Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2061

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12013566 HA VERZ 25-101
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 onder g BWArt. 7:671b lid 6 BWArt. 7:671b lid 9 BWArt. 7:673 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding met transitievergoeding

De Stichting Willem van Oranje Onderwijsgroep verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, die sinds 1 augustus 2001 als docent Godsdienst werkzaam was, wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). De werknemer was niet aanwezig bij de zitting en zijn verzoek tot uitstel werd afgewezen omdat hij al medio december 2025 op de hoogte had moeten zijn van het verzoekschrift.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsverhouding sinds 2014 ernstig en duurzaam verstoord is, onder meer door grensoverschrijdend gedrag van de werknemer, voortdurende conflicten over de invulling van het vak, en een mislukte mediation. Herplaatsing in een passende functie was niet mogelijk vanwege het verstoorde vertrouwen.

Hoewel de werknemer stelde arbeidsongeschikt te zijn, was dit niet aannemelijk en hield het ontbindingsverzoek geen verband met eventuele ziekte, zodat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing was. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026, rekening houdend met de opzegtermijn.

De werknemer heeft recht op een transitievergoeding van €61.525,53 bruto, maar geen billijke vergoeding omdat onvoldoende is gesteld over ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026 met toekenning van een transitievergoeding van €61.525,53 aan de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 12013566 HA VERZ 25-101
datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Willem van Oranje Onderwijsgroep,
vestigingsplaats: Gorinchem,
verzoekster,
gemachtigde: mr. J.W. Janse-Venema,
tegen
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘de Stichting’ en ‘ [verzoeker] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van de Stichting (ontvangen op 16 december 2025), met bijlagen;
  • het oproepingsexploot van 23 januari 2026;
  • de brief van 23 januari 2026 namens de Stichting, met aanvullende bijlagen;
  • de brief van 23 januari 2026 van [verzoeker] , waarin hij een verzoek doet om de zitting te verplaatsen;
  • de e-mail van 29 januari 2026 van de heer [naam 2] , met onder andere als bijlage een brief van [verzoeker] waarin hij nogmaals verzoekt om de zitting te verplaatsen;
  • de spreekaantekeningen van mr. Janse-Venema.
1.2.
Op 29 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] namens de Stichting aanwezig samen met mr. Janse-Venema. [verzoeker] is niet verschenen.

