Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2040

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/4302
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:57 AwbWet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid per 1 juli 2024

Eiseres, laatstelijk werkzaam als callcentermedewerker, meldde zich op 25 september 2020 ziek. Na een eerdere WIA-beoordeling waarbij zij geschikt werd geacht voor meerdere functies, meldde zij zich opnieuw ziek per 1 juli 2024 wegens vermeende toegenomen beperkingen. Het UWV weigerde daarop een Ziektewetuitkering met ingang van die datum.

Een verzekeringsgeneeskundig onderzoek van november 2024 concludeerde dat eiseres geschikt bleef voor ten minste drie van de eerder geselecteerde functies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde dit oordeel in april 2025, stellende dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen, mede gelet op het ontbreken van nieuwe medische diagnoses en het chronische karakter van haar klachten.

Eiseres voerde in beroep aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische problematiek en informatie van GGZ BuurtzorgT. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat eiseres geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die het oordeel van de verzekeringsarts konden weerleggen.

De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiseres per 1 juli 2024 geschikt was voor arbeid en daarom geen recht had op een Ziektewetuitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg het griffierecht niet terug. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiseres geen recht heeft op een Ziektewetuitkering per 1 juli 2024.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4302

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseers], uit Rotterdam, eiseres,

(gemachtigde: mr. M.A.E. Bol),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV,

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres terecht een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is geweigerd. Het UWV heeft eiseres terecht in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid per 1 juli 2024.

Procesverloop

Met het besluit van 20 november 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV eiseres met ingang van 1 juli 2024 een ZW-uitkering geweigerd.
Met het besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Op 5 september 2025 is nog een nader stuk van eiseres ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
De rechtbank heeft het beroep tezamen behandeld met het beroep van eiseres in de zaak ROT 24/7001. De rechtbank heeft beide beroepen tijdens de zitting geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in te dienen ter zake de procedure in de zaak ROT 24/7001.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter nadere zitting achterwege gebleven en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het besluit

1. Eiseres, die laatstelijk werkzaam is geweest als callcentermedewerker, heeft zich op 25 september 2020 voor dit werk ziek gemeld.
1.1.
Met het besluit van 5 juni 2024 heeft het UWV bepaald dat eiseres in aansluiting op de toepasselijke wachttijd meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd, zodat zij met ingang van 23 september 2022 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij deze schatting is eiseres geschikt geacht voor de functies productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071).
1.2.
Eiseres heeft zich hierna met ingang van 1 juli 2024 vanuit de situatie dat zij een uitkering kreeg op grond van de Werkloosheidswet opnieuw ziek gemeld wegens toegenomen beperkingen.
2. In verband met de hiervoor genoemde ziekmelding heeft op 11 november 2024 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In het rapport van 19 november 2024 overweegt de verzekeringsarts dat tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek geen beperkingen geobjectiveerd konden worden die aannemelijk maken dat de door eiseres ervaren klachten leiden tot het niet kunnen uitvoeren van de geselecteerde functies. De verzekeringsarts concludeert zodoende dat eiseres op nog steeds geschikt is te achten voor ten minste drie van de eerder in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies.
Het UWV heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts, vervolgens het primaire besluit genomen.
3. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 april 2025 overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig is geweest en dat hem[haar] niet is gebleken dat de verzekeringsarts een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt verder dat eiseres al enkele decennia bekend is met (chronische) diffuse pijnklachten in het houdings- en bewegingsapparaat en dat een toename van de beperkingen niet te onderbouwen is nu eiseres in de periode tussen 23 september 2022 en 1 juli 2024 geen ziekenhuisspecialisten heeft bezocht of nieuw diagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de suikerziekte wordt overwogen dat deze op 24 april 2024 nog goed was ingesteld. Over de psychische problematiek wordt overwogen dat de behandeling hiervoor in september 2022 is beëindigd en dat eiseres op dit moment geen psychische behandeling heeft, behalve het doorgebruiken van de Sertraline, die zij al 20 jaar neemt. Dat de diagnose ernstige depressie is gesteld betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat dit leidt tot toegenomen beperkingen. De psychische problematiek is immers al vele jaren aanwezig en wordt onderhouden door de jaren bestaande zorgen om haar schizofrene dochter. Hierin is op en na 1 juli 2024 niets veranderd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geen aanleiding gezien van het medische oordeel van de verzekeringsarts af te wijken.
Met het bestreden besluit heeft het UWV, onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunt eiseres

