ECLI:NL:RBROT:2026:2056

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
11993343 VV EXPL 25-746
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628 BWArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 6:119 BWArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens onvoldoende onderbouwing en verrekeningsverweer

Eiser vordert betaling van achterstallig loon en vakantietoeslag over de periode juni tot november 2025, stellende dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst 263 uur heeft gewerkt tegen €30 netto per uur. Gedaagde betwist de arbeidsovereenkomst en stelt dat eiser als zelfstandige op basis van een overeenkomst van opdracht werkte, met minder gewerkte uren dan eiser stelt.

De kantonrechter oordeelt dat het niet relevant is of er een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht was, omdat de loonvordering niet toewijsbaar is. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij daadwerkelijk 263 uur heeft gewerkt; het door gedaagde overgelegde tekstbericht suggereert een lager aantal uren. Daarnaast weegt het verrekeningsverweer van gedaagde, die tegenvorderingen heeft die het gevorderde bedrag overstijgen, zwaar.

Het restitutierisico vanwege de verblijfplaats van eiser in Costa Rica en het ontbreken van voldoende bewijs leiden tot afwijzing van de loonvordering en nevenvorderingen. De vordering tot afgifte van salarisspecificaties wordt eveneens afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op €1.009,00, met wettelijke rente, en deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Loonvordering en nevenvorderingen worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en verrekeningsverweer; eiser wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11993343 VV EXPL 25-746
datum uitspraak: 12 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. K. Boukema,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam
[bedrijf],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigden: mr. F.F. Oldegbers en mr. R.S. Bosch.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van [eiser] van 29 december 2025, met bijlagen;
  • de mail van [gedaagde] van 2 februari 2026, met bijlagen
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] ;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden van [gedaagde] , met bijlagen.
1.2.
Op 3 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de gemachtigde van [eiser] en [gedaagde] met zijn gemachtigden.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft een bedrijf dat werkzaamheden, zoals bestratingswerkzaamheden en rioleringswerkzaamheden, voor opdrachtgevers verricht. [eiser] komt uit [land] . [eiser] en [gedaagde] hebben elkaar in Costa Rica ontmoet tijdens een vakantie van [gedaagde] in Costa Rica. [eiser] en [gedaagde] hebben contact met elkaar onderhouden via WhatsApp toen [gedaagde] weer terug was in Nederland. [eiser] is via Spanje op 17 juni 2025 naar Nederland gekomen om te werken voor [gedaagde] . Hij is bij [gedaagde] ingetrokken en heeft bestratingswerkzaamheden verricht voor/via [gedaagde] . [gedaagde] en [eiser] spraken met elkaar af dat [eiser] € 30,00 (netto) per (gewerkt) uur zou krijgen van [gedaagde] . [gedaagde] vertelde aan [eiser] dat hij zich als zelfstandige moest inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat hij op basis van facturen betaald zou krijgen van [gedaagde] . [eiser] deed dat en verstuurde facturen aan [gedaagde] . [eiser] heeft ongeveer zes weken gewerkt voor [gedaagde] en is op een gegeven moment vertrokken uit de woning van [gedaagde] . In november 2025 is [eiser] teruggekeerd naar Costa Rica.
2.2.
[eiser] heeft van [gedaagde] op 14 juli 2025 een bedrag van € 2.010,00, op 4 augustus 2025 een bedrag van € 1.170,00 en op 5 september 2025 een bedrag van € 1.404,00 ontvangen.
2.3.
[eiser] eist in deze procedure dat [gedaagde] veroordeeld wordt aan hem te betalen achterstallig loon van € 2.704,00 (netto) met vakantietoeslag over de periode vanaf medio juni tot en met medio augustus 2025 en een totaalbedrag van € 15.600,00 (netto) over de periode vanaf medio augustus tot en met medio november 2025, met wettelijke verhoging en rente. Daarnaast vordert [eiser] afgifte van salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom.
2.4.
[eiser] baseert de eis op het volgende.
