ECLI:NL:RBROT:2026:1985

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/10/709435 / HA ZA 25-960
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:108 BWArt. 3:109 BWArt. 3:112 BWArt. 3:113 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkrijgende verjaring en burenrecht over erfgrens en bomen nabij erfgrens

Partijen zijn buren met een geschil over de erfgrens en bomen nabij deze grens. Eiser woont sinds 2005 op zijn perceel, terwijl gedaagde sinds 2021 eigenaar is van het aangrenzende perceel. Eiser heeft in 2007 een zandwal aangebracht op de plaats van een voormalige schutting, die volgens hem het bezit van een strook grond op het perceel van gedaagde markeert.

Na een grensreconstructie in 2025 bleek dat de zandwal afwijkt van de kadastrale erfgrens, waardoor eiser stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tussen de zandwal en de kadastrale grens. De rechtbank oordeelt dat eiser onafgebroken en te goeder trouw bezit heeft gehad van deze strook gedurende meer dan tien jaar, waardoor hij eigenaar is geworden door verkrijgende verjaring.

Gedaagde vordert onder meer verwijdering van bomen die te dicht bij de erfgrens staan en medewerking aan het plaatsen van een schutting. De rechtbank wijst de vordering tot medewerking aan het plaatsen van een schutting af omdat de percelen niet in een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente liggen. De vordering tot verwijdering en snoei van bomen binnen de wettelijke afstand wordt deels toegewezen, met een dwangsom en redelijke termijnen voor uitvoering.

De proceskosten in conventie worden toegewezen aan eiser, terwijl in reconventie de proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het belang van behoud van de bomen en het voorkomen van onomkeerbare gevolgen.

Uitkomst: Eiser is eigenaar van de strook grond door verjaring en moet bomen binnen wettelijke afstand verwijderen of snoeien; vordering tot schutting wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709435 / HA ZA 25-960
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te Ouddorp,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.C. Brökling,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

te Ouddorp,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. G.J.M. de Jager.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn buren. Zij hebben een geschil over de loop van de erfgrens en over bomen die zich op of nabij de erfgrens bevinden. De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] door verjaring eigenaar is geworden van een strook grond die oorspronkelijk op het perceel van [gedaagde 1] lag. De bomen die zich bevinden op minder dan 2 meter van deze nieuwe erfgrens moet [eiser] verwijderen dan wel snoeien. [eiser] is niet verplicht om mee te werken aan het plaatsen van een schutting op de nieuwe erfgrens.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, eis in reconventie, met producties;
- de brief van de rechtbank met het bericht dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
- de akte overlegging producties van [eiser] ;
- de akte overlegging producties van [gedaagde 1] ;
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026;
- de pleitaantekeningen van beide partijen.
2.2.
Aan het eind van de zitting heeft de rechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn buren. [eiser] woont sinds 2005 aan de [adres 1] . [gedaagde 1] zijn sinds 2021 eigenaar van het perceel aan de [adres 2] . De percelen zijn ongeveer 1.800 m² respectievelijk 1.500 m² groot.
3.2.
In 2007 heeft [eiser] samen met zijn toenmalige buurman – een rechtsvoorganger van [gedaagde 1] – een zandwal aangebracht. Deze loopt in de lengterichting van de percelen vanaf de openbare weg naar de achterzijde van de beide percelen. De zandwal is enkele tientallen centimeters hoog.
3.3.
In of kort na 2007 heeft [eiser] de zandwal beplant met naaldbomen.
3.4.
De percelen zijn in 2008 onderdeel geweest van een landinrichting in de zin van de destijds geldende Landinrichtingswet. De percelen hebben toen nieuwe kadastrale nummeringen gekregen. De landinrichting heeft geleid tot een notariële akte van toedeling met betrekking tot onder andere de percelen van [eiser] en [gedaagde 1]
3.5.
In 2025 heeft het kadaster op verzoek van [gedaagde 1] een grensreconstructie verricht. Daaruit is gebleken dat het midden van de zandwal aan de achterzijde van de percelen precies op de erfgrens ligt. Richting de straatzijde van de percelen wijkt het midden van de zandwal in een rechte lijn af van de kadastrale erfgrens in de richting van het perceel van [gedaagde 1] Aan de kant van de openbare weg is de afstand tussen het midden van de zandwal en de kadastrale erfgrens ongeveer 1 à 2 meter. Onderstaande afbeelding is afkomstig uit het rapport van het Kadaster, waarbij de stippellijn de kadastrale erfgrens weergeeft en de ononderbroken lijn daarboven het midden van de zandwal (hierna wordt de grond tussen beide lijnen aangeduid als ‘de Strook’).
3.6.
Bij brief aan [eiser] van 21 juni 2025 hebben [gedaagde 1] een mogelijk lopende verjaring te aanzien van de eigendom van de Strook gestuit.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert in conventie, samengevat, het volgende:
een verklaring voor recht dat [eiser] door verjaring eigenaar is geworden van de Strook;
veroordeling van [gedaagde 1] om hun medewerking te verlenen aan de inschrijving in het kadaster van deze verkrijging;
veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde 1] voeren verweer in conventie en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.3.
