ECLI:NL:RBROT:2026:1959

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/10/685916 / HA ZA 24-793
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 BWArt. 150 RvArt. 151 lid 2 RvArt. 195 RvArt. 200 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst wegens non-conformiteit en gebreken aan autohoogwerker

Tankcleaning kocht een autohoogwerker van HCN en droeg haar rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst over aan ING Lease, die de hoogwerker in huurkoop aan Tankcleaning gaf. Tankcleaning c.s. stellen dat de hoogwerker vanaf aflevering gebreken vertoont, waaronder plotselinge valbewegingen en storingen, en dat de EU-conformiteitsverklaring ongeldig is. Zij vorderen ontbinding van de koopovereenkomst en schadevergoeding.

HCN betwist het bestaan van de gebreken en de ongeldig verklaarde conformiteitsverklaring. De rechtbank acht voorshands bewezen dat de hoogwerker twee soorten valbewegingen maakt die niet voldoen aan veiligheidseisen en al bij aflevering aanwezig waren. HCN krijgt de mogelijkheid tegenbewijs te leveren, waarvoor een deskundigenonderzoek wordt bevolen.

De rechtbank overweegt dat indien HCN niet slaagt in het tegenbewijs, de koopovereenkomst ontbonden zal worden wegens non-conformiteit. Ook de garantieverplichtingen van HCN worden besproken, waarbij alleen de valbeweging als defect nog onduidelijk is. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de benoeming van een deskundige en de onderzoeksvragen. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.

Uitkomst: De rechtbank acht voorshands bewezen dat de autohoogwerker gebreken vertoont en benoemt een deskundige voor nader onderzoek, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/685916 / HA ZA 24-793
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van

1.ING LEASE (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd in Amsterdam,
2.
TANKCLEANING BENELUX B.V.,
gevestigd in Castricum,
eiseressen,
advocaat mr. D.B. Holthinrichs te Amsterdam,
tegen
HOOGWERKER CENTRUM NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Groot-Ammers,
gedaagde,
advocaat mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.
Partijen zullen hierna ING Lease, Tankcleaning en HCN worden genoemd. Eiseressen worden gezamenlijk Tankcleaning c.s. genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Tankcleaning heeft een autohoogwerker van HCN gekocht. Tegelijkertijd heeft Tankcleaning (een deel van) haar rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst aan ING Lease overgedragen en de autohoogwerker van haar in huurkoop gekregen. Tankcleaning c.s. stellen dat de autohoogwerker vanaf het begin af aan verschillende gebreken vertoont – namelijk: valbewegingen maakt, diverse storingen heeft gehad en een ongeldige EU-conformiteitsverklaring heeft – en daarmee niet beantwoordt aan de koopovereenkomst. Daarnaast zou HCN haar garantieverplichtingen hebben geschonden door niet op eerste verzoek de defecten aan de autohoogwerker te verhelpen. In deze procedure vordert ING Lease daarom ontbinding van de koopovereenkomst en vorderen Tankcleaning c.s. schadevergoeding. HCN voert verweer. Zij betwist het bestaan van de gestelde gebreken (bij aflevering), althans dat die ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigen. De rechtbank acht – kort gezegd – voorshands bewezen dat de hoogwerker twee door Tankcleaning’s deskundigen genoemde bewegingen maakt, waardoor die niet voldoet aan de daaraan gestelde veiligheidseisen, welke gebreken al bij aflevering aanwezig waren. HCN mag tegenbewijs leveren. In dat kader heeft de rechtbank het voornemen een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren, waarin ook vragen worden gesteld over de EU-conformiteitsverklaring. Partijen mogen zich eerst nog over een aantal aspecten van een deskundigenbericht uitlaten. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2024, met producties 1 tot en met 44;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13;
- de oproepingsbrief van de rechtbank van 22 november 2024;
- de aanvullende producties 45 tot en met 49 van Tankcleaning c.s.;
- de aanvullende productie 50 van Tankcleaning c.s.;
- de mondelinge behandeling gehouden op 21 maart 2025 en de daar door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen;
- de akte toelichting eiswijziging / uitlating deskundige en voorwaardelijk verzoek ex artikel 200 Rv Pro van 23 april 2025;
- de antwoordakte van HCN van 21 mei 2025;
- het (op verzoek van HCN opgestelde) proces-verbaal van de afsluiting van de mondelinge behandeling van 21 maart 2025;
- het B16-formulier van mr. Huijzer van 22 mei 2025, met het verzoek om vonnis te wijzen;
- het B16-formulier van 26 mei 2025 en de brief van 27 mei 2025 van mr. Holthinrichs, met aanvullende productie 51 en met het verzoek om vonnis te wijzen.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat de zaak op de rol zou komen van 23 april 2025 voor het nemen van een akte door Tankcleaning c.s., vervolgens op de rol van 21 mei 2025 voor het nemen van een antwoordakte door HCN en dat daarna vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Tankcleaning houdt zich bezig met het reinigen, schilderen en bestickeren van de buitenkant van cryogene gastanks. Daarvoor maakt zij gebruik van autohoogwerkers.
3.2.
HCN houdt zich onder meer bezig met de verkoop, reparatie, service en het onderhoud van autohoogwerkers.
3.3.
In juni 2022 heeft Tankcleaning van HCN een autohoogwerker gekocht (hierna: de koopovereenkomst). Het betreft een autohoogwerker die is gebouwd in 2019 en die een bereik van 31 meter hoog en een zijwaarts bereik van 17 meter heeft. De koopprijs bedroeg € 189.970,- inclusief btw. Op 20 juni 2022 heeft Tankcleaning daartoe de orderbevestiging van HCN van 16 juni 2022 ondertekend. Daarin zijn de algemene voorwaarden van HCN van toepassing verklaard.