Volgens [eiser] heeft hij voor [gedaagde] gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van vijf maanden. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in totaal 263 uur voor [gedaagde] heeft gewerkt en daarom een totaalbedrag van (263 x € 30,00=) € 7.890,00 zou moeten krijgen over de gewerkte periode. [eiser] heeft echter te weinig gekregen; volgens hem zou er nog € 2.704,00 netto betaald moeten worden, vermeerderd met vakantietoeslag. Die 263 uur aan werk bestaat volgens [eiser] ook uit tijd voor het vervoeren van prostituees voor [gedaagde] .
Over de periode dat [eiser] geen werkzaamheden meer voor [gedaagde] verrichtte, maar de arbeidsovereenkomst nog voortduurde, moet [gedaagde] het loon van [eiser] van € 5.200,00 per maand betalen, omdat het in de risicosfeer van [gedaagde] ligt dat [eiser] niet meer is opgeroepen.
2.5.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan.
[gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft een klein bedrijfje dat geen personeel in dienst heeft. Hij krijgt klussen van opdrachtgevers en huurt daar mensen voor in als dat nodig is. Volgens [gedaagde] heeft hij [eiser] duidelijk gemaakt dat hij niet bij hem in dienst zou treden, maar dat hij als zelfstandige bestratingswerkzaamheden in opdracht van [gedaagde] zou kunnen uitvoeren tegen het uurtarief van € 30,00. [eiser] heeft in totaal niet 263 uur voor [gedaagde] gewerkt, maar minder, en het vervoeren van prostituees gebeurde niet in opdracht van hem, aldus [gedaagde] .
[gedaagde] heeft zich verder subsidiair beroepen op verrekening van vorderingen van hem op [eiser] met een eventuele vordering van [eiser] op [gedaagde] .
In het kader van deze procedure stelt [gedaagde] ook dat het spoedeisend belang ontbreekt en dat het restitutierisico aan toewijzing van de vorderingen in de weg moet staan.
2.6.
Verder vindt [gedaagde] dat er sprake is van misbruik van procesrecht en eist hij daarom om [eiser] te veroordelen in de volledige werkelijke proceskosten.
Juridisch kader kort geding
2.7.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de gedaagde partij als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Er is sprake van spoedeisend belang
2.8.
De vereiste spoedeisendheid voor ontvankelijkheid in deze procedure wordt voldoende aannemelijk geacht, omdat [eiser] stelt dat hij een grote behoefte aan inkomen heeft en [gedaagde] dat niet voldoende heeft betwist.
De vorderingen worden afgewezen
2.9.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Er is een gerede kans dat de rechter in een gewone procedure tot het oordeel zou komen dat [gedaagde] een tegenvordering heeft op [eiser] die het bedrag aan achterstallig loon overstijgt. De kantonrechter houdt bij zijn oordeel tevens rekening met het restitutierisico. De kantonrechter legt dit hierna uit.
Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht niet van belang
2.10.
Tussen partijen is in geschil of sprake was van een arbeidsovereenkomst van partijen of dat [eiser] op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden verrichtte voor [gedaagde] . Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven, omdat de loonvordering van [eiser] niet toewijsbaar is, of er nu sprake is van een arbeidsovereenkomst of niet. Dit wordt hierna verder uitgelegd.
Loon vanaf medio augustus niet toewijsbaar
2.11.
Het gevorderde loon vanaf medio augustus 2025 is niet toewijsbaar, om de volgende redenen.
2.12.
Als er sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor de duur van vijf maanden, zoals [eiser] heeft gesteld, dan moet [gedaagde] het loon van [eiser] ook over de periode dat hij niet heeft gewerkt in beginsel uitbetalen, tenzij het niet werken door [eiser] in redelijkheid voor rekening van [eiser] dient te komen (artikel 7:628 BW Pro). Naar het oordeel van de kantonrechter is dit laatste het geval, als er al sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Immers, duidelijk is geworden dat [eiser] na onenigheid tussen partijen uit de woning van [gedaagde] is vertrokken en vervolgens geen werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht, terwijl uit niets blijkt dat [eiser] in die periode nog beschikbaar was voor werk in opdracht van [gedaagde] . In ieder geval is niet gebleken dat hij zich na medio augustus nog beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van werkzaamheden voor [gedaagde] . Daarom komt in dit geval het niet verrichten van werkzaamheden vanaf medio augustus 2025 in redelijkheid voor rekening van [eiser] .