In reconventie vorderen [gedaagde 1] , samengevat, het volgende:
primair
veroordeling van [eiser] tot het ontruimen en ontruimd houden van de Strook door alle daarop aanwezige bebouwing en beplanting te verwijderen, met uitzondering van de vier achterste bomen, ten aanzien waarvan [eiser] moet worden veroordeeld tot het snoeien daarvan;
veroordeling van [eiser] tot het meewerken aan het plaatsen van een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens;
veroordeling van [eiser] tot het snoeien van alle bomen en struiken op zijn perceel op een afstand van respectievelijk 2 en 0,5 meter tot de kadastrale erfgrens;
dit alles op straffe van een dwangsom;
subsidiair
indien de vordering onder i voor wat betreft het ontruimen van de Strook niet wordt toegewezen: veroordeling van [eiser] tot het snoeien van de betreffende bomen en struiken;
een en ander op straffe van een dwangsom;
voorwaardelijk
indien [eiser] eigenaar is geworden van de Strook: veroordeling van [eiser] tot teruglevering van die grond bij wijze van schadevergoeding in natura;
alles met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.4.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten.

5.De beoordeling

in conventie
[eiser] heeft de Strook in bezit
5.1.
Aan de vordering van [eiser] ligt het standpunt ten grondslag dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de Strook. Hij stelt daartoe dat hij de Strook voorafgaande aan de stuiting al meer dan tien jaar te goeder trouw in zijn bezit had. [gedaagde 1] betwisten dat de Strook in het bezit van [eiser] is en ook menen zij dat [eiser] niet te goeder trouw was. De rechtbank overweegt als volgt.
5.2.
Voor verkrijgende verjaring ten aanzien van registergoederen is vereist dat sprake is van onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende tien jaren (artikel 3:99 BW Pro). Of iemand bezitter is moet worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels opgenomen in de artikelen 3:109 e.v. BW en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW Pro). Het gaat in dit geval om (vermeende) inbezitneming (artikel 3:112 BW Pro), waarvan sprake is als (de rechtsvoorganger van) [eiser] zich over de Strook de feitelijke macht heeft verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). Dat bezit moet ondubbelzinnig zijn. Dat houdt in dat het gedrag van (de rechtsvoorganger van) [eiser] zodanig moet zijn dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde 1] daaruit niet anders hebben kunnen afleiden dan dat eerstgenoemde pretendeerde bezitter te zijn. Door de machtsuitoefening moet naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet zijn gedaan.
5.3.
[eiser] heeft gesteld dat op de plek waar nu de zandwal ligt, voorheen een schutting stond. Die schutting stond er volgens hem al toen hij eigenaar van het perceel werd. Samen met zijn toenmalige buurman (een rechtsvoorganger van [gedaagde 1] ) heeft hij de schutting in 2007 verwijderd en daarvoor in de plaats de zandwal aangebracht. [eiser] heeft zijn stellingen over de aanwezigheid en de positie van de schutting onderbouwd met verschillende foto’s. De als productie 3 bij dagvaarding overgelegde foto toont de beide percelen in vogelvlucht, waarop duidelijk een smal en langwerpig bouwwerk zichtbaar is dat klaarblijkelijk dient als afscheiding van de beide percelen. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat deze foto dateert van vóór 2005. Als productie 18 bij dagvaarding heeft [eiser] een topografische luchtfoto uit 2006 overgelegd, waarop dezelfde dunne rechte lijn zichtbaar is. Op een topografische luchtfoto uit 2008 – dus vrij kort na het aanbrengen van de zandwal – is op diezelfde plaats een iets bredere lijn zichtbaar, grijzig van kleur en bespikkeld met kleine plukjes groen. Op recente luchtfoto’s is zichtbaar dat zich op diezelfde plek een rij met (kennelijk) bomen bevindt.
5.4.
Hiermee heeft [eiser] zijn stellingen voldoende onderbouwd. De foto’s ondersteunen zijn standpunt dat op dezelfde plek waar nu de zandwal ligt vroeger een schutting stond en dat die schutting omstreeks 2007 is verwijderd om plaats te maken voor de zandwal (de foto uit 2008 toont klaarblijkelijk die zandwal met nog jonge begroeiing). [gedaagde 1] hebben deze stellingen onvoldoende onderbouwd betwist. Zij hebben bij conclusie van antwoord aangevoerd dat volgens de bij de topografische foto’s behorende disclaimer op die foto’s “kleine objecten zoals schuttingen” niet zichtbaar zijn. Deze betwisting schiet tekort, omdat die disclaimer onverlet laat dat op de topografische foto uit 2006 wel duidelijk een dunne rechte lijn zichtbaar is op de plaats waar volgens [eiser] de schutting stond. Bovendien rechtvaardigt het op de foto van het terrein in vogelvlucht zichtbare bouwwerk alleszins de conclusie dat het hier daadwerkelijk om een schutting gaat. De vergelijking van die oude foto’s met recente foto’s rechtvaardigt verder de conclusie dat de huidige zandwal (met inmiddels volwassen begroeiing) op exact dezelfde locatie staat. De door [eiser] gestelde feiten staan daarmee vast.