2.De beoordeling

[verzoeker] was niet aanwezig bij de zitting
2.1.
[verzoeker] heeft twee keer gevraagd om de zitting van 29 januari 2026 te verplaatsen, omdat hij naar eigen zeggen pas op 23 januari 2026 daadwerkelijk kennis heeft genomen van het verzoekschrift en hij vanwege medische redenen niet in staat is om inhoudelijk verweer te voeren en de zitting bij te wonen. De kantonrechter heeft de uitstelverzoeken afgewezen, omdat [verzoeker] al vanaf medio december 2025 op de hoogte moet zijn geweest van het verzoekschrift. De Stichting heeft namelijk op 18 december 2025 in een brief die aangetekend aan [verzoeker] is verstuurd het voornemen geuit om hem gedurende de ontbindingsprocedure te schorsen. De heer [naam 2] , de destijds gemachtigde van [verzoeker] aan wie de rechtbank diezelfde dag het verzoekschrift heeft gestuurd, heeft daarop namens [verzoeker] gereageerd. Ook de daaropvolgende brief aan [verzoeker] van 8 januari 2026 waarin de Stichting schrijft dat het ontbindingsverzoek op 29 januari 2026 door de kantonrechter wordt behandeld, is aangetekend aan hem verstuurd. Dat [verzoeker] om medische redenen niet in staat zou zijn om de zitting bij te wonen, blijkt niet uit de bijlagen bij zijn brief van 29 januari 2026 en ook als dat zo zou zijn, heeft hij voldoende tijd gehad om iemand anders te machtigen om namens hem bij de zitting aanwezig te zijn. Daarbij geldt dat de heer [naam 2] steeds contact heeft onderhouden met de rechtbank namens [verzoeker] , zelfs op de dag van de zitting, maar uiteindelijk te kennen gaf dat hij niet kon komen omdat [verzoeker] hem niet formeel wilde machtigen.
2.2.
De zitting van 29 januari 2026 heeft dus plaatsgevonden zonder dat [verzoeker] daarbij aanwezig was. De kantonrechter kan daarom bij de beoordeling van het verzoek alleen rekening houden met het korte verweer dat [verzoeker] in zijn brief van 29 januari 2026 heeft geschreven.
Waar gaat deze zaak over?
2.3.
[verzoeker] is vanaf 1 augustus 2001 bij de Stichting in dienst. De functie van [verzoeker] is docent LC (vak Godsdienst) met een salaris van € 6.432,- bruto per maand exclusief emolumenten. De Stichting verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden, omdat volgens haar sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). [verzoeker] is het niet eens met het verzoek en vindt dat het moet worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt [verzoeker] de Stichting te veroordelen om de transitievergoeding en een billijke vergoeding te betalen.
De uitkomst
2.4.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 april 2026 en veroordeelt de Stichting om de transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen. De Stichting hoeft geen billijke vergoeding te betalen. Hierna legt de kantonrechter uit waarom.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
2.5.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Er is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor opzegging en voor zover er een opzegverbod geldt, houdt het verzoek hier geen verband mee (artikel 7:671b lid 6 BW).
Er is een redelijke grond
2.6.
Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). De Stichting stelt dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding waardoor het niet redelijk is als zij de arbeidsovereenkomst moet laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder Pro g BW). Dat is een redelijke grond als de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. De kantonrechter vindt dat hiervan sprake is. De Stichting heeft in haar ontbindingsverzoek namelijk uitgebreid toegelicht en met stukken onderbouwd dat de arbeidsverhouding in 2014 op scherp is komen te staan nadat [verzoeker] zich grensoverschrijdend had gedragen tegenover een vrouwelijke collega en overgeplaatst moest worden naar een andere locatie. Sindsdien zijn er veel meningsverschillen over hoe het vak Godsdienst gegeven moet worden, waarbij [verzoeker] zich volgens de Stichting stelselmatig boven de schoolleiding plaatst, hij voortdurend op een niet respectvolle manier kritiek uit op collega’s en leidinggevenden. Ook spreekt [verzoeker] inmiddels openlijk uit dat hij verlangt naar zijn pensioen en heeft hij zich meermaals negatief uitgelaten over de Stichting. Daar komt bij dat partijen hebben geprobeerd om de arbeidsverhouding onder begeleiding van een mediator te verbeteren en het vertrouwen te herstellen, maar die poging is mislukt. [verzoeker] heeft ook niet weersproken dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord is.
[verzoeker] kan niet worden herplaatst
2.7.
Voor ontbinding is verder vereist dat [verzoeker] niet binnen een redelijke termijn kan worden herplaatst in een andere passende functie (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). Aan die eis is voldaan. Gelet op de ernstig verstoorde arbeidsverhouding waardoor het niet meer mogelijk is om op een normale manier samen te werken, ligt herplaatsing van [verzoeker] namelijk niet in de rede.
Als het opzegverbod tijdens ziekte geldt, houdt het ontbindingsverzoek hiermee geen verband
2.8.
Nog een vereiste voor ontbinding is dat er geen opzegverbod geldt waardoor ontbinding niet is toegestaan. Aan die eis is ook voldaan. Dit legt de kantonrechter hierna uit. [verzoeker] schrijft in zijn brieven dat hij al bijna twee jaar arbeidsongeschikt is. De Stichting betwist dat [verzoeker] ziek is, omdat hij zich in lijn met het advies van de bedrijfsarts in augustus 2025 hersteld heeft gemeld en er nadien geen officiële ziekmelding meer zou zijn gekomen. De Stichting wijst er bovendien op dat [verzoeker] tijdens de schikkingsonderhandelingen in december 2025 heeft aangegeven dat hij zijn hersteldmelding wil intrekken als niet tegemoet wordt gekomen aan zijn wensen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit roept bij de kantonrechter vragen op, maar die heeft [verzoeker] niet kunnen beantwoorden omdat hij niet aanwezig was bij de zitting. Los daarvan, ook als het opzegverbod tijdens ziekte geldt, mag de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden als het ontbindingsverzoek hiermee geen verband houdt (artikel 7:671b lid 6 sub a BW). Dat is het geval. De feiten die de Stichting aan de verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag heeft gelegd (zie r.o. 2.6), staan namelijk los van (eventuele) ziekte van [verzoeker] .
De arbeidsovereenkomst eindigt op 1 april 2026
2.9.
Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 april 2026 (artikel 7:671b lid 9 BW). Daarbij is rekening gehouden met de opzegtermijn van drie maanden op grond van de CAO Voortgezet Onderwijs en de duur van deze procedure.
De Stichting moet een transitievergoeding betalen
2.10.
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] (artikel 7:673 lid 1 en Pro lid 7 BW). Op basis van het loon [1] en de duur [2] van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 61.525,53 bruto. Dit bedrag moet de Stichting aan [verzoeker] betalen.
De Stichting hoeft geen billijke vergoeding te betalen
2.11.
De kantonrechter kent aan [verzoeker] geen billijke vergoeding toe. Een billijke vergoeding kan namelijk alleen worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9 onder c BW). Daarvoor heeft [verzoeker] onvoldoende gesteld. Hij wijst weliswaar op de gang van zaken rondom zijn “ziekte, begeleiding en het beëindigingstraject”, maar de enige concrete stelling die hij heeft ingenomen is dat de Stichting hem onder druk heeft gezet om zich beter te melden. Dit betwist De Stichting en het blijkt ook niet uit de stukken waarover de kantonrechter beschikt. Verder heeft [verzoeker] niets concreets gesteld waaruit zou moeten volgen dat de Stichting ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Geen termijn intrekken verzoek
2.12.
De Stichting krijgt geen termijn om het verzoek in te trekken, omdat geen billijke vergoeding wordt toegekend (artikel 7:686a lid 6 BW).
De Stichting en [verzoeker] moeten de eigen proceskosten betalen
2.13.
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 april 2026;
3.2.
veroordeelt de Stichting om aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 61.525,53 bruto te betalen;
3.3.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
49039

Voetnoten

1.€ 7.482,35 bruto per maand inclusief 8% vakantiegeld en 8,33% eindejaarsuitkering.
2.24 jaar en 8 maanden.