2.13.
Als de werkzaamheden zouden zijn verricht op basis van een overeenkomst van opdracht, dan heeft [eiser] niet aan zijn stelplicht voldaan. Hij heeft bijvoorbeeld niet uitgelegd waarom hij meent dat de overeenkomst na medio augustus 2025 is voortgezet en ook niet waarom hij recht zou hebben op loon over de periode dat er geen werkzaamheden zijn verricht.
Achterstallig loon over de gewerkte periode niet toewijsbaar
2.14.
Vast staat dat [eiser] voor [gedaagde] werkzaamheden zou verrichten en heeft verricht tegen een uurtarief van € 30,00 (netto). De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] [eiser] heeft uitbetaald met inachtneming van dat uurtarief. Als de overeenkomst gekwalificeerd zou moeten worden als een arbeidsovereenkomst, dan zou het nettoloon per uur in ieder geval niet hoger zijn dan € 30,00 per uur.
2.15.
Het is aan [eiser] om uit te leggen waarom hij nog recht zou hebben op een bedrag aan loon. In dat kader heeft hij gesteld dat hij in totaal 263 uur heeft gewerkt voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit op zijn beurt gemotiveerd betwist door te stellen dat partijen, anders dan [eiser] stelt, geen 40-urige werkweek met elkaar hebben afgesproken en dat [eiser] in sommige weken veel minder uren dan 40 uur werkte.
2.16.
Een afspraak dat [gedaagde] [eiser] altijd voor 40 uur werk per week zou uitbetalen, zoals bijvoorbeeld op basis van een arbeidsovereenkomst het geval kan zijn, volgt nergens uit. Gelet op het gemotiveerde verweer op dit punt, had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling dat een arbeidsduur van 40 uur per week zou zijn afgesproken nader te onderbouwen, maar dat heeft hij niet gedaan.
2.17.
[gedaagde] heeft verder een tekstbericht van [eiser] zelf in het geding gebracht, waarin [eiser] opgave doet van de door de hem gewerkte uren in de weken 25 tot en met 28. Uit dat tekstbericht lijkt te volgen dat [eiser] in die periode in totaal 136 uur heeft gewerkt. [gedaagde] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] gedurende de laatste twee weken (weken 29 en 30) 40 uur per week heeft gewerkt, wat het totaal aantal gewerkte uren op 216 zou brengen. In het licht van dit verweer had [eiser] zijn stelling dat hij in de periode tot medio augustus 2015 daadwerkelijk 40 uur per week heeft gewerkt kunnen en moeten onderbouwen. Hij had bijvoorbeeld roosters, een afschrift van de relevante weken uit zijn agenda, afschriften van gesprekken over het aantal uren en/of verklaringen van opdrachtgevers van [gedaagde] kunnen overleggen. Dit heeft hij niet gedaan. Hij had naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs op dit verweer kunnen anticiperen in de dagvaarding of in ieder geval met een nadere onderbouwing kunnen komen nadat [gedaagde] stukken in het geding had gebracht, waaronder het hiervoor genoemde tekstbericht. De door [eiser] overgelegde facturen, waar geen duidelijke specificatie van gewerkte uren in staat, acht de kantonrechter in ieder geval onvoldoende. Dat hij zelf niet op de zitting aanwezig was en daarom zelf niet ter zitting heeft kunnen reageren op dit deel van het verweer, komt voor zijn rekening en risico.
2.18.