5.5.
Het hebben van een schutting waarmee een stuk van de grond van de buren als het ware bij de eigen grond wordt getrokken en wordt geïntegreerd in de eigen tuin en waarmee de toegang van dat stuk grond voor de buren vanaf het eigen perceel onmogelijk wordt gemaakt, moet naar het oordeel van de rechtbank in een geval als het onderhavige als een daad van inbezitneming worden beschouwd. Toen [eiser] het perceel kocht, verkreeg hij dankzij de aanwezige schutting ook de feitelijke macht over de grond aan zijn kant van de schutting. Zijn toenmalige buurman had het bezit over die grond naar verkeersopvatting al bij gelegenheid van het plaatsen van de schutting verloren. Daarbij is niet bepalend of de schutting oorspronkelijk is geplaatst met instemming van de toenmalige buurman. Het ligt eerder in de rede, zoals [eiser] heeft gesteld in verband met de plaatsing van de zandwal, om aan te nemen dat de toenmalige eigenaren veronderstelden dat ongeveer op die plaats ook de kadastrale erfgrens liep. Dat impliceert dat die buurman destijds redelijkerwijs niet anders heeft kunnen aannemen dan dat de eigenaar van [adres 1] pretendeerde bezitter te zijn van de grond aan diens zijde van de schutting.
5.6.
De conclusie hiervan moet zijn dat zolang de schutting aanwezig is geweest [eiser] de grond aan zijn zijde van de schutting in bezit had.
5.7.
Op grond van artikel 3:117 lid 1 BW Pro verliest een bezitter het bezit wanneer hij het betreffende goed kennelijk prijsgeeft of wanneer een ander het bezit verkrijgt. Lid 2 van datzelfde artikel bepaalt dat een aangevangen bezit voortduurt zolang niet een van de in lid 1 genoemde gronden voor bezitsverlies zich heeft voorgedaan.
5.8.
Van geen van de in artikel 3:117 lid 1 BW Pro genoemde gronden voor bezitsverlies is gebleken. Uit niets blijkt dat (de rechtsvoorganger van) [gedaagde 1] . de Strook op enig moment weer in bezit hebben gekregen. Uit het vervangen van de schutting door de zandwal kan verder niet worden afgeleid dat [eiser] het bezit over de Strook kennelijk heeft prijsgegeven. Daarvan zou pas sprake kunnen zijn als uit deze gebeurtenis blijkt dat [eiser] de wil had om het bezit te doen eindigen. Dat kan van het enkel oprichten van een zandwal op de plaats van de schutting niet worden gezegd. Daarbij is van belang dat de zandwal weliswaar een minder harde en hoge scheidslijn vormt dan de voormalige schutting, maar nog altijd een duidelijke markering in het landschap is waarmee het ene perceel zichtbaar wordt onderscheiden van het andere. Juist is dat de zandwal niet dusdanig hoog is dat het voor de buurman onmogelijk was om zich te begeven aan de zijde van de tuin van [eiser] , maar dat is niet beslissend. Het gaat hier immers niet om een situatie waarin [eiser] het bezit door het plaatsen van de zandwal (al dan niet) heeft verkregen, maar om de vraag of hij het bezit dat hij al had heeft willen prijsgeven.
5.9.
Hieruit volgt dat het verwijderen van de schutting en het aanbrengen van de zandwal het bezit van de Strook niet heeft onderbroken. Dat bezit duurt tot nu toe voort.
5.10.
Aan het voorgaande doet niet af dat de percelen van partijen, inclusief de Strook, onderdeel zijn geweest van een landinrichting in de zin van de Landinrichtingswet (oud). Landinrichting leidt weliswaar tot originaire eigendomsverkrijging waardoor alle eerdere titels die recht geven op een perceel verloren gaan, maar dit staat er niet aan in de weg dat een voorheen bestaand bezit na de inschrijving van de akte van toedeling doorloopt. De landinrichting heeft het bezit van [eiser] dus niet doorbroken. Dat bezit duurt tot nu toe voort.
het bezit van de Strook is te goeder trouw
5.11.
Voor verkrijgende verjaring is vereist dat het bezit te goeder trouw is. Van bezit te goeder trouw is sprake als de bezitter zich als rechthebbende beschouwt en zich ook als zodanig redelijkerwijs mocht beschouwen (artikel 3:118 lid 1 BW Pro). Het is aan de partij die zich beroept op het ontbreken van goede trouw om voldoende feiten te stellen die tot deze conclusie kunnen leiden (artikel 3:118 lid 3 BW Pro).
