende arbeid waarbij het specifiek gaat om deadlines, leiding geven, intensieve klanten- en patiëntencontacten, conflicthantering en nachtdiensten. Voor andere beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren is geen medische onderbouwing aanwezig.
6.6.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat wat eiseres in beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Eiseres moet dan ook in staat worden geacht de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank volgt eiseres dus niet in de stelling dat zij de geduide functies niet zou kunnen uitvoeren vanwege haar rugproblemen en/of haar ganglion. Ook is niet gebleken dat eiseres daadwerkelijk elke 2 uur en 15 minuten liggend dient te rusten. Het advies van het Spine & Joint Centre van 16 mei 2023 om elke 2 uur en 15 minuten liggend te rusten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep immers geen aanleiding gegeven voor het aannemen van meer of andere beperkingen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
G.I. Heijblom, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.