3.4.
Tankcleaning heeft eveneens op 20 juni 2022 een leaseovereenkomst met ING Lease gesloten (hierna: de leaseovereenkomst). Tankcleaning heeft daarbij haar rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst aan ING Lease overgedragen – dan wel een deel daarvan; daarover bestaat tussen partijen discussie – en ING Lease heeft de autohoogwerker aan Tankcleaning in huurkoop gegeven. ING Lease heeft HCN door middel van een formulier “mededeling leverancier” van 23 juni 2022 over deze contractsoverneming geïnformeerd. HCN heeft van haar instemming hiermee blijk gegeven door haar factuur van 28 juni 2022 aan ING Lease.
3.5.
ING Lease heeft de koopprijs aan HCN betaald. De autohoogwerker is vervolgens op 29 juli 2022 afgeleverd.
3.6.
HCN heeft aan Tankcleaning een
CE declaration of conformityverstrekt van CO.ME.T. Officine S.P.A. (hierna: CO.ME.T.), de fabrikant van de hoogwerker.
3.7.
Na ingebruikname daarvan heeft Tankcleaning meermaals bij HCN geklaagd over verschillende problemen met de autohoogwerker en de machine bij HCN gebracht, die daaraan werkzaamheden heeft verricht. Tankcleaning en ING Lease hebben HCN gesommeerd de gebreken die de autohoogwerker volgens hen heeft, te herstellen.

4.Het geschil

4.1.
Tankcleaning c.s. vorderen, na eiswijziging, – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is ontbonden althans deze te
ontbinden;
ii. HCN te veroordelen tot terugbetaling aan ING Lease van de koopsom van € 189.970,- (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 althans vanaf de vonnisdatum;
iii. HCN te veroordelen tot betaling aan Tankcleaning althans ING Lease van € 75.504,77 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
iv. HCN te veroordelen tot vergoeding aan Tankcleaning althans ING Lease van alle rente die Tankcleaning aan ING Lease heeft betaald en zal moeten betalen uit hoofde van de leaseovereenkomst;
v. HCN te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten:
- van € 2.674,70 aan ING Lease;
- van € 1.522,68 aan Tankcleaning;
vi. HCN te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnisdatum.
4.2.
Tankcleaning c.s. leggen – samengevat – het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. Van het begin af aan heeft de autohoogwerker verschillende gebreken: de knikarm zakt in bepaalde situaties plotseling, waardoor het hoogwerkerbakje een onverwachte valbeweging maakt en de machine heeft diverse storingen gehad. Daarnaast is de verstrekte EU-conformiteitsverklaring ongeldig. Door die gebreken beantwoordt de autohoogwerker niet aan de koopovereenkomst (is non-conform), nu die daardoor niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn. De autohoogwerker is immers ernstig gebrekkig, onveilig en kan niet worden gebruikt. Bovendien heeft HCN de op haar rustende garantieverplichtingen geschonden door niet op eerste verzoek de defecten aan de autohoogwerker te verhelpen. Tankcleaning heeft de autohoogwerker nauwelijks kunnen gebruiken en lijdt daardoor aanzienlijke schade.
4.3.
HCN voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met (hoofdelijke) veroordeling van Tankcleaning c.s., bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Positie van partijen
5.1.
Er heeft contractsoverneming plaatsgevonden; ING Lease heeft rechten en verplichtingen van Tankcleaning uit hoofde van de koopovereenkomst van haar overgenomen. Tussen partijen bestaat discussie over het antwoord op de vraag of dit alle rechten en verplichtingen betreft, meer specifiek of ook een eventuele vordering tot schadevergoeding is overgegaan op ING Lease. De beslissing hierover wordt, indien nodig, op een later moment genomen. Hierna zal vooralsnog worden gesproken over Tankcleaning c.s., in meervoud, waar Tankcleaning en ING Lease zich op dezelfde stellingen beroepen.
Moet de koopovereenkomst worden ontbonden?
5.2.
De eerste vraag die voorligt is of de koopovereenkomst moet worden ontbonden. Niet ter discussie staat dat ING Lease de partij is die als gevolg van de contractsoverneming het eventuele beroep op ontbinding toekomt. ING Lease heeft ter zitting aangegeven dat zij de koopovereenkomst niet buitengerechtelijk heeft ontbonden, zodat de daarop gerichte gevorderde verklaring voor recht in elk geval niet toewijsbaar is. Beoordeeld moet worden of er een grond is voor ontbinding door een uitspraak van de rechtbank.
Is sprake van non-conformiteit?
5.3.
De eerste grondslag die ING Lease aanvoert is non-conformiteit.
5.4.
Bij koop geldt dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden (zie artikel 7:17 lid 1 BW Pro). De zaak doet dat niet als zij, mede gelet op haar aard en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen (artikel 7:17 lid 2 BW Pro). Beoordeeld moet dus worden of de autohoogwerker gebreken vertoont die een normaal gebruik daarvan in de weg staan.
Valbeweging
5.5.