5.12.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, staat vast dat [eiser] zijn perceel in 2005 heeft verkregen met daarop de schutting op de plaats waar nu de zandwal ligt. Na de grensreconstructie door het kadaster in 2025 staat vast dat de zandwal niet op de kadastrale erfgrens staat, maar [gedaagde 1] hebben geen feiten gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat [eiser] in 2005 redelijkerwijs behoorde te weten dat de schutting in werkelijkheid op het perceel van zijn buurman stond. Het enkele feit dat hij dit mogelijk had kunnen ontdekken als hij de kadastrale kaart had geraadpleegd, maakt dit niet anders. [1] De kadastrale kaart maakt als zodanig geen deel uit van de openbare registers. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] voorafgaand aan de eigendomsverkrijging op andere wijze kennis heeft genomen of had behoren te nemen van de informatie die mogelijk uit die kaart volgt. Dat geldt in dit geval te meer, nu de afwijking van de schutting ten opzichte van de kadastrale erfgrens – gegeven de totale grootte van de percelen – slechts gering is. In deze situatie was er voor [eiser] geen aanleiding om nader onderzoek te doen. [eiser] was dus te goeder trouw toen hij de Strook in bezit kreeg.
5.13.
Met de landinrichting in 2008 is in juridisch opzicht een nieuwe situatie ontstaan. Daargelaten de betekenis in dit verband van artikel 3:118 lid 2 BW Pro, is wellicht denkbaar dat [eiser] in die nieuwe situatie niet langer geacht kon worden te goeder trouw te zijn. [gedaagde 1] betogen dat die situatie zich voordoet, omdat bij de akte van toedeling ook nieuwe kadastrale kaarten zijn opgemaakt en [eiser] uit die kaarten had kunnen afleiden waar de erfgrens werkelijk liep. De rechtbank verwerpt dit betoog. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat met de landinrichting feitelijk niets is veranderd aan de grenzen van zijn perceel. Alleen de kadastrale nummering is gewijzigd. Hieruit volgt dat [eiser] geen enkele reden had en ook niet behoefde te hebben om de nieuwe kadastrale kaarten te bestuderen. Aan zijn eerdere bezit te goeder trouw heeft de landinrichting dus niets veranderd.
5.14.
Anders dan [gedaagde 1] stellen, is dit niet anders voor wat betreft het feit dat [eiser] in 2007 zijn huidige woning op zijn perceel heeft laten bouwen. Artikel 3:118 lid 2 BW Pro staat op dit punt in de weg aan het verlies van de goede trouw. Overigens impliceert het mogelijke gebruik van kadastrale tekeningen bij de bouw van zijn woning geenszins dat het [eiser] duidelijk had moeten worden dat de schutting niet de erfgrens volgde. Ook hier is in dat verband van belang dat de afwijking slechts marginaal was.
5.15.
De conclusie van het voorgaande is dat [eiser] de Strook te goeder trouw in bezit heeft.
het bezit te goeder trouw van de Strook bestaat meer dan tien jaar
5.16.
Niet ter discussie staat dat de hiervoor beoordeelde situatie voorafgaande aan de stuitingsbrief van [gedaagde 1] meer dan tien jaar heeft bestaan.
conclusie: [eiser] is door verjaring eigenaar geworden van de Strook
5.17.
Nu aan alle voorwaarden van artikel 3:99 BW Pro is voldaan, komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] door verjaring eigenaar is geworden van de Strook. De in conventie onder i gevraagde verklaring voor recht zal worden gegeven.
medewerking [gedaagde 1] aan inschrijving in openbare registers niet vereist
5.18.
Op grond van artikel 3:17 lid 1 onder Pro e BW kan dit vonnis worden ingeschreven in de openbare registers. Medewerking van [gedaagde 1] is daarvoor niet vereist. Gelet daarop valt niet in te zien welk rechtens relevant [eiser] heeft bij zijn vordering onder ii, waarmee hij wil bereiken dat [gedaagde 1] op straffe van een dwangsom worden verplicht om aan die inschrijving mee te werken. Die vordering wordt daarom afgewezen.
[gedaagde 1] worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser]
5.19.
[gedaagde 1] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten van [eiser] vergoeden. Deze worden begroot als volgt:
- explootkosten € 147,81
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.306,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging als vermeld in het dictum)
TOTAAL € 1.973,81
Over de proceskosten zijn [gedaagde 1] wettelijke rente verschuldigd.
in reconventie
de vordering tot ontruiming van de Strook wordt afgewezen
5.20.
Met hun vordering onder i willen [gedaagde 1] allereerst bereiken dat [eiser] de Strook ontruimt, omdat [eiser] in de ogen van [gedaagde 1] geen eigenaar is. Deze vordering is op die grondslag niet toewijsbaar, omdat de Strook inmiddels door verjaring eigendom van [eiser] is geworden. Dit volgt uit de beoordeling van de zaak in conventie. Voor een verplichting van [eiser] om de Strook te ontdoen van bouwwerken, zoals een houthok, bestaat dus geen grond.
de vordering tot verwijdering van bomen en overige beplanting is deels toewijsbaar
5.21.
