Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2041

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
ROT 24/7001
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbArt. 8:57 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Eiseres, voormalig callcentermedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd op grond van een arbeidsongeschiktheid van 14,22%. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 29,26%, maar bleef onder de 35% grens voor uitkeringsgerechtigdheid. Eiseres betwistte de beoordeling, met name de urenbeperking en geschiktheid van de voorgestelde functies.

De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en overtuigend was uitgevoerd. De arbeidsdeskundige concludeerde dat eiseres geschikt was voor bepaalde functies met een arbeidspatroon dat rekening hield met haar beperkingen en rustbehoefte. De rechtbank volgde dit oordeel en verwierp de bezwaren van eiseres over de geschiktheid van functies en de urenbeperking.

Eiseres viel niet onder de 60-plusmaatregel omdat zij het einde van de wachttijd bereikte vóór het toepassingsgebied van deze regeling. Hoewel het bestreden besluit niet volledig deugdelijk was gemotiveerd, achtte de rechtbank dit niet benadelend voor eiseres omdat zij in beroep gelegenheid had gehad te reageren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het UWV in de proceskosten van €1.868,- en bepaalde dat het griffierecht van €51,- aan eiseres wordt vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Haan op 3 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht de WIA-uitkering geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7001

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres,

(gemachtigde: mr. M.A.E. Bol),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV, (gemachtigde: [naam]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Rotterdam, (ex-)werkgever, (gemachtigde: mr. I. Plaisier).

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het UWV terecht een uitkering aan eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft geweigerd. Het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in beroep kan gevolgd worden. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de proceskosten te veroordelen.

Procesverloop

Met het besluit van 28 juni 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering per einde wachttijd 23 september 2022 (datum in geding, DIG) afgewezen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 14,22%.
Met het besluit van 5 juni 2024 (het bestreden besluit) heef het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 29,26%.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat alleen de gemachtigde van de ex-werkgever van de medische stukken kennis mag nemen. De rechtbank zal in de uitspraak geen medische informatie opnemen, om te voorkomen dat de ex-werkgever alsnog kennisneemt van de medische situatie van eiseres.
Op 9 september 2025 heeft de rechtbank van eiseres nog medische stukken ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
De rechtbank heeft het beroep tezamen behandeld met het beroep van eiseres in de zaak ROT 25/4302. De rechtbank heeft beide beroepen tijdens de zitting geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in te dienen.
Het UWV heeft op 21 oktober 2025 een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2025 ingediend.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en heeft op 8 december 2025 een reactie ingediend.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter nadere zitting achterwege gebleven en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het besluit

1. Eiseres, laatstelijk werkzaam als callcentermedewerker, heeft zich op
25 september 2020 ziekgemeld voor dit werk vanwege gezondheidsklachten.
1.1.
In het kader van de beoordeling van de aanvraag van eiseres heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De arts, wiens oordeel getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, heeft eiseres op het spreekuur gezien en op 19 juni 2023 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 27 juni 2023, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat zij niet geschikt is voor haar eigen werk, maar wel voor de geselecteerde functies in de SBC-codes en namen: 111180 productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), 272043 productiemedewerker textiel, geen kleding, 111160 textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel). Aanvullend wordt eiseres geschikt geacht voor de functie 267071 assemblagemedewerker besturingskasten en panelen. Het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 14,22% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen).
Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.
2. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 14 mei 2024 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 21 mei 2024 nogmaals een FML opgesteld, die geldig is per DIG. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 27 mei 2024 eveneens geen aanleiding gezien om af te wijken van het oordeel van de primaire arbeidsdeskundige. Aan de hand van de opgestelde FML per de datum in geding heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies in de SBC-codes en namen: 272043 productiemedewerker textiel, geen kleding, 111180 productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) en 267071 assemblagemedewerker besturingskasten en panelen geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres wordt daarmee vastgesteld op 29,26%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

3. Eiseres is het niet eens met het UWV. Zij stelt dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Er is een urenbeperking aangenomen van 30 uur per week, maximaal 32 uur per week. Het is eiseres onduidelijk waarom geen urenbeperking is aangenomen van 6 uur per dag in verband met de rustbehoefte die zij heeft. Eiseres voert verder aan dat de geduide functies niet passend zijn, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Er zijn functies geduid van 8 uur per dag. Ten aanzien van de rustbehoefte ontbreekt een onderbouwing. Ook meent eiseres dat zij benadeeld wordt, omdat zij net buiten de 60+ maatregel valt.

