Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon B] , namens Woonstad.
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
5 januari 2026;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op grond van een vonnis van 4 november 2025 op te schorten. De ontruiming was gepland op 6 januari 2026 vanwege een huurachterstand van € 6.087,90.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker, die inmiddels schuldhulpverlening is gestart en beschermingsbewind heeft aangevraagd, zwaarder weegt dan het belang van verweerster Woonstad. Verzoeker heeft de huur van januari 2026 betaald en verklaart de huur van februari 2026 tijdig te zullen voldoen.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.