Vast staat dat op de zandwal bomen staan. De nieuwe erfgrens tussen de percelen als gevolg van de verkrijgende verjaring loopt in de lengterichting over het midden van de bovenkant van de zandwal. De bomen aan de kant van die erfgrens van het perceel van [eiser] bevinden zich dus op zijn grond. Vast staat echter dat die bomen, voor zover aanwezig op de Strook, binnen een afstand van 2 meter tot de (nieuwe) erfgrens staan. Tijdens de mondelinge behandeling is immers gebleken dat de Strook op zijn breedste punt 2 meter is. De vordering onder i moet, mede gelet op wat [gedaagde 1] daarover in hun conclusie van eis in reconventie hebben aangevoerd, zo worden begrepen dat zij hun vordering tot verwijdering van deze bomen ook baseren op artikel 5:42 BW Pro. Op grond van die bepaling is het in beginsel niet geoorloofd om bomen te hebben op een afstand van minder dan 2 meter tot de boomgrens. Daarbij tekent de rechtbank aan dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van een verordening of een plaatselijke gewoonte waaruit een kortere afstand voortvloeit.
5.22.
Het standpunt van [eiser] houdt in de eerste plaats in dat [gedaagde 1] geen beroep op artikel 5:42 BW Pro toekomt, omdat de bomen destijds met toestemming van de toenmalige eigenaar van het perceel van (nu) [gedaagde 1] zijn geplant. Verder meent [eiser] dat [gedaagde 1] met de onderhavige vordering misbruik van bevoegdheid maken. De bomen zijn inmiddels twintig jaar oud en zijn een natuurlijk onderdeel geworden van het landschap. De hinder voor [gedaagde 1] , bestaande uit verminderde zoninval, is maar heel beperkt, mede omdat de bomen onder invloed van de heersende wind sterk naar het perceel van [eiser] overhellen. Bovendien maken [gedaagde 1] niet permanent gebruik van hun perceel.
5.23.
De rechtbank overweegt het volgende.
5.24.
Het beroep van [eiser] op de door de rechtsvoorganger van [gedaagde 1] verleende toestemming voor het planten van de bomen gaat niet op. Weliswaar geldt het verbod van artikel 5:42 BW Pro niet als de eigenaar van het naburige erf toestemming heeft gegeven, maar die toestemming kan alleen aan opvolgende eigenaars worden tegengeworpen als die is ingeschreven in de openbare registers dan wel de rechtsopvolgers van de toestemming op de hoogte waren. Dit volgt uit artikel 3:17 lid 1 onderdeel Pro a BW in verbinding met artikel 3:24 lid 1 BW Pro. Vast staat dat de toestemming van de vorige eigenaar niet in de registers is ingeschreven. [gedaagde 1] hebben onbetwist gesteld dat zij van de toestemming niet op de hoogte waren. Van rechtsverwerking – in de zin dat [gedaagde 1] het recht zouden hebben verwerkt om zich nog op artikel 5:42 BW Pro te mogen beroepen – is geen sprake. Daarvoor is onvoldoende het enkele feit dat [gedaagde 1] niet eerder dan medio 2025, ongeveer vier jaar nadat zij eigenaar werden, hebben gevraagd om de bomen te verwijderen.
5.25.
[gedaagde 1] zijn daarom bevoegd om van [eiser] te verlangen dat hij de bomen verwijdert voor zover die te dicht op de (nieuwe) erfgrens staan. In beginsel is niet van belang of de bomen voor (onrechtmatige) hinder zorgen.
5.26.
De grens voor de uitoefening van deze bevoegdheid ligt daar waar sprake is van misbruik van bevoegdheid. Daarvan is onder meer sprake als de bevoegdheid met geen ander doel wordt uitgeoefend dan om een ander te schaden of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen (artikel 3:13 BW Pro).
5.27.
Gelet op dit toetsingskader kan in dit geval niet worden gezegd dat [gedaagde 1] misbruik maken van hun bevoegdheid om verwijdering van de bomen en planten te vorderen. Uit de overgelegde foto’s, in combinatie met het vaststaande feit dat het perceel van [eiser] zuidelijk van dat van [gedaagde 1] ligt, volgt genoegzaam dat de bomen in relevante mate zon en licht wegnemen van het perceel van [gedaagde 1] Dat de bomen overhellen naar het perceel van [eiser] doet hier niet aan af. Het spreekt vanzelf dat deze vorm van hinder toeneemt naarmate de bomen groter worden. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de bomen nu ongeveer 20 meter groot zijn en nog zullen doorgroeien tot 30 meter. Gelet op de regel van artikel 5:42 BW Pro, behoeven [gedaagde 1] hiermee geen genoegen te nemen. Dat verwijdering van de bomen [eiser] aan het hart zal gaan en dat het zonde is om gezonde en inmiddels twintig jaar oude bomen te verwijderen, valt alleszins te begrijpen, maar is onvoldoende voor de conclusie dat [gedaagde 1] in redelijkheid geen gebruik kunnen maken van de bevoegdheid die de wet hen geeft.