Beoordeling door de rechtbank

4 De te beantwoorden vraag is of het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres geen recht heeft op een uitkering per DIG omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiseres daartegen in heeft gebracht.
Medische grondslag van het bestreden besluit
5. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het gestelde in het bezwaarschrift en ter hoorzitting van 24 april 2024, alsmede op medische informatie afkomstig van de curatieve sector. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van eiseres heeft gemist.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van eiseres op 23 september 2022 in het rapport op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de primaire arts eiseres ruim is gevolgd in haar geclaimde beperkingen. Strikt genomen zou de aangegeven urenbeperking niet van toepassing zijn, gezien de aanwezige (medische) feiten en omstandigheden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ontbreken namelijk duidelijk ernstige ziektebeelden waardoor sprake is van een stoornis in de energiehuishouding of preventieve maatregelen dienen te worden aangegeven, of een behandeling waardoor eiseres verminderd beschikbaar zou zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat er geen nieuwe medische feiten en/of omstandigheden naar voren komen om verdergaande beperkingen aan te nemen in de FML.
De rechtbank kan deze redenering volgen en ziet in wat eiseres in beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding te twijfelen aan de medische belastbaarheid van eiseres op 23 september 2022 zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft vastgesteld. De in beroep nog overgelegde medische stukken zijn niet relevant voor de situatie per DIG
6. Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt.
Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
7. In het aanvullend rapport in beroep van 16 november 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de vraag van rechtbank of de te werken uren in de geselecteerde functies verdeeld kunnen worden over vijf dagen opdat er aan de recuperatiebehoefte kan worden voldaan, beantwoord.
7.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat voor de functie 111180 productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) een arbeidspatroon van 6,2 uur per dag kan worden gehanteerd, waardoor deze functie binnen de belastbaarheid van eiseres blijft. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt in zijn rapport eveneens tot de conclusie dat de functie 267071 assemblagemedewerker besturingskasten en panelen niet geschikt is voor eiseres, omdat het niet mogelijk is de uren te verdelen over vijf werkdagen. In dezelfde SBC-code kan geen andere functies worden geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft eiseres wel geschikt geacht voor de functie 315030 secretarieel medewerker, waarin een arbeidspatroon van maximaal
7 uur per dag wordt gehanteerd waardoor 1 uur rust mogelijk is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep acht deze functie passend bij het opleidingsniveau van eiseres, omdat zij aan de diplomavereisten voldoet en tenminste 1 jaar ervaring heeft met administratieve processen vanuit haar functie als callcentermedewerker. Uit de ‘arbeidsmogelijkhedenlijst AO-criterium Wet WIA’ ter zake de functie 272043 productiemedewerker, geen kleding, volgt een arbeidspatroon van maximaal 6 uur per dag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 16,73%.
7.2.
In het licht van de reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de beroepsgronden van eiseres komt de rechtbank tot het oordeel dat het oordeel van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat eiseres geschikt is voor de geselecteerde functies gevolgd kan worden. Hetgeen eiseres in beroep bij brief van 8 december 2025 heeft aangevoerd tegen de geselecteerde functie van 315030 secretarieel medewerker, wordt niet gevolgd. De door eiseres genoemde overschrijdingen van haar belastbaarheid volgen niet uit de in het CBBS genoemde signaleringen voor deze functie. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen die bij eiseres zijn vastgesteld, ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies in twijfel te trekken. Het standpunt van eiseres dat zij de functies gezien haar recuperatiebehoefte en medische klachten niet kan verrichten is in feite gericht tegen de vastgestelde FML. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat er geen reden is om aan die vaststelling te twijfelen.
8. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de 60-plusmaatregel overweegt de rechtbank dat sprake is van een buitenwettelijke maatregel, met een doelgroep die bewust duidelijk is afgebakend, waarbij gekozen is voor objectieve criteria. Dat betekent dat alle 60-plussers die tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 het einde van de wachttijd bereiken, gebruik kunnen maken van de vereenvoudigde claimbeoordeling. [1] Met de maatregel handelt het UWV de WIA-aanvragen van personen die op of na
1 oktober 2022 het einde van de wachttijd bereiken én op die datum 60 jaar of ouder zijn, vereenvoudigd af. Het UWV heeft dit in de Handreiking nader uitgewerkt en in lijn hiermee de 60-plusmaatregel bij eiseres niet toegepast. Eiseres heeft op 22 september 2022 het einde van de wachttijd bereikt en dat is buiten het tijdvak van 1 oktober 2022 tot en met
31 december 2024. Eiseres valt daarom niet onder de reikwijdte van de 60-plusmaatregel.
9. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 16,73%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is door het UWV dus terecht bepaald op minder dan 35%.
10. Omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in beroep aanleiding heeft gezien om een andere functie te selecteren en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vast te stellen op 16,73%, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. De rechtbank acht het echter aannemelijk dat eiseres hierdoor niet is benadeeld, nu zij in beroep de gelegenheid is geboden hierop te reageren zoals zij bij brief van 8 december 2025 heeft gedaan, zodat deze schending met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zal worden gepasseerd.

Conclusie en gevolgen

11. Het UWV heeft terecht geweigerd om eiseres per 23 september 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het beroep van eiseres is ongegrond.
12. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aanleiding om het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. Voor de kosten in beroep gaat het om 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1. Ook moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht tot een bedrag van € 51,- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 3 maart 2026 door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nr. 1171, p. 40.