Tankcleaning c.s. stellen allereerst dat de autohoogwerker vanaf het begin af aan een defect heeft waardoor de knikarm in bepaalde situaties plotseling ongecontroleerd zakt, met als gevolg dat het hoogwerkerbakje een (forse) beweging omlaag c.q. een vrije val van soms wel 1 of 2 meter maakt. Die valbeweging wordt veroorzaakt door het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de knikarm of door het inzakken van de raiser hefcilinder (met 7 mm) tijdens het zakken met de knikarm in een bepaalde stand. Dit levert gevaarlijke situaties en een onveilig gevoel op bij de medewerker in het hoogwerkerbakje. De valbewegingen vinden steeds onverwachts en soms op grote hoogte plaats in de buurt van gevaarlijke industriële gasinstallaties en kunnen ernstige fysieke verwondingen en/of schade aan de tankinstallatie tot gevolg hebben, met gevaar voor explosie, brand en bedwelming. Door dit gebrek voldoet de hoogwerker niet aan de daaraan gestelde veiligheidseisen: op grond van artikel 5.7.1 van NEN-EN 280 (2015) mag de machine immers geen beweging maken zonder dat die wordt bediend en volgens artikel 5.7.6 moeten de hydraulisch of elektrisch bediende ventielen er voor zorgen dat de beweging stopt bij het wegvallen van de stuurdruk of -spanning. De autohoogwerker is hierop afgekeurd en mag van de Arbeidsinspectie niet worden gebruikt. Door dit ernstige veiligheidsgebrek bezit de autohoogwerker niet die eigenschappen die voor het normaal gebruik daarvan nodig zijn, zo stellen Tankcleaning c.s.
5.6.
Ter onderbouwing van hun stellingen hebben Tankcleaning c.s. de volgende stukken overgelegd:
  • e-mailverslagen van 24 oktober 2022 en 5 november 2022 (met bijlagen) van mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), een medewerkster van Tankcleaning die de autohoogwerker gebruikte, waarin zij onder andere schrijft dat de autohoogwerker op 4 augustus, 19 augustus en 21 oktober 2022 een valbeweging maakte;
  • een video met, volgens Tankcleaning c.s., “een demonstratie van een dergelijke plotselinge valbeweging”, waarop te zien is dat de arm van de hoogwerker en het bakje tijdens het zakken op enig moment een schokkende neergaande beweging maken;
  • een rapport en twee verklaringen (producties 14, 20 en 46 van Tankcleaning c.s.) van de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van BSE Ymond B.V., een door Tankcleaning ingeschakelde deskundige die de autohoogwerker heeft onderzocht;
  • een rapport en een verklaring (producties 30 en 45 van Tankcleaning c.s.) van de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van CERTIFER HHC/DRS B.V., een door Tankcleaning ingeschakelde deskundige die de autohoogwerker in januari 2023 heeft geïnspecteerd;
  • (andere) stukken waaruit volgens Tankcleaning c.s. zou blijken dat medewerkers van HCN de gestelde valbeweging zelf hebben gezien c.q. HCN het gebrek heeft erkend, waaronder een verklaring van de heer [naam 4] , destijds werkzaam bij HCN;
  • de norm NEN-EN 280 uit 2015.
5.7.
HCN betwist allereerst het bestaan van het gestelde gebrek.
Volgens haar is een vrije val technisch onmogelijk. Dit betreft hooguit een gevoelsbeleving van [naam 1] . Bij hoogwerkers met dit bereik is altijd enige speling op de arm voelbaar en die flexibiliteit is ook vereist. Dat is niet onverwacht. Als er al een speling is van 7 mm, leidt dat volgens [naam 2] tot een beweging van 10 cm en dus niet van 0,5 meter of meer. Dit alles valt binnen de norm. [naam 2] en [naam 3] hebben ook geen dergelijke vrije val geconstateerd.
HCN vraagt zich af of het filmpje geënsceneerd is en betwist de juistheid van de bevindingen en de onafhankelijkheid en deskundigheid van [naam 2] en [naam 3] . Hun conclusies verschillen ook. Het lijkt er, mede gelet op het rapport van [naam 2] , op dat het veiligheidsventiel tijdens hun onderzoek niet ingeschakeld was. Dan schakelt de machine over op de noodbediening en werken diverse functies niet meer, zoals het controlesysteem van de belasting in de bak, wat mogelijk onvoorspelbare resultaten geeft. Voordat de hoogwerker weer normaal kan worden gebruikt, moet de werking van het controlesysteem gereset worden door de fabrikant of een erkend servicecentrum, zo staat in de ‘nooddaal-instructie’ in de handleiding. Ook uit het verslag van [naam 1] blijkt dat het veiligheidsventiel meermaals is geopend en niet goed afgesloten. Het lijkt dus te gaan om een gebruikersfout.
De heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), een door HCN ingeschakelde deskundige, heeft de autohoogwerker in december 2022 getest op werking en veiligheid en niets noemenswaardigs gevonden. Volgens hem moet de valbeweging per definitie een trigger hebben en dus in gang zijn gezet door een handeling van de operator, oftewel: zijn veroorzaakt door de bediening van de hoogwerker.
HCN heeft het gebrek niet erkend of de vrije val ervaren, maar de meldingen van Tankcleaning hierover wel steeds uiterst serieus genomen. De keren dat Tankcleaning de machine bij HCN heeft gebracht heeft zij die uitvoerig getest, preventief bepaalde kleine onderdelen vervangen, alles doorgemeten en gecontroleerd, opnieuw gekeurd en heeft zij deskundigen hierbij betrokken. Zij heeft echter niets onregelmatigs aan de machine ontdekt. Wanneer HCN de autohoogwerker teruggaf aan Tankcleaning voldeed die aan alle voorschriften, was die veilig en volledig inzetbaar.
HCN betwist daarnaast dat het gestelde gebrek bij aflevering bestond.
HCN betwist tot slot dat de autohoogwerker hierop is afgekeurd en van de Arbeidsinspectie niet mag worden gebruikt.
5.8.
HCN heeft ter onderbouwing van haar betwistingen keuringsrapporten van 28 juli 2022 en van 21 januari 2022 overgelegd, een e-mail van [naam 5] van 12 november 2024 en zijn factuur van 15 december 2022 en de nooddaal-instructie uit de handleiding.
5.9.