5.28.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat aanleiding bestaat om in plaats van een verplichting tot verwijdering van de bomen te bepalen dat [eiser] een schadevergoeding in geld aan [gedaagde 1] moet betalen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. [gedaagde 1] hebben duidelijk gemaakt dat het hen niet om het geld te doen is, maar om de lichtinval die hen wordt onthouden. Gesteld noch gebleken is dat het hier gaat om dermate bijzondere bomen dat [gedaagde 1] daarom genoegen zouden moeten nemen met een compensatie in geld.
5.29.
Dit alles moet leiden tot de conclusie dat de vordering tot verwijdering van de bomen die zich bevinden op de Strook toewijsbaar is. De rechtbank zal aan de veroordeling van [eiser] om hiervoor te zorgen een dwangsom verbinden.
5.30.
De vordering strekt zich ook uit over planten die zich op de Strook bevinden binnen een afstand van 0,5 meter tot de erfgrens. Die afstand volgt uit artikel 5:42 BW Pro. Uit die bepaling volgt echter ook dat niet iedere plant binnen die afstand verboden is, maar dat het moet gaan om heesters of heggen. [gedaagde 1] hebben niet gesteld dat het bij de volgens hen aanwezige planten gaat om heesters of heggen en dit blijkt ook niet uit de overgelegde foto’s. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd voor zover die betrekking heeft op het verwijderen van planten.
de vordering tot het snoeien van bomen en struiken buiten de Strook wordt deels toegewezen
5.31.
De vorderingen onder iii en v begrijpt de rechtbank zo dat deze zien op bomen en struiken buiten de Strook maar binnen een afstand van 2 meter respectievelijk 0,5 meter tot de erfgrens. Voor de struiken geldt hetzelfde als zojuist overwogen in 5.30. Die vordering is dus niet toewijsbaar. [gedaagde 1] hebben onbetwist gesteld dat [eiser] in die ‘verboden zone’ buiten de Strook bomen heeft. [gedaagde 1] vorderen echter geen verwijdering van die bomen en planten. Zij hebben hun vordering beperkt tot het snoeien ervan. De primaire vordering (iii) sluit wat de maximale hoogte aan bij de te plaatsen schutting. De vordering inzake medewerking van [eiser] aan het plaatsen van een schutting wordt echter afgewezen (zie verder hierna). In de subsidiaire variant (vordering v) vorderen [gedaagde 1] veroordeling van [eiser] om de bomen buiten de Strook maar in de ‘verboden zone’ te snoeien tot een hoogte van maximaal 2 meter en hem te verplichten de bomen in de toekomst tot deze hoogte terug te snoeien.
5.32.
Deze vordering wordt toegewezen. [gedaagde 1] zijn op grond van artikel 5:42 BW Pro in beginsel bevoegd verwijdering van deze bomen te vorderen. De vordering tot het snoeien ervan moet dus beschouwd worden als het mindere van datgene waartoe [gedaagde 1] gerechtigd zijn. Tot dit mindere zijn [gedaagde 1] dan eveneens gerechtigd. Het staat [eiser] vanzelfsprekend vrij om de betrokken bomen geheel te verwijderen als hij het snoeien bezwaarlijk vindt. Aan de veroordeling zal een dwangsom worden verbonden.
5.33.
Dezelfde voorziening zal getroffen worden ten aanzien van de vier achterste bomen (ingetekend met kenmerk K12, K13, K14 en B8 in productie 16 bij conclusie van eis in reconventie), mits ook deze zich op het perceel van [eiser] bevinden binnen een afstand van 2 meter tot de (nieuwe) erfgrens en met dien verstande dat deze bomen op een hoogte kunnen blijven van maximaal 6 meter. Dit is namelijk de maximale hoogte die [gedaagde 1] voor die specifieke bomen zelf aanhouden. De achtergrond van deze afzonderlijke voorziening voor deze specifieke bomen is kennelijk daarin gelegen dat die bomen staan op een perceel waarvoor een ander bestemmingsplan geldt. Dat bestemmingsplan brengt mee dat voor het verwijderen van deze bomen een omgevingsvergunning is vereist. [gedaagde 1] zijn daarom bereid genoegen te nemen met snoeien tot een hoogte van 6 meter. Ook aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden.
5.34.
