ECLI:NL:RBROT:2026:1967

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11600524 CV EXPL 25-6403
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:269 lid 1 BWArt. 7:269 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst en betaling huurachterstand na onderhuur zonder toestemming

Eiseres verhuurde een woning aan persoon A, die deze zonder toestemming onderverhuurde aan gedaagde. Na opzegging van de hoofdhuurovereenkomst door persoon A trad eiseres in de plaats van de hoofdhuurder jegens gedaagde. Gedaagde betaalde volgens eiseres de huur niet rechtstreeks aan haar, maar aan persoon A, wat niet rechtsgeldig was.

Gedaagde stelde dat hij de huur vooruitbetaald had aan persoon A en dat eiseres hiervan op de hoogte was, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De kantonrechter oordeelde dat vanaf de opzegging van de hoofdhuurovereenkomst de huur rechtstreeks aan eiseres moest worden voldaan en veroordeelde gedaagde tot betaling van de huurachterstand.

Daarnaast werd de huurovereenkomst tussen eiseres en gedaagde beëindigd, aangezien gedaagde de woning inmiddels had verlaten en geen verweer voerde tegen de beëindiging. De rente en proceskosten werden eveneens aan eiseres toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt beëindigd en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.000 huurachterstand met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11600524 CV EXPL 25-6403
datum uitspraak: 30 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. C.L. Verhoef,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 14 maart 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de rolbeslissing van 29 augustus 2025;
  • de akte van [eiseres] van 30 september 2025;
  • de rolbeslissing van 28 november 2025;
1.2.
[gedaagde] heeft in de rolbeslissing van 28 november 2025 de gelegenheid gekregen zich uit te laten over de stellingen die [eiseres] heeft ingenomen in haar akte van 30 september 2025. [gedaagde] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] verhuurde de woning aan het adres [adres] te [plaats] aan de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) voor een huurprijs van € 1.000,- per maand. [persoon A] heeft de woning zonder toestemming van [eiseres] per 5 januari 2025 tot 5 juni 2025 onderverhuurd aan [gedaagde] . [eiseres] heeft [persoon A] hierop aangesproken. Als gevolg daarvan heeft [persoon A] zijn huurovereenkomst met [eiseres] op 31 januari 2025 opgezegd. [gedaagde] heeft vervolgens de woning eind april 2025 verlaten.
2.2.
Volgens [eiseres] is zij, als gevolg van de opzegging van [persoon A] , per 1 februari 2025 in de plaats getreden van [persoon A] in de onderhuurovereenkomst met [gedaagde] . [eiseres] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan over de maanden maart en april 2025. Zij vordert, na wijziging van eis, in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om deze huurachterstand, ter hoogte van € 2.000,- aan haar te betalen, inclusief rente. Ook vordert zij de beëindiging van de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] .
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] . Volgens [gedaagde] heeft hij de huur van de maanden januari 2025 tot en met juni 2025 al vooruitbetaald aan de onderverhuurder, oftewel [persoon A] . Volgens [gedaagde] was [eiseres] hiervan op de hoogte.
2.4.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. Dat betekent dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] wordt beëindigd en dat [gedaagde] een bedrag van € 2.000,- aan [eiseres] moet betalen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet € 2.000,- aan huurachterstand betalen
2.5.
[gedaagde] stelt dat hij de huur over de maanden januari 2025 tot en met juni 2025 vooruit heeft betaald aan [persoon A] . Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] tijdens zijn mondelinge antwoord op 8 april 2025 betaalbewijzen op zijn telefoon laten zien. [eiseres] betwist dat [gedaagde] de huur over deze periode heeft voldaan. Zij voert daartoe aan dat [gedaagde] gehouden was de huur rechtstreeks aan haar te betalen en niet aan [persoon A] . Verder betwist [eiseres] dat de gestelde betalingen betrekking hebben op de huur. Volgens [eiseres] kan niet worden uitgesloten dat het gaat om ‘sleutelgeld’ of een andere tussen [gedaagde] en [persoon A] afgesproken vergoeding om de woning te kunnen betrekken.
2.6.
De kantonrechter gaat aan het verweer van [gedaagde] voorbij. Vast staat dat [persoon A] de huurovereenkomst met [eiseres] per 31 januari 2025 heeft opgezegd. Als gevolg daarvan is de onderhuur op grond van artikel 7:269 lid 1 BW Pro voortgezet tussen [eiseres] en [gedaagde] . Vanaf dat moment was [gedaagde] verplicht de huur rechtstreeks aan [eiseres] te voldoen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiseres] heeft [gedaagde] zijn stelling dat hij de huur reeds heeft betaald onvoldoende nader onderbouwd.
2.7.
[gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan achterstallige huur aan [eiseres] .
De huurovereenkomst wordt beëindigd
2.8.
[eiseres] eist dat de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] wordt beëindigd (artikel 7:269 lid 2 BW Pro).
2.9.
Vast staat dat [gedaagde] de woning 30 april 2025 heeft verlaten. Verder heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd tegen de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] . De kantonrechter wijst daarom de eis van [eiseres] ten aanzien van de beëindiging van de huurovereenkomst toe en bepaalt dat de huurovereenkomst is beëindigd per datum van dit vonnis.
[gedaagde] moet rente betalen
2.10.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 385,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.040,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eiseres] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] eindigt met ingang van heden;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.000,- met de wettelijke rente over dat bedrag zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.040,45;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken
64362