In reactie hierop betwisten Tankcleaning c.s. dat sprake is van een gebruikersfout en dat tijdens het onderzoek het veiligheidsventiel was uitgeschakeld. In dat kader verwijzen zij (onder meer) naar voornoemde verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Het betreft een probleem in de techniek en hydrauliek. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat toen zij de valbeweging ervoer eerst de valbeweging plaatsvond, vervolgens de bovenbediening in storing kwam en daarna het veiligheidsventiel is opengezet (op advies van HCN, zonder haar terug te roepen voor een reset).
Op hun beurt plaatsen Tankcleaning c.s. kanttekeningen bij het onderzoek door [naam 5] . Volgens Tankcleaning c.s. zegt de goedkeuring van de machine bij aflevering niets over het gebrek. Het gebrek manifesteert zich volgens [naam 2] slechts bij bepaalde handelingen, wat verklaart dat het toen niet direct zichtbaar was.
5.10.
Omdat Tankcleaning c.s. zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun standpunt dat – kort gezegd – de autohoogwerker sinds de aflevering een gebrek heeft waardoor de knikarm plotselinge valbewegingen maakt, daardoor niet voldoet aan de daarvoor geldende veiligheidseisen en van de Arbeidsinspectie niet mag worden gebruikt, rusten op hen de stelplicht en bewijslast voor dat standpunt (artikel 150 Rv Pro).
5.11.
Hoewel Tankcleaning c.s. dat onderscheid niet hebben gemaakt in hun stukken en [naam 3] en [naam 2] daarover ook niet volledig duidelijk zijn, moeten – naar de rechtbank begrijpt – volgens de verklaring van [naam 2] (productie 46 van Tankcleaning c.s.) twee soorten bewegingen worden onderscheiden. De eerste is de hierna te noemen ‘7 mm-beweging’, die [naam 3] in zijn rapport (productie 30 van Tankcleaning c.s.) beschrijft:
“Tijdens het zakken met de telemast onder een bepaalde minimale hoek, zakt de raiser hefcilinder 7 mm in, wat tot een ongewenste en onverwachte beweging van de gehele bovenbouw leidt”.
Volgens [naam 2] zakt de werkbak hierdoor “meer dan ca. 10 cm” en volgens [naam 3] “komt de telemast waaraan de werkbak is gemonteerd, en zeker indien volledig uitgeschoven, een behoorlijk eind naar beneden”. Volgens Tankcleaning c.s. is deze beweging op het door hen overgelegde filmpje zichtbaar.
De tweede is de hierna te noemen ‘(grotere) valbeweging’, die blijkens het rapport van [naam 2] (productie 20 van Tankcleaning c.s.) plaatsvindt als de spanning van het voorwaardeventiel van de schaarmast wegvalt, welke situatie zich kan voordoen als (1) dat ventiel wordt uitgeschakeld door de besturing, (2) als de spanning wegvalt door een storing of (3) als de spanning te laag wordt door een storing of fout. In zijn verklaring schrijft [naam 2] hierover:
“Naast de valbeweging die ik hiervoor noemde onder punt 5 ontstond de valbeweging ook in een andere situatie. Namelijk bij een te groot spanningsverlies tussen het chassis en de hoogwerker. Ik verwijs naar mijn rapport van 23 november 2022 pagina 1 en 2 (situatie 3). HCN heeft hiervoor aanpassingen gedaan nadat [naam 6] 2m naar beneden is gevallen aan het elektrische systeem omdat de spanningsval vanaf de onderwagen naar de hoogwerker te groot was. Dit doormiddel van een extra draad te trekken en een relais de plaatsen. Door een te grote spanningsval kan het veiligheidsventiel spontaan afvallen. Dat is waarschijnlijk gebeurd toen [naam 6] zonder iets te bedienen 2m naar beneden viel. Tijdens ons onderzoek hebben we nog steeds een spanningsverschil geconstateerd van 3V tussen chassis en hoogwerker. Er bestaat nu nog steeds de kans dat het veiligheidsventiel afvalt bij een iets te lage accuspanning”.
In zijn rapport schreef [naam 2] destijds:
“Situatie 3 is tijdens het testen niet geconstateerd. Wel valt op dat de elektrische spanning op het ventiel maar 9 V is. Terwijl de hoofdspanning 12V is, en als de motor draait is de hoofdspanning zelfs 14 V. Dan is 9 V op een ventiel erg laag en is het aannemelijk dat het ventiel uitvalt als de spanning nog iets lager wordt (bijvoorbeeld als de motor uit gaat, of als er een andere verbruiker ingeschakeld wordt)”.
Tankcleaning c.s. hebben dit onderscheid ter zitting bevestigd.
5.12.
Op basis van alles wat Tankcleaning c.s. tot nu toe hebben aangevoerd en met stukken hebben onderbouwd, acht de rechtbank voorshands bewezen dat:
(1) de autohoogwerker de volgende gebreken vertoont:
- de onder 5.11 genoemde 7 mm-beweging maakt;
- als gevolg van het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast een grotere valbeweging maakt;
(2) deze gebreken al bij aflevering op 29 juli 2022 aanwezig waren;
(3) de autohoogwerker daardoor niet voldoet aan de daaraan gestelde veiligheidseisen uit de norm NEN-EN 280 (2015).
HCN heeft die stellingen wel uitvoerig betwist, maar die betwisting heeft in dit stadium nog onvoldoende handen en voeten gekregen.
5.13.
Gelet op het door haar gedane bewijsaanbod laat de rechtbank HCN toe, op de voet van artikel 151 lid 2 Rv Pro, tegenbewijs te leveren tegen de in 5.12 voorshands bewezen geachte stellingen. Voor het leveren van tegenbewijs door HCN is voldoende dat zij de voorshands bewezenverklaring ontzenuwt; zij hoeft geen bewijs van het tegendeel of van haar eigen lezing van de feiten te leveren.