4. In beroep voert eiseres aan dat haar beperkingen tot het verrichten van arbeid niet juist zijn vastgesteld en dat zij daardoor niet in staat is de eerder in de WIA-beoordeling geduide functies te verrichten. Er is onvoldoende rekening gehouden met de informatie van GGZ buurtzorgT en de gestelde diagnose ernstige depressie.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het UWV eiseres terecht met ingang van 1 juli 2024 in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Juridisch kader
6. Bij de beoordeling van het beroep zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.
6.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
6.2.
Een uitzondering doet zich voor wanneer de verzekerde, na het volbrengen van de voor hem toepasselijke wachttijd op grond van de Wet WIA, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in ander werk is hervat. In dat geval geldt als "zijn arbeid": de aan de verzekerde voorgehouden functies bij de beoordeling van de aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste drie van de geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA. [1]
7. De rechtbank stelt voorop dat de in het kader van de Wet WIA opgestelde FML en de daarop gebaseerde functies het uitgangspunt vormen in deze procedure.
7.1.
Indien een of meer van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies volgens de verzekeringsarts in verband met de toegenomen beperkingen van een verzekerde niet langer geschikt blijken, zal het UWV moeten beoordelen of er van de oorspronkelijk geselecteerde functies ten minste drie geschikte functies met ieder ten minste drie arbeidsplaatsen resteren. Is dit niet het geval, dan is de betrokkene daarmee ongeschikt te achten voor zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW. Resteren er ten minste drie functies met ieder ten minste drie arbeidsplaatsen, dan zal het UWV de (mediane) loonwaarde, welke ten tijde van de WIA-beoordeling aan die functies verbonden was, moeten vergelijken met het destijds geldende maatmanloon. Indien die vergelijking uitwijst dat onveranderd sprake is van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%, dan is de betrokkene niet ongeschikt voor zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW. Daarbij staat in het bijzonder ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de FML van 21 mei 2024 moet worden aangepast en de geselecteerde functies niet (meer) passend zijn, laat de rechtbank de bespreking van die gronden daarom achterwege.
Toepassing van het juridisch kader in dit geval
8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts, het gestelde in het bezwaarschrift en ter hoorzitting van 11 april 2024, alsmede op medische informatie afkomstig van BuurtzorgT van 2 januari 2025, het patiëntendossier fysiotherapie vanaf 18 september 2024 en een brief van de reumatoloog van 13 januari 2025. Het onderzoek heeft daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
8.1.
De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit verband in het rapport van 14 april 2025 inzichtelijk gemotiveerd dat, nu er geen aanwijzingen zijn voor nieuwe diagnoses in het tijdvak 23 september 2022 tot en met 1 juli 2024 en de pijnklachten sinds vele jaren chronisch zijn geworden, niet gesteld kan worden dat de fysieke beperkingen zijn toegenomen. Ook ten aanzien van de psychische problematiek wordt gemotiveerd dat deze al vele jaren aanwezig zijn sinds een traumatische gebeurtenis op haar 17e, en wordt onderhouden door de al jaren bestaande zorgen om de schizofrene dochter van eiseres. Over de geclaimde ernst van de depressie merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat deze niet is geobjectiveerd tijdens de spreekuren van 24 april 2024 en 11 november 2024. Weliswaar was de stemming somber, maar het affect moduleerde goed en cognitieve tekorten werden bij de spreekuren niet opgemerkt. Eiseres heeft in beroep verder niet met (nieuwe) medische gegevens aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van haar gezondheidstoestand op 1 juli 2024. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie dat sprake is van toegenomen beperkingen te trekken.
8.2.
In de zaak ROT 24/7001, welke uitspraak op dezelfde datum als deze uitspraak gedaan is, heeft de rechtbank overwogen dat de in het kader van de WIA-procedure de hangende beroep nieuw geselecteerde functie geschikt voor eiseres wordt geacht per
22 september 2022. Nu sprake is van geen toegenomen beperkingen, wordt eiseres ook dientengevolge geschikt geacht voor deze functie.

Conclusie en gevolgen

9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het UWV eiseres terecht met ingang van
1 juli 2024 in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid zijnde drie van de eerder in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies.
10. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen ZW-uitkering krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie hiervoor de uitspraak van de Raad van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672 (te raadplegen via rechtspraak.nl).