De rechtbank laat bij dit alles buiten beschouwing de verklaring van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling dat de bomen niet gesnoeid kunnen worden omdat ze dat niet overleven. Dit bezwaar is bij conclusie van antwoord in reconventie niet naar voren gebracht en ook tijdens de mondelinge behandeling niet onderbouwd. Voor zover dit bezwaar reëel is, komt dit voor zijn risico, juist omdat [gedaagde 1] op zichzelf aanspraak hebben op verwijdering van de bomen die te dicht op de erfgrens staan.
termijn voor verwijderen/snoeien drie maanden; daarna maximaal eenmaal per jaar
5.35.
[gedaagde 1] willen dat [eiser] wordt verplicht het rooien en het snoeiwerk aan de bomen binnen dertig dagen na betekening van het vonnis uit te voeren. Dit acht de rechtbank onredelijk kort. De kans is groot dat een dergelijke korte termijn tot geschillen over de tenuitvoerlegging zal leiden. Het ligt voor de hand dat [eiser] voor dit werk een hovenier zal moeten inschakelen en het is niet vanzelfsprekend dat dit binnen een maand kan worden gerealiseerd. De rechtbank zal de termijn naar redelijkheid bepalen op drie maanden.
5.36.
[gedaagde 1] vorderen ook dat [eiser] wordt verplicht na het initiële snoeien de bomen “steeds op eerste verzoek” terug te snoeien tot de maximaal toegestane hoogte. Deze vordering zal worden beperkt tot eenmaal per jaar, in die zin dat [eiser] slechts eenmaal per kalenderjaar verplicht is om op verzoek van [gedaagde 1] de bomen terug te snoeien.
de dwangsommen worden gemaximeerd op één totaalbedrag
5.37.
Voor alle mogelijk te verbeuren dwangsommen geldt dat deze tezamen het totaalbedrag van € 25.000,00 niet zullen overschrijden.
de vordering tot plaatsen van een schutting op de erfgrens wordt afgewezen
5.38.
De vordering onder ii strekt ertoe dat [eiser] wordt verplicht mee te werken aan het plaatsen van een erfafscheiding op de “aan de orde zijnde kadastrale erfgrens.” Voor zover [gedaagde 1] hiermee bedoelen de erfgrens zoals die nu nog in het kadaster is opgenomen, is de vordering gelet op het oordeel in conventie niet toewijsbaar. De rechtbank begrijpt de vordering echter zo dat [gedaagde 1] mede bedoelen dat een schutting wordt geplaatst op de erfgrens zoals die na de verkrijgende verjaring van de Strook loopt.
5.39.
De vordering is gebaseerd op artikel 5:49 BW Pro. Op grond van die bepaling kan een eigenaar van een perceel in beginsel altijd vorderen dat de buurman meewerkt aan het plaatsen van een scheidsmuur van twee meter hoog. Dit recht van een eigenaar geldt echter alleen als de percelen zich bevinden in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente. Op dit vereiste stuit de vordering af. De rechtbank licht dit als volgt toe.
5.40.
Met de voorwaarde dat het moet gaan om een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente komt tot uitdrukking dat de verplichte medewerking aan het plaatsen van een scheidsmuur alleen geldt voor kavels die beperkt van omvang zijn en waar de gebouwen dicht op elkaar staan. In de regel kan worden aangenomen dat binnen de bebouwde kom sprake is van een aaneengebouwd gebied, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Ook binnen de bebouwde kom kan de situatie zodanig zijn dat niet van een aaneengebouwd gebied kan worden gesproken, bijvoorbeeld omdat de betreffende kavels royaal van omvang zijn en de woningen op aanzienlijke afstand van elkaar zijn gebouwd.
5.41.
Die situatie doet zich hier voor. [gedaagde 1] hebben tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat de beide percelen binnen de bebouwde kom van de gemeente liggen. Tegelijk kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat het hier gaat om ruime percelen waarop ieder van de eigenaren zonder relevante aanpassing van de perceeloppervlakte zelf kan zorgdragen voor begroeiing of een andere vorm van afscheiding waarmee aan de eigen behoefte aan privacy tegemoet wordt gekomen. Voor een dergelijke situatie is de afdwingbare verplichting van artikel 5:49 BW Pro niet bedoeld.
de vordering tot teruglevering van de Strook wordt afgewezen
5.42.
[gedaagde 1] vorderen, voor het geval geoordeeld wordt dat [eiser] door verjaring eigenaar is geworden van de Strook, veroordeling van [eiser] om de Strook aan hen te leveren. Uit de conclusie van antwoord volgt dat gedaagde hiermee het oog hebben op een vordering tot schadevergoeding in natura. Deze vordering wordt afgewezen.
5.43.
Iemand die een zaak in bezit neemt en houdt, terwijl hij weet dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die ander onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen kan een aanspraak op schadevergoeding geven, waarbij het voor de hand ligt dat de voormalige eigenaar op grond van artikel 6:103 BW Pro schadevergoeding in natura vordert, bestaande uit overdracht van de betreffende grond door de nieuwe eigenaar. [2]
5.44.