5.14.
De meest aangewezen vorm om in dit tegenbewijs te voorzien is een onderzoek van de autohoogwerker door een deskundige. De rechtbank neemt zich voor om een deskundige te benoemen om dit onderzoek te verrichten. Op dit voornemen wordt verderop in dit vonnis nader ingegaan.
5.15.
Indien HCN niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, komen voornoemde stellingen vast te staan en is de rechtbank van oordeel dat sprake is van non-conformiteit en wordt de koopovereenkomst ontbonden. Naar het oordeel van de rechtbank staan die gebreken, als de machine daardoor niet aan de veiligheidseisen voldoet, aan het normaal gebruik daarvan in de weg en rechtvaardigen die in elk geval samen de ontbinding van de koopovereenkomst. Er is sprake van verzuim, nu HCN (onder verwijzing naar de deskundigenrapporten) door Tankcleaning en ING Lease in gebreke is gesteld om deze gebreken te herstellen. Hoewel ING Lease in dit geval de schuldeiser is, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden dat Tankcleaning de contacten met HCN onderhield en ING Lease haar daartoe blijkens artikel 10 van Pro haar productvoorwaarden heeft gemachtigd, Tankcleaning HCN rechtsgeldig in gebreke heeft kunnen stellen. [1] Uit de door HCN op 2 maart 2023 gestuurde reactie op de ingebrekestelling van ING Lease kan worden afgeleid dat HCN de betreffende gebreken niet zou herstellen, zodat HCN Tankcleaning c.s. niet kan tegenwerpen dat zij de autohoogwerker vervolgens niet (opnieuw) bij HCN ter reparatie hebben aangeboden.
5.16.
Als HCN wel slaagt in het leveren van tegenbewijs dan is de volgende vraag of er voldoende bewijs is voor de stellingen van Tankcleaning c.s. Is dat het geval, dan is de vordering tot ontbinding toewijsbaar. Is dat niet het geval, dan is die vordering op deze (feitelijke) grondslag niet toewijsbaar.
5.17.
Als slechts de stellingen ten aanzien van één voornoemde gebreken komen vast te staan, zal de rechtbank aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen of dat gebrek – al dan niet in combinatie met eventuele andere gebreken – de ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt.
5.18.
Niet is komen vast te staan dat de autohoogwerker van de Arbeidsinspectie niet mag worden gebruikt (vanwege het gestelde technische gebrek). Gelet op de betwisting daarvan door HCN had het op de weg van Tankcleaning c.s. gelegen om deze stelling te onderbouwen, maar dat hebben zij nagelaten. Dat doet echter niet af aan wat hiervoor is overwogen.
Diverse storingen
5.19.
Tankcleaning c.s. stellen daarnaast dat de autohoogwerker vanaf 3 augustus 2022 diverse storingen heeft gehad, waaronder dat de bovenbediening meerdere keren niet meer werkte, waardoor [naam 1] kwam vast te zitten. Vaststaat dat Tankcleaning zich meermaals tot HCN heeft gewend met ‘problemen’ met de autohoogwerker en dat HCN reparaties heeft uitgevoerd om die op te lossen. Los van de vraag of dit gebreken betreft, leidt de rechtbank uit de processtukken van Tankcleaning c.s. en uit wat zij ter zitting hebben verklaard af dat die problemen volgens hen zijn opgelost met uitzondering van de hiervoor besproken valbeweging. Dit levert dus geen grond voor ontbinding van de koopovereenkomst op.
Ongeldige EU-conformiteitsverklaring
5.20.
Tankcleaning c.s. stellen tot slot dat de afgegeven EU-conformiteitsverklaring ongeldig is en dat ook daarom sprake is van non-conformiteit. Daartoe voeren zij – samengevat – het volgende aan. Op grond van de Richtlijn 2006/42/EG (hierna: de Machinerichtlijn) moest voor de autohoogwerker een geldige EU-conformiteitsverklaring worden afgegeven. Daaruit moet blijken dat de juiste certificeringsprocedure is gevolgd om te beoordelen of de machine is gebouwd conform de gezond- en veiligheidseisen. Blijkens de afgegeven verklaring is alleen getoetst aan de stabiliteitseisen uit de geharmoniseerde norm NEN-EN 280 (en dus niet aan die gehele norm) en is alleen een interne beoordelingsprocedure gevolgd. Op grond van artikel 12 lid 4 van Pro de Machinerichtlijn had in dat geval echter een ‘notified body’ moeten worden ingeschakeld, die blijkens bijlage II van de Machinerichtlijn op die verklaring moet worden vermeld. Tankcleaning kan en mag de autohoogwerker door het ontbreken van een geldige EU-conformiteitsverklaring niet gebruiken. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet Tankcleaning beschikken over een geldige en volwaardige EU-conformiteitsverklaring. Zonder die verklaring kan zij niet aantonen dat de machine aan de veiligheidseisen voldoet. Gebruikt zij de autohoogwerker wel, dan levert dit een beboetbaar feit op (op grond van artikel 9.9b lid 1onder g van Arbeidsomstandighedenbesluit) en riskeert Tankcleaning aansprakelijkheid, het ontbreken van verzekeringsdekking en imagoschade bij een veiligheidsincident. Het niet voldoen aan geldende regelgeving staat aan het normaal gebruik van de autohoogwerker in de weg, zo stellen Tankcleaning c.s.
5.21.
