ECLI:NL:RBROT:2026:2114

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/4285
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PwArt. 31 PwArt. 3.125 a Wet Inkomstenbelasting 2001Art. 3.125 c Wet Inkomstenbelasting 2001Art. 1 sub n Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling leningvorm bijstandsuitkering vanwege lijfrentepolis als vermogen

Eiser heeft een bijstandsuitkering toegekend gekregen in de vorm van een lening omdat hij beschikt over een lijfrentepolis die als vermogen wordt aangemerkt. Het college heeft het primaire besluit genomen op 27 november 2024 en het bezwaar van eiser op 17 april 2025 ongegrond verklaard. Eiser betwist de kwalificatie van de lijfrentepolis als voorliggende voorziening en stelt dat de polis voldoet aan de voorwaarden van de Participatiewet en Wet Inkomstenbelasting 2001.

De rechtbank overweegt dat de polis van eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 15, tweede lid, onder b, van de Participatiewet, omdat de ingangsdatum van de lijfrente (65 jaar) vóór de vermoedelijke pensioengerechtigde leeftijd (67 jaar en 3 maanden) ligt. Hierdoor is de polis wel degelijk een middel waarover eiser redelijkerwijs kan beschikken. Eiser heeft ervoor gekozen de polis niet over te sluiten of af te kopen, ondanks de mogelijkheid daartoe.

Het college heeft de bijstand als lening verstrekt in afwachting van de vaststelling van de afkoopwaarde van de polis. De rechtbank stelt vast dat het college niet onrechtmatig heeft gehandeld door eiser de mogelijkheid te bieden de polis aan te passen, maar dat eiser niet verplicht is dit te doen. De belangen van eiser zijn voldoende meegewogen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de bijstandsuitkering terecht in de vorm van een lening is toegekend vanwege de lijfrentepolis als vermogen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4285

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Berkouwer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D Gogar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vorm waarin aan eiser een bijstandsuitkering is toegekend. Eiser is het niet eens met de vorm waarin de uitkering is toegekend en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de bijstandsuitkering heeft toegekend in de vorm van een lening. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 november 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan eiser met ingang van 21 mei 2024 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) toegekend in de vorm van een lening, in afwachting van het bedrag waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken uit de afkoop van zijn lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden. Hierbij heeft het college meegedeeld dat, indien niet is overgegaan tot het afsluiten van een nieuwe polis die (wel) aan de voorwaarden van de wet voldoet, bij ongewijzigde omstandigheden per 1 juli 2025 worden overgegaan tot een besluit tot terugvordering van de bijstand tot een bedrag van € 3.109,13. Het vermogen wordt dan per 21 mei 2024 vastgesteld op € 7.575,-.
2.1.
Met het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, omdat het college vindt dat de lening moet worden omgezet in een terugvordering van € 3.109,13 en dat de lening voor het overige deel om niet is verstrekt.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Overwegingen van de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Naar aanleiding van eisers aanvraag om een bijstandsuitkering, zijn aan eiser vanaf 5 juli 2024 voorschotten toegekend. Met het primaire besluit is met ingang van 21 mei 2024 aan eiser een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van een lening, in afwachting van het bedrag waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken uit de afkoop van zijn lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden. Het college heeft daarbij overwogen dat, indien niet is overgegaan tot het afsluiten van een nieuwe polis die (wel) aan de voorwaarden van de wet voldoet, bij ongewijzigde omstandigheden per 1 juli 2025 zal worden overgegaan tot een besluit tot terugvordering van de bijstand tot een bedrag van € 3.109,13. Het vermogen zal dan per 21 mei 2024 worden vastgesteld op € 7.575,-.
4. Aan het bestreden besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Er bestaat alleen recht op bijstand als iemand onvoldoende inkomen of vermogen heeft voor het levensonderhoud. Als er sprake is van vermogen, is dat een reden voor afwijzing van de bijstandsuitkering. Aan eiser is een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van een lening. Dit is gedaan omdat eiser over een lijfrentepolis beschikt, die wordt gezien als een middel (vermogen) voor de bijstand. De waarde van de lijfrentepolis bij afkoop moet nog worden vastgesteld. Volgens artikel 15, lid 2, van de Pw is de lijfrentepolis geen voorliggende voorziening voor de bijstand, indien de ingangsdatum van de lijfrente op of na de pensioengerechtigde leeftijd valt. De polis van eiser voldoet hier niet aan aangezien de ingangsdatum, de datum is wanneer eiser 65 jaar wordt. Zijn vermoedelijke pensioengerechtigde leeftijd is op dit moment 67 jaar en 3 maanden. Toen eiser de polis afsloot, zou de ingangsdatum wel samenvallen met zijn pensioengerechtigde leeftijd. Daarom heeft het college, in strijd met de wet, aan eiser de mogelijkheid geboden om zijn polis over te sluiten, waarbij de ingangsdatum van de lijfrente samen zou vallen met zijn pensioengerechtigde leeftijd. Nationale Nederlanden biedt weliswaar hiertoe geen mogelijkheid, maar eiser heeft aangegeven dat hij geen gebruik wilde maken van andere verzekeraars die dat wel aanbieden. Eiser heeft er niet voor gekozen om zijn lijfrentepolis aan te passen en ook niet om de polis af te kopen. Dit was ten tijde van het primaire besluit nog niet bekend. In het voordeel van eiser is door het college berekend wat de afkoop zou opleveren indien hij hier wel voor zou kiezen. De uitkering is in de vorm van een lening uitgekeerd zolang de waarde van de polis niet vaststaat. Zodra de waarde vaststaat, wordt het vermogen vastgesteld en is duidelijk welk bedrag ingeteerd dient te worden en wat vervolgens om niet wordt verstrekt. In het bestreden besluit heeft het college meegedeeld dat met de omzetting van de lening in een deel terugvordering en een deel om niet, wