4.2.Met het bestreden besluit heeft SUWR het bezwaar daarom ongegrond verklaard.
5. Eiseres is het er niet mee eens dat zij geen urgentieverklaring krijgt. De afwijzingsgrond dat haar situatie bij de politie niet bekend is, doet volgens eiseres geen recht aan de ernst van de feitelijke situatie. Eiseres heeft geen aangifte bij de politie durven doen van de bedreiging door haar vader. Dit heeft te maken met haar Turks-islamitische achtergrond. Het doen van aangifte zou de problemen alleen maar verergeren. Dit betekent echter niet dat geen sprake is van een reële dreiging. Die blijkt al uit het feit dat zij in de vrouwenopvang heeft verbleven en nog steeds een afgeschermd adres heeft.
Eiseres benadrukt verder dat doelmatige hulpverlening pas echt op gang kan komen als zij een geschiktere (lees: grotere) woning voor zichzelf en haar kinderen heeft gevonden, waarin de kinderen zoveel mogelijk een eigen kamer kunnen krijgen. Een grotere woning zou ook bijdragen aan het verminderen van haar eigen (medische) problemen.
Eiseres merkt verder nog op dat zij zich bij (het oplossen van) haar problemen onvoldoende gesteund voelt, dit terwijl zij erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Als erkend gedupeerde kwam zij ook in aanmerking voor schuldhulpverlening, maar deze is tijdelijk opgeschort. Eiseres heeft het gevoel klem te zitten tussen instanties.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij begrijpt dat eiseres in haar leven de nodige tegenslagen heeft gekend en dat haar wens om een andere (grotere) woning invoelbaar is. De voorzieningenrechter is echter gehouden om de zaak te beoordelen binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Gelet op deze kaders is de voorzieningenrechter van oordeel dat SUWR geen urgentieverklaring hoefde af te geven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
7. Op deze uitspraak is het juridisch kader van toepassing, zoals opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.
8. Uit artikel 3.4.6. van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening) volgt dat een woningzoekende in aanmerking kan komen voor urgentie op grond van de categorie ‘geweld en bedreiging’ als er sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee. Daarvoor geldt wel dat wordt voldaan aan de voorwaarden die in artikel 3.4.6. van de Verordening worden genoemd. Eén van deze voorwaarden is dat uit een verklaring van de politie moet blijken dat degene die om urgentie vraagt door (bedreiging met) ernstig psychisch of fysiek geweld om veiligheidsredenen niet meer in de eigen woning kan blijven wonen.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat die verklaring van de politie er niet ligt. Er zijn geen registraties over eiseres, of haar vader, in de politiesystemen bekend. Dat haar vader recentelijk nog bij haar woning is gezien, zoals eiseres stelt, is onvoldoende. Nergens uit blijkt dat eiseres op dit moment op zo’n manier door haar vader wordt bedreigd dat zij niet langer in haar huidige woning kan blijven wonen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, en aldus wordt voldaan aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op grond van de categorie ‘geweld en bedreiging’.
10. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stukken dat SUWR ook heeft gekeken of eiseres wellicht op grond van een andere urgentiecategorie (‘ernstige en chronische medische problematiek’) voor urgentie in aanmerking komt. SUWR heeft eiseres in dit kader aangeboden om haar medische problematiek voor te leggen aan een onafhankelijke medisch adviseur van de GGD. Dit onderzoek is er niet gekomen, omdat eiseres de eigen bijdrage van € 50,- niet wilde betalen. SUWR heeft ter zitting toegelicht dat uit de medische informatie van de huisarts (patiëntenkaart), die eiseres in bezwaar heeft overgelegd, niet is gebleken dat tot een andere conclusie zou moeten worden gekomen. De voorzieningenrechter onderschrijft dat. Eiseres heeft eerder, op 20 augustus 2024, een urgentieaanvraag op medische grondslag gedaan, en de medisch adviseur heeft toen geconcludeerd dat eiseres niet op korte termijn (binnen drie maanden) een andere woning nodig had. Uit de informatie van de huisarts blijkt niet dat de medische situatie van eiseres inmiddels zodanig is verslechterd dat SUWR zonder meer aanleiding had moeten zien voor het inschakelen van een medisch adviseur.
11. De voorzieningenrechter heeft echter wel begrip voor de lastige situatie waarin eiseres zich (met haar kinderen) bevindt. De voorzieningenrechter begrijpt ook dat eiseres graag naar een andere, grotere woning zou verhuizen zodat haar kinderen meer rust, stabiliteit en ruimte krijgen. Dit doel kan echter niet in de onderhavige procedure worden bereikt. De voorzieningenrechter kan eiseres nog wel de volgende handreikingen bieden. Zoals ter zitting is besproken, zou eiseres zich kunnen wenden tot de verhuurafdeling van Stichting Waterweg Wonen om te bespreken in hoeverre zij in aanmerking kan komen voor een woningruil, of voorrang kan krijgen bij het doorstromen naar andere woonruimte. Zij laat immers een sociale huurwoning achter, die voor een andere doelgroep erg geschikt zou kunnen zijn. Tevens zou zij zich kunnen inschrijven bij Woonnet Rijnmond en daar een vergelijkbaar verzoek kunnen doen. Verder zou zij haar kansen op een andere woning kunnen verbreden door zich ook in te schrijven voor de regio Midden-Delfland of de Hoeksche Waard, waar de wachttijden minder lang zijn.