HCN betwist dat de ‘CE-verklaring’ ongeldig is. De autohoogwerker is ontworpen en gebouwd overeenkomstig geharmoniseerde normen die alle relevante veiligheids- en gezondheidseisen dekken. CO.ME.T. mocht dus op grond van artikel 12 lid 3 onder Pro a van de Machinerichtlijn volstaan met een interne controle en het werken met een notified body was dus niet verplicht, aldus HCN.
5.22.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat discussie over hoe de door Tankcleaning c.s. als productie 4B overgelegde verklaring moet worden aangemerkt. Naar de rechtbank begrijpt bedoelen Tankcleaning c.s. met ‘EU-conformiteitsverklaring’ de EG-verklaring van overeenstemming zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 onder Pro e van de Machinerichtlijn. Gelet op de titel “CE declaration of conformity” en de tekst van de overgelegde verklaring in het licht van bijlage II van de Machinerichtlijn, gaat de rechtbank er van uit dat het een dergelijke verklaring betreft. Niet gebleken is dat HCN met de termen ‘CE-certificaat’ of ‘CE-verklaring’ iets anders bedoelt.
In de overgelegde verklaring staat, voor zover van belang: “COMPLIES TO STABILITY REQUIREMENTS OF THE FOLLOWING ARMONIZED [Harmonised, toevoeging Rb.] REGULATIONS: EN 280:2015”. Voor zover de rechtbank kan beoordelen is daarop geen melding gemaakt van een notified body. Dat had blijkens bijlage II onder A, punt 5 en 6 van de Machinerichtlijn wel gemoeten als daarvan gebruik is gemaakt. Het voert echter te ver om al op basis hiervan aan te nemen dat slechts aan de stabiliteitseisen uit de norm NEN-EN 280 is getoetst, geen notified body is ingeschakeld en dus niet aan de eisen uit de Machinerichtlijn is voldaan. Er bestaat ook een mogelijkheid dat wel is voldaan aan de eisen uit de Machinerichtlijn, maar dat de verklaring niet correct is opgesteld. Naar de rechtbank begrijpt zal dat uit het technisch dossier van CO.ME.T. moeten blijken, maar dat is in deze procedure niet voorhanden.
Als vast komt te staan dat de verklaring niet voldoet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van non-conformiteit. Tankcleaning c.s. kunnen daarmee dan logischerwijs niet aantonen dat de machine is gebouwd in overeenstemming met en voldoet aan de veiligheidseisen, wat aan een normaal gebruik van de machine in de weg staat.
De vraag is dan of het gebrek de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. In dat kader acht de rechtbank van belang of, en zo ja, hoe dat gebrek kan worden hersteld. Tankcleaning c.s. lijken zich op het standpunt te stellen dat herstel mogelijk is, maar geven niet precies aan hoe; de door Tankcleaning ingeschakelde deskundigen hebben zich hierover niet uitgelaten. Vanwege deze onduidelijkheid kan de rechtbank hierover nu geen beslissing nemen en acht zij het noodzakelijk om hierover vragen te stellen aan een deskundige. Hier wordt onder het kopje ‘Voorgenomen deskundigenonderzoek’ verder op ingegaan.
Schending garantieverplichtingen
5.23.
De tweede grondslag die ING Lease voor ontbinding van de koopovereenkomst aanvoert is schending van de overeengekomen garantieverplichtingen.
5.24.
Tankcleaning c.s. stellen daartoe – kort gezegd – dat HCN niet op eerste verzoek de defecten aan de hoogwerker heeft verholpen, terwijl zij daartoe op grond van artikel 13 van Pro haar algemene voorwaarden wel verplicht was. De machine is nog steeds defect.
5.25.
Artikel 13 van Pro de van toepassing zijnde algemene voorwaarden luidt als volgt:
13. Garantie
13.1
De garantie dekt onderdelen en arbeidsuren voor een periode van 12 maanden of voor een afwijkende periode zoals vermeld in de orderbevestiging.
13.2
Verkoper garandeert wanneer een machine defect raakt binnen de afgesproken garantie periode het onderdeel, component of materiaal zal worden vervangen zonder kosten. Koper moet het geleverde product zelf aanbieden bij verkoper op de locatie van verkoper in Groot-Ammers.
13.3
Het product mag niet misbruikt of gemodificeerd zijn en moet regelmatig onderhouden zijn. De jaarlijkse keuring dient uitgevoerd te zijn door verkoper of door verkoper aangestelde dealer.
13.4
Defecten door toedoen van ondeskundig gebruik of niet ondersteunde modificatie vallen niet onder garantie.
13.5
Ondeskundig of slecht uitgevoerd onderhoud of reparaties, voor zover niet onder regie van verkoper uitgevoerd, vallen niet onder de garantie. Hierdoor veroorzaakte defecten aan machine of onderdelen vallen eveneens niet onder de garantie.
13.6
De garantie dekt alle constructieve, mechanische, hydraulische en elektrische onderdelen met uitzondering van slijtdelen en de volgende onderdelen: Zekeringen, remschoenen, wiellagers, velgen, banden, neuswiel, trekkoppeling, handrem, deksels, kabels, rupsen, glijblokken, stickers, luchtfilters, oliefilters, brandstoffilters, verlichting en accu's.
13.7
Verkoper is niet aansprakelijk voor enige vervolg schade verband houdende met de garantie aanvraag. Garantieaanvragen worden discreet door verkoper behandeld.”
5.26.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens Tankcleaning c.s. zijn de andere door haar gestelde storingen dan de valbeweging verholpen (zie overweging 5.19), zodat eventuele garantieschendingen ten aanzien van die storingen niet tot ontbinding van de koopovereenkomst kunnen leiden. Voor wat betreft de gestelde valbeweging staat (nog) niet vast of sprake is van een defect en of reparatie van dat defect onder de garantieverplichting valt (zie onder het kopje ‘Valbeweging’). Pas na de bewijsvoering in dat kader zal daarover meer duidelijkheid bestaan.