In dit geval is van onrechtmatig handelen door [eiser] niet gebleken. Uit de in deze procedure gebleken feiten kan niet worden afgeleid dat hij wist of behoorde te weten dat eerst de schutting en later de zandwal niet op de erfgrens lagen. Hij wist dus ook niet dat hij ten koste van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde 1] een stuk grond in bezit nam. [gedaagde 1] hebben onvoldoende feiten gesteld om die conclusie te kunnen trekken. Op het ontbreken van onrechtmatig handelen stuit de vordering af.
de proceskosten worden gecompenseerd
5.45.
Beide partijen krijgen deels ongelijk. Daarom worden de proceskosten in reconventie gecompenseerd. Iedere partij draagt de eigen kosten.
overigens in conventie en in reconventie
dit vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard
5.46.
[eiser] heeft uitdrukkelijk bepleit dat de vordering tot verwijdering van bomen, indien toewijsbaar, niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Hij wijst er in dat verband dat tenuitvoerlegging van het vonnis terwijl dit nog niet in kracht van gewijsde is gegaan tot het kappen van gezonde bomen zal leiden. Dit gevolg is onomkeerbaar. De bestaande landschappelijke inrichting gaat daardoor definitief verloren, ook als het hof in hoger beroep anders zou beslissen. [gedaagde 1] menen dat de onomkeerbaarheid van mogelijke tenuitvoerlegging niet in de weg staat aan uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring.
5.47.
De rechtbank honoreert het bezwaar van [eiser] tegen uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring. Van belang is dat het hier gaat om inmiddels twintig jaar oude bomen. Het spreekt vanzelf dat herstel in de oude toestand na een mogelijk andersluidend oordeel in hoger beroep reëel gesproken niet goed mogelijk is, althans in de eerste twintig jaar. Dit belang weegt zwaar. Hiertegenover staat het belang van [gedaagde 1] om niet nog geruime tijd geconfronteerd te worden met een situatie die zij ingevolge dit vonnis niet behoeven te dulden. Dit belang is reëel, maar weegt naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden minder zwaar dan het voorkomen van een voldongen feit, waardoor hoger beroep in feite zinloos wordt. Daarbij speelt een rol dat [gedaagde 1] , gegeven de grootte van hun perceel, ook zolang de bomen er nog staan voldoende ruimte op hun perceel hebben om van zon en licht te genieten.
5.48.
De rechtbank ziet aanleiding om dit vonnis ook in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De uitvoerbaarheid-bij-voorraad is nodig om de verklaring voor recht inzake de eigendom van de Strook in de registers te kunnen inschrijven (artikel 3:17 lid 1 onder Pro e BW). Niet gebleken en ook niet zonder meer aannemelijk is dat [eiser] er belang bij heeft dat die inschrijving spoedig plaatsvindt. Het verdient daarom de voorkeur dat de beslissing over de eigendom van de Strook eerst in kracht van gewijsde gaat, om te voorkomen dat een inschrijving later weer ongedaan gemaakt moet worden.

6.De beslissing

in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat [eiser] eigenaar is geworden van de Strook zoals omschreven in 3.5;
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] hoofdelijk in de proceskosten van [eiser] , begroot op € 1.973,81 en te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na datum van dit vonnis;
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.4.
veroordeelt [eiser] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de bomen die zich bevinden op de Strook als bedoeld in 3.5 en deze bomen verwijderd te houden, zulks met uitzondering van de bomen met kenmerk K12, K13, K14 en B8 zoals vermeld in productie 16 bij conclusie van eis in reconventie;
6.5.
veroordeelt [eiser] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis over te gaan tot het snoeien van de bomen met kenmerk K12, K13, K14 en B8 zoals vermeld in productie 16 bij conclusie van eis in reconventie, onder de voorwaarde dat deze zich op het perceel van [eiser] bevinden binnen een afstand van 2 meter tot de ingevolge het bepaalde in 6.1 van dit vonnis vastgestelde erfgrens, tot een hoogte van maximaal 6 meter gerekend vanaf de voet van de boom, en deze bomen daarna steeds binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van [gedaagde 1] eenmaal per kalenderjaar tot die hoogte terug te snoeien;
6.6.
veroordeelt [eiser] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis over te gaan tot het snoeien van de overige bomen die zich bevinden buiten de Strook als bedoeld in 3.5 maar binnen een afstand van 2 meter tot de ingevolge het bepaalde in 6.1 van dit vonnis vastgestelde erfgrens, tot een hoogte van maximaal 2 meter gerekend vanaf de voet van de boom, en deze bomen daarna steeds binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van [gedaagde 1] eenmaal per jaar tot die hoogte terug te snoeien;
6.7.
bepaalt dat [eiser] een dwangsom verbeurt van € 100,00 per dag dat hij niet voldoet aan één van de veroordelingen genoemd in 6.4 tot en met 6.6, tot een maximum aan in totaal verbeurde dwangsommen van € 25.000,00;
6.8.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
[1980/1694]

Voetnoten

1.HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2194.
2.HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.