Eén en ander leidt tot het oordeel dat er nu niet van kan worden uitgegaan dat [eiser] in totaal 263 uur voor [gedaagde] heeft gewerkt, nog los van de discussie tussen partijen over de uren voor het vervoeren van prostituees. Daarmee kan er niet van worden uitgegaan dat de gestelde hoogte van het gevorderde loon tot medio augustus 2025 juist is. Ook kan niet met zekerheid vastgesteld worden hoeveel uur [eiser] in ieder geval heeft gewerkt voor [gedaagde] . Op basis van de urenopgave in het hiervoor genoemde tekstbericht, dat [gedaagde] in het geding heeft gebracht, lijkt het niet onaannemelijk dat [gedaagde] nog loon aan [eiser] verschuldigd is. Ook het feit dat [gedaagde] bij de betalingen die hij heeft gedaan vermeld heeft dat het om “voorschotten” ging wijst daarop. Welk bedrag precies nog verschuldigd zou zijn aan achterstallig loon is echter onvoldoende duidelijk geworden. Voor nadere onderbouwing en bewijslevering, zo daartoe al aanleiding zou bestaan, leent een kort geding zich niet.
2.19.
Hoe het ook zij, het verrekeningsverweer van [gedaagde] en het restitutierisico staan aan toewijzing van enig bedrag in de weg. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
2.20.
[gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat hij vorderingen op [eiser] heeft, bijvoorbeeld uit hoofde van geldleningen en een schadevergoedingsvordering vanwege door [eiser] veroorzaakte schade aan zijn auto. [gedaagde] heeft dat onder meer onderbouwd door teksten van WhatsApp-gesprekken te overleggen, waaruit lijkt te volgen dat [gedaagde] , voordat [eiser] voor hem ging werken, bedragen aan hem heeft uitgeleend. Het bedrag van de tegenvordering zou volgens [gedaagde] tenminste even hoog zijn als een eventueel nog aan [eiser] verschuldigd bedrag. [eiser] heeft dit niet voldoende gemotiveerd betwist. Als de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst zou worden gekwalificeerd, dan zou de mogelijkheid van verrekening wellicht beperkt zijn, maar dat sluit niet uit dat [gedaagde] in een bodemprocedure een tegenvordering zou kunnen instellen, waardoor in dat geval uiteindelijk onderaan de streep mogelijk toch niets zou overblijven voor [eiser] . Als het verrekeningsverweer in deze procedure gepasseerd zou worden en een bedrag aan [eiser] toegewezen zou worden, bestaat dus de kans dat dit later wordt teruggedraaid. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] inmiddels weer in Costa Rica woont en dat er daarom in dat geval een groot restitutierisico zou bestaan. De gemachtigde van [eiser] heeft dat tijdens de zitting niet weersproken. Het belang van [gedaagde] om gevrijwaard te blijven van dat restitutierisico weegt onder deze omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder dan het belang van [eiser] om in deze procedure zijn vordering tot betaling van achterstallig loon toegewezen te krijgen.
De nevenvorderingen worden afgewezen
2.21.
De nevenvorderingen tot betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente delen in het lot van afwijzing. Ook de vordering tot afgifte van salarisspecificaties wordt afgewezen, op grond van de belangenafweging. De vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen partijen op basis waarvan [gedaagde] salarisspecificaties aan [eiser] zou moeten verstrekken is in deze procedure niet beantwoord, maar het is niet onaannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure tot het oordeel zou komen dat de overeenkomst als een overeenkomst van opdracht zou moeten worden gekwalificeerd. [eiser] heeft niet gesteld welk belang zij heeft bij toewijzing van deze vordering, terwijl [gedaagde] er daarentegen wel degelijk belang bij heeft om geen salarisspecificaties te hoeven verstrekken.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.22.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 865,00 aan salaris voor de gemachtigden en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 1.009,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. [eiser] hoeft dus niet alle kosten te vergoeden die [gedaagde] heeft gemaakt, zoals [gedaagde] heeft geëist. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dit kan niet snel worden aangenomen, omdat iedereen het recht heeft om een zaak te laten beoordelen door de rechter (artikel 6 EVRM Pro). [1] In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden. Het is de kantonrechter niet gebleken dat [eiser] de kantonrechter bewust onjuist of onvolledig zou hebben geïnformeerd om zijn vordering toegewezen te krijgen of juist een evident kansloze vordering heeft ingediend. Bovendien heeft [gedaagde] niet gesteld hoe hoog zijn werkelijke proceskosten zijn geweest.
Dit vonnis is voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
2.23.
Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eiser] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.009,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
757

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, 5.3.3 en 5.3.4