Voorgenomen deskundigenonderzoek
5.27.
De rechtbank is voornemens een onderzoek door een deskundige in te laten stellen, waarbij de deskundige de autohoogwerker zal onderzoeken op de 7 mm-beweging en de (grotere) valbeweging zoals bedoeld onder 5.11 en de EU-conformiteitsverklaring op haar geldigheid. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
- het aantal en de persoon/personen van de te benoemen deskundige(n);
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.
5.28.
Partijen hebben zich op verzoek van de rechtbank al op voorhand uitgelaten over de eventueel te benoemen deskundige. Tankcleaning c.s. hebben [naam 7] van TÜV Nederland voorgesteld. HCN heeft daartegen bezwaar gemaakt vanwege de betrokkenheid van TÜV Nederland bij de hoogwerker; Tankcleaning had op 16 december 2022 aangegeven de hoogwerker te laten keuren door TÜV Nederland en die deskundige is ook benaderd in de verzoekschriftprocedure om een voorlopig deskundigenbericht.
HCN stelt voor om TÜV Duitsland als deskundige in te schakelen, bij voorkeur een deskundige die de Nederlandse taal machtig is. Tankcleaning c.s. hebben nog niet de mogelijkheid gehad om op dit voorstel te reageren. Daarvoor krijgen zij nog de gelegenheid. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van (auto)hoogwerkers.
5.29.
Partijen hebben zich al uitgelaten over de te stellen vragen met betrekking tot dit onderwerp en zijn het daarover eens. De rechtbank ziet echter, gelet op het hiervoor overwogene, aanleiding om specifiekere vragen te stellen en stelt in dat kader de volgende vragen voor:
Ten aanzien van de gestelde 7 mm-beweging:
Constateert u de onder 5.11 genoemde ‘7 mm-beweging’ bij normale bediening/normaal gebruik van de hoogwerker?
Zo ja:
a) Kunt u een beschrijving geven van wat er dan gebeurt?
b) Hoever zakt/kan het hoogwerkerbakje hierdoor naar beneden zakken?
c) Wat is de oorzaak van deze beweging?
d) Is een dergelijke beweging toelaatbaar onder de norm NEN-EN 280 uit 2015?
e) Staat dit ‘gebrek’ volgens u aan een normaal gebruik van de hoogwerker in de weg? Waarom wel/niet?
f) Acht u het aannemelijk dat dit ‘gebrek’ al bij de aflevering van de machine op 29 juli 2022 aanwezig was of is dat mogelijk later ontstaan?
Graag uw antwoord toelichten.
g) Kan dit ‘gebrek’ worden hersteld? Zo ja, kunt u een inschatting geven van de herstelkosten daarvan?
3. Als het antwoord op vraag 1 ‘nee’ luidt: Is het mogelijk dat een dergelijke beweging in het verleden wel heeft plaatsgevonden als gevolg van onjuiste bediening of het uitschakelen het veiligheidsventiel?
Ten aanzien van de gestelde grotere valbeweging:
4. Constateert u de onder genoemde 5.11 ‘grotere valbeweging’ bij normale bediening/normaal gebruik?
5. Zo ja:
a) In welke situatie(s)?
b) Kunt u een beschrijving geven van wat er dan gebeurt?
c) Hoever zakt/kan het hoogwerkerbakje hierdoor naar beneden zakken?
d) Wat is hiervan de oorzaak? Kan dit zijn veroorzaakt door het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast?
e) Is een dergelijke beweging toelaatbaar onder de norm NEN-EN 280 uit 2015?
f) Staat dit ‘gebrek’ volgens u aan een normaal gebruik van de hoogwerker in de weg? Waarom wel/niet?
g) Acht u het aannemelijk dat dit ‘gebrek’ al bij de aflevering van de machine op 29 juli 2022 aanwezig was of is dat mogelijk later ontstaan?
Graag uw antwoord toelichten.
h) Kan dit ‘gebrek’ worden hersteld? Zo ja, kunt u een inschatting geven van de herstelkosten daarvan?
6. Als het antwoord op vraag 1 ‘nee’ is:
a) Is het mogelijk dat een dergelijke beweging in het verleden wel heeft plaatsgevonden?
b) Zo ja: Welke oorzaak/oorzaken kan dat hebben? Kan dit zijn veroorzaakt door het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast? Of door onjuiste bediening of het uitschakelen het veiligheidsventiel? Hoe waarschijnlijk acht u elk van die oorzaken?
c) Heeft u tijdens het testen van de hoogwerker een (te) lage spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast gemeten?
Ten aanzien van de EG-verklaring van overeenstemming:
7. Is voor de hoogwerker, blijkens het technisch dossier daarvan, de juiste certificeringsprocedure gevolgd zoals bedoeld in artikel 12 van Pro de Machinerichtlijn? Waarom wel/niet? De rechtbank verzoekt u om bij de beantwoording van deze vraag de antwoorden op de volgende vragen te betrekken:
a) Is de hoogwerker, blijkens het technisch dossier daarvan, volledig gebouwd volgens de NEN-EN 280-norm uit 2015 of alleen volgens de stabiliteitseisen uit die norm?
b) Is de hoogwerker, blijkens het technisch dossier daarvan,
vollediggebouwd volgens geharmoniseerde normen die
allerelevante essentiële gezondheids- en veiligheidseisen dekken (zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 van Pro de Machinerichtlijn)?
c) Heeft er, blijkens het technisch dossier van de hoogwerker, (alleen) een interne beoordelingsprocedure plaatsgevonden of is er (ook) een notified body ingeschakeld?
8. Als niet de juiste certificeringsprocedure is gevolgd: Kan dit nog worden hersteld, en zo ja: Hoe? Wie kan dit laten doen? Hoe moeilijk/eenvoudig is dat? Hoeveel kost dat?
9. Als wel de juiste certificeringsprocedure is gevolgd: Klopt de tekst van de verstrekte EG-verklaring van overeenstemming, gelet op het technische dossier (meer specifiek conform welke normen is gebouwd en of een notified body is ingeschakeld)?
10. Voldoet de verstrekte EG-verklaring van overeenstemming aan de eisen uit bijlage II van de Machinerichtlijn?
11. Als de verstrekte EG-verklaring van overeenstemming niet klopt of niet voldoet: Kan dit nog worden hersteld, en zo ja: Hoe? Wie kan dit laten doen? Hoe moeilijk/eenvoudig is dat? Hoeveel kost dat?
Ten aanzien van alle bovengenoemde onderwerpen:
12. Zijn er andere zaken die u naar aanleiding van de stukken en informatie waarover u komt te beschikken, zou willen delen?
Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over deze conceptvragen.
5.30.
Het uitgangspunt is dat de eisende partij met het voorschot op de kosten van de deskundige wordt belast (artikel 195 Rv Pro (oud)). [2] In de omstandigheid dat HCN een tegenbewijsopdracht heeft gekregen met betrekking tot de door Tankcleaning c.s. gestelde bewegingen van de hoogwerker, ziet de rechtbank echter aanleiding om te bepalen dat HCN het voorschot moet betalen. Nu de discussie over de gestelde bewegingen de kern vormt van deze procedure en naar inschatting van de rechtbank het hoofdbestanddeel zal vormen van het werk van de deskundige, zal HCN worden belast met het voorschot voor het hele onderzoek, inclusief het deel dat betrekking heeft op de EU-conformiteitsverklaring.
De rechter heeft op de zitting partijen gevraagd zich bij akte uit te laten over het voor hen maximaal aanvaardbare voorschot met daarbij de vermelding dat als de begroting van de aangezochte deskundige hoger is dan dat bedrag, er van wordt uitgegaan dat wordt afgezien van het inschakelen van een deskundige. Als maximumbedrag hebben Tankcleaning c.s.
€ 15.000,- genoemd en HCN € 40.000,- exclusief btw. Zoals ter zitting toegezegd, zal de rechtbank partijen nog wel de mogelijkheid geven zich uit te laten over het voorschot van een aangezochte deskundige als dat hoger is dan € 15.000,-. Indien een partij vanwege de hoogte van het voorschot niet wenst dat het deskundigenbericht wordt uitgevoerd, neemt de rechtbank om die reden aan dat die partij haar te onderzoeken stellingen niet langer handhaaft en in zoverre ongelijk zal krijgen.
5.31.
HCN wijst er op dat de hoogwerker in de huidige staat niet onderzocht kan worden, omdat de machine al een aantal jaar stilstaat, en de autohoogwerker dus eerst gekeurd en gebruiksklaar moeten worden gemaakt door een daartoe gecertificeerde partij. Tankcleaning c.s. hebben het voorgaande niet betwist. Tankcleaning heeft ter zitting ook aangegeven dat zij de machine in conditie heeft gehouden, maar niet weet of die nog werkt.
Omdat de autohoogwerker moet worden onderzocht in het kader van de tegenbewijsopdracht van HCN, zal worden bepaald dat HCN er – voor haar rekening – voor moet zorgen dat de autohoogwerker gereed is om te worden onderzocht op de gestelde gebreken. Dit mag echter slechts na overleg en op aanwijzing van de deskundige plaatsvinden. Tankcleaning zal hieraan haar medewerking moeten verlenen. De kosten hiervan zullen worden aangemerkt als onderdeel van de kosten van het deskundigenonderzoek.
5.32.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
5.33.
Tankcleaning c.s. verzoeken de rechtbank om HCN te verplichten het technisch dossier van de hoogwerker zoals bedoeld in Bijlage VII van de Machinerichtlijn, in zijn oorspronkelijke staat zoals opgesteld in 2019, voorafgaand aan het aanstellen van een deskundige ter beschikking te stellen. Volgens HCN is die informatie niet in haar bezit, maar in bezit van de fabrikant van de hoogwerker. De rechtbank is van oordeel dat Tankcleaning c.s. dat dossier zelf bij CO.ME.T. moeten opvragen. Er bestaat geen grondslag op basis waarvan HCN daartoe kan worden verplicht.
5.34.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten zoals bedoeld onder 5.27 tot en met 5.29. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
5.35.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Als de rechtbank de gevorderde ontbinding (vordering i) afwijst, worden ook alle overige vorderingen van Tankcleaning c.s. afgewezen. Als de rechtbank de gevorderde ontbinding echter toewijst, zal de rechtbank zich ook nog moeten buigen over:
- welke gevolgen die ontbinding heeft (vordering ii);
- diverse vragen in het kader van de schadevergoedingsvordering (vordering iii): of ING Lease of Tankcleaning eventueel recht heeft op schadevergoeding en op welke grondslag, of, welke en hoeveel schade is geleden en of het exoneratiebeding aan vergoeding van eventuele gevolgschade in de weg staat;
- de vraag of HCN de rente in het kader van de leaseovereenkomst moet vergoeden (vordering iv);
- de vorderingen v en vi tot vergoeding van BIK en proceskosten.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 4 maart 2026voor het nemen van een akte door beide partijen zoals hiervoor aangegeven onder 5.34;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op
4 februari 2026.3726 / 1694

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2014:3593, r.o. 4.3.2.
2.Gelet op de datum van dagvaarding is hier het recht dat gold vóór 1 januari 2025 van toepassing (artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht).