ECLI:NL:RBROT:2026:2055

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12005371 VV EXPL 25-759
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:267 BWArt. 7:231 BWArt. 7:219 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering na burgemeestersluiting café wegens geweldsincident

In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een bedrijfsruimte die als café wordt geëxploiteerd, na een burgemeestersluiting wegens een eenmalig geweldsincident waarbij de onderhuurder betrokken was. De burgemeester sloot het café voor een periode van drie maanden op grond van de Algemene plaatselijke verordening.

Eiser had de huurovereenkomst met gedaagde buitengerechtelijk ontbonden vanwege de sluiting en vordert ontruiming. Gedaagde betwist dit en stelt dat zij geen zeggenschap had over het geweldsincident en dat de ontbinding onredelijk is.

De kantonrechter oordeelt dat, ook als eiser bevoegd was tot buitengerechtelijke ontbinding, deze ontbinding onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het geweldsincident was een eenmalige gebeurtenis waarbij ook het slachtoffer mogelijk een rol speelde. Gedaagde had geen actieve rol in het incident en geen invloed op het café. Bovendien leidt ontruiming tot onzekere en nadelige gevolgen voor gedaagde.

De kantonrechter acht het niet waarschijnlijk dat de bodemrechter tot ontbinding zal overgaan en wijst de ontruimingsvordering af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.009,00 met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad voor de proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen omdat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst onaanvaardbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12005371 VV EXPL 25-759
datum uitspraak: 16 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. S.O. Voogt,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.P.V. den Engelsman.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 9 januari 2026, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] .
1.2.
Op 2 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met zijn gemachtigde en namens [gedaagde] de heer [naam 1] met de gemachtigde van [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] verhuurt sinds 1 oktober 2010 de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde) aan [gedaagde] . Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als café met bovenliggende bedrijfswoning. [gedaagde] verhuurt het gehuurde op haar beurt onder aan [naam 3] (hierna: [naam 3] ), die in het gehuurde café [naam 4] (hierna: het café) exploiteert.
2.2.
In de nacht van 11 september 2025 heeft een geweldsincident plaatsgevonden, waarbij in de buurt van het café een bezoeker van het café met een stok is geslagen door [naam 3] .
2.3.
Dit heeft ertoe geleid dat de burgemeester vanwege het ernstige geweldsincident het café op 12 september 2025 met spoed heeft gesloten voor de duur van twee weken. De burgemeester heeft de sluiting op 25 september 2025 verlengd tot 12 december 2025.
De burgemeester heeft het besluit gebaseerd op bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening [plaats] 2012.
2.4.
[naam 3] heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat het café weer open zou mogen totdat op zijn bezwaarschrift zou zijn beslist. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek van [naam 3] bij uitspraak van
28 oktober 2025 afgewezen.
2.5.
Bij brief van 10 november 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] het volgende aan [gedaagde] geschreven:
“(…)
Nu het gehuurde op last van de Burgemeester is gesloten (eerst voor 2 weken en daarna voor in totaal 3 maanden), ontbind ik namens de verhuurder hierbij buitengerechtelijk de met u gesloten huurovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 6:267 juncto Pro artikel 7:231, lid 2 BW.
(…)
Op grond van deze buitengerechtelijke ontbinding bent u per direct verplicht om het gehuurde leeg en ontruimd aan cliënt op te leveren.
(…)”
2.6.
[eiser] eist nu in deze procedure - in navolging van de buitengerechtelijke ontbinding - dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] is het niet eens met deze eis. Dat wat partijen naar voren hebben gebracht, komt, voor zover van belang, hierna aan de orde.
Juridisch kader kort geding
2.7.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de gedaagde partij als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
[gedaagde] hoeft het gehuurde niet te ontruimen
2.8.
De ontruimingsvordering wordt afgewezen. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
Buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
2.9.
Het uitgangspunt is dat een huurovereenkomst met betrekking tot een gebouwde onroerende zaak, zoals woonruimte of bedrijfsruimte, door de rechter moet worden ontbonden en dat ontbinding van zo’n gebouwde onroerende zaak niet buitengerechtelijk mag plaatsvinden (artikel 7:231 lid 1 BW Pro). Van dit uitgangspunt mag worden afgeweken als er - kort gezegd - sprake is van een burgemeestersluiting op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet of de Woningwet (artikel 7:231 lid 2 BW Pro).
2.10.
De kantonrechter begrijpt dat tussen partijen in geschil is of [eiser] het recht had om op grond van de wet (artikel 7:231 lid 2 BW Pro) de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk te ontbinden op grond van de burgemeestersluiting. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het antwoord op deze vraag in het midden kan blijven. Als ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] op zich de bevoegdheid had om de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk te ontbinden, vindt de kantonrechter dat de buitengerechtelijke ontbinding met haar gevolgen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
2.11.
De reden van de burgemeestersluiting is het geweldsincident dat in de nacht van
11 september 2025 heeft plaatsgevonden. Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van dit geweldsincident, houdt de kantonrechter er rekening mee dat dit een eenmalig incident betrof, waarbij zoals uit de politierapportage van 18 september 2025 blijkt het slachtoffer zichtbaar onder invloed van middelen was. Niet uit te sluiten valt derhalve dat ook het slachtoffer een rol heeft gespeeld in de escalatie van het incident.
De huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [naam 3] bestaat kennelijk inmiddels al jaren, terwijl niet is gebleken dat er sprake zou zijn van eerdere negatieve incidenten in of vanuit het café en/of dat het café bijvoorbeeld als onveilig bekend zou staan. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat [gedaagde] als hoofdhuurder en onderverhuurder een actieve rol had moeten spelen bij het voorkomen van een geweldsincident. Dat het geweldsincident heeft kunnen plaatsvinden ligt daarmee niet in de risicosfeer van [gedaagde] .
2.12.
De kantonrechter kan zich voorstellen dat [eiser] er naar aanleiding van de burgemeestersluiting belang bij zou hebben om van [gedaagde] als huurster af te komen als [gedaagde] feitelijk enige zeggenschap en/of invloed zou hebben op dat wat er in het café gebeurt, maar niet is gesteld of gebleken dat daar sprake van is. [eiser] heeft in dit kader gewezen op artikel 7:219 BW Pro en gesteld dat [gedaagde] op basis daarvan aansprakelijk is “op gelijke wijze als voor eigen gedragingen”. Deze wetsbepaling gaat echter over risicoaansprakelijkheid voor schade aan het gehuurde en kan in deze zaak niet toegepast worden.
2.13.
Daar komt bij dat een ontbinding van de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] in principe niet de onderhuurovereenkomst tussen [gedaagde] en [naam 3] raakt. Die onderhuurovereenkomst wordt door de ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst niet automatisch ook rechtsgeldig ontbonden of opgezegd. Ontruiming van het gehuurde door [gedaagde] leidt er wel toe dat zij haar verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst richting [naam 3] niet kan nakomen. Dat kan haar schadeplichtig maken jegens [naam 3] . Ook betekent dit dat zij van de ene op andere dag huurinkomsten moet missen. Eén en ander betekent dat voor [gedaagde] aan de ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst negatieve, en op dit moment deels onzekere, gevolgen kleven.
Dit acht de kantonrechter voor [gedaagde] , die geen zeggenschap of invloed had binnen het café, feitelijk niets te maken had met het geweldsincident én het geweldsincident ook niet had kunnen voorkomen, onredelijk en onaanvaardbaar.
De kantonrechter acht niet waarschijnlijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden
2.14.
[eiser] lijkt de ontruimingsvordering ook te baseren op het kennelijke subsidiaire standpunt dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken op grond van (toerekenbare) tekortkomingen van [gedaagde] .
De kantonrechter vindt dat [eiser] deze grondslag onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet geconcretiseerd door welk handelen of juist nalaten [gedaagde] tekort zou zijn geschoten in haar verplichtingen als huurster. Voor zover de burgemeestersluiting al voldoende zou zijn om een tekortkoming van [gedaagde] aan te nemen, oordeelt de kantonrechter onder verwijzing naar de vorige rechtsoverweging dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd wordt geacht, gelet op alle omstandigheden, waaronder de rol van [gedaagde] en haar belangen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.15.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op
€ 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 1.009,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.009,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
757