ECLI:NL:RBROT:2026:2068

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/10/712859 / JE RK 26-14
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling minderjarige wegens voldoende hulpverlening en acceptatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege zelfbepalend en externaliserend gedrag en spanningen binnen het gezin. De minderjarige vertoont sinds terugkeer uit Spanje positieve ontwikkelingen, zoals schoolbezoek en afstand nemen van problematische contacten.

De moeder verzet zich tegen het verzoek en benadrukt de reeds betrokken hulpverlening die door de minderjarige en haar wordt geaccepteerd. De gecertificeerde instelling twijfelt aan de noodzaak van een ondertoezichtstelling en wijst op mogelijke vertraging en onduidelijkheid.

De kinderrechter erkent de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, maar constateert dat de noodzakelijke hulp wordt geaccepteerd en dat een ondertoezichtstelling geen meerwaarde biedt. Het contact tussen de vader en de minderjarige blijft aandachtspunt, maar dit kan binnen de huidige hulpverlening worden opgepakt.

Daarom wordt het verzoek afgewezen met de hoop dat de positieve ontwikkeling wordt voortgezet en de hulpverlening wordt benut.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de noodzakelijke hulp wordt geaccepteerd en voldoende is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712859 / JE RK 26-14
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 6 januari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het schriftelijke standpunt van de moeder van 26 januari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 27 januari 2026;
  • het schriftelijke standpunt van de vader met producties van 28 januari 2026;
  • het bericht van de moeder met bijlage van 4 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI, [naam 2] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. De vader heeft de kinderrechter schriftelijk laten weten niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Een ondertoezichtstelling wordt noodzakelijk geacht vanwege het zelfbepalende en externaliserende gedrag van [minderjarige] . De afgelopen maanden is gebleken dat zij het gevaar opzoekt en beïnvloedbaar is. Sinds [minderjarige] terug is uit Spanje gaat het beter. Zo gaat [minderjarige] weer naar school. De Raad vindt het belangrijk om de positieve ontwikkeling te blijven monitoren. De ontwikkelingen zijn nog erg kwetsbaar. Daarnaast zijn er spanningen in het gezin. De Raad maakt zich zorgen over de relatie tussen [minderjarige] , de vader en [naam 3] (het jongere zusje van [minderjarige] ). Het is belangrijk dat er meer rust en stabiliteit in de situatie komt en dat [minderjarige] de ingrijpende gebeurtenissen gaat verwerken. Het verwerken van deze gebeurtenissen kan ook met behulp van Timon, die al betrokken is.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting aangegeven te twijfelen of een ondertoezichtstelling voor [minderjarige] nodig is. Het Jeugdteam is betrokken en er is meer hulpverlening in het gezin. De GI zal het zelfde doen als de al betrokken hulpverlening. De huidige hulpverlening is al bekend bij [minderjarige] en de moeder en zij accepteren deze hulp. De GI zal eerst het gezin analyseren en dit proces kost tijd, wat juist tot vertraging en onduidelijkheid zou kunnen leiden. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitspreekt zal de GI haar best doen om het contact tussen de vader en [minderjarige] te verbeteren, maar de GI benadrukt dat dit ook een averechtse werking kan hebben op de situatie.
4.2.
De moeder voert ter zitting verweer tegen het verzoek van de Raad. Zij verzoekt het verzoek tot ondertoezichtstelling af te wijzen. Sinds het verblijf van [minderjarige] in Spanje gaat het heel goed met haar. Er is veel hulpverlening betrokken bij [minderjarige] en zij zet goede stappen. [minderjarige] gaat weer naar school en heeft een baantje gezocht. Elke woensdag is er een gesprek met de school van [minderjarige] , de wijkagent komt vaak langs bij het gezin, het Jeugdteam is betrokken en elke vrijdag is er een gesprek met Timon. Daarnaast heeft de moeder ook elke veertien dagen individuele hulp. Alle hulp wordt door [minderjarige] en de moeder geaccepteerd en de moeder ziet de meerwaarde van een ondertoezichtstelling niet. Het contact tussen de vader en [minderjarige] verloopt moeizaam en de afgelopen jaren is er veel hulpverlening ingezet. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. De moeder verwacht niet dat een ondertoezichtstelling hierin nog iets kan toevoegen. De moeder is bang dat een ondertoezichtstelling, naast de huidige hulpverlening, te veel wordt voor [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de jeugdbescherming als de minderjarige zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders de zorg, die nodig is om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen, niet of onvoldoende accepteren (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter is, gelet op de stukken en de mondelinge behandeling, van oordeel dat hier niet aan wordt voldaan. De kinderrechter legt hierna uit waarom niet.
5.2.
De kinderrechter is wel van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is veel gebeurd in de afgelopen tijd en [minderjarige] heeft veel meegemaakt. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter dat [minderjarige] sinds haar verblijf in Spanje, waar zij vanaf september tot en met december vrijwillige hulpverlening heeft gevolgd, een positieve ontwikkeling doormaakt. [minderjarige] gaat inmiddels weer naar school en heeft een stageplek gevonden. Ook heeft ze afstand genomen van de mensen met wie ze eerder in de problemen kwam. [minderjarige] zet dus goede stappen, maar de kinderrechter benadrukt dat er ook nog stappen gezet dienen te worden, onder andere in de verwerking van wat er gebeurd is. Het contact tussen [minderjarige] en de vader blijft daarnaast een punt van aandacht. De kinderrechter ziet dat [minderjarige] verdriet heeft van de huidige situatie dat er slechts beperkt contact is tussen haar en haar vader. Ook komen er nog forse ruzies voor tussen [minderjarige] en haar zusje.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan het criterium dat de noodzakelijk geachte hulp niet of onvoldoende wordt geaccepteerd niet is voldaan. [minderjarige] en ook de moeder accepteren alle vormen van hulp. Timon is nauw betrokken en ter zitting is gebleken dat zij betrokken kunnen blijven. Daarnaast is er ondersteuning vanuit de school van [minderjarige] en is Jeugdformaat betrokken. Daarbij heeft dat de GI ter zitting aangegeven niet direct meer te zullen gaan inzetten naast de al betrokken hulpverlening. Hierbij heeft wel te gelden dat de vader van [minderjarige] de hulpverlening niet accepteert. Op dit moment heeft [minderjarige] echter beperkt contact met de vader en is niet gebleken dat de vader de huidige hulpverlening voor [minderjarige] blokkeert. Wel hoopt de kinderrechter dat [minderjarige] weer een goed contact met de vader kan hebben. De kinderrechter overweegt dat het belangrijk is dat hier in het vrijwillig kader, via de al betrokken hulpverlening, aandacht voor zal zijn. Als uiteindelijk blijkt dat het contact met de vader er niet is of niet kan zijn, is het van belang dat de al betrokken hulpverlening daarop inspeelt. Een ondertoezichtstelling zal hierin geen meerwaarde hebben. Ten slotte weegt de kinderrechter hierin ook mee dat een ondertoezichtstelling in de huidige situatie met de reeds betrokken hulpverlening juist kan zorgen voor extra druk en teveel van [minderjarige] kan vragen.
5.4.
Nu niet aan alle criteria voor oplegging van de ondertoezichtstelling is voldaan, zal het verzoek van de Raad worden afgewezen. De kinderrechter spreekt de hoop en het vertrouwen uit dat [minderjarige] doorgaat op de nu ingeslagen weg en dat zij de hulp die er is goed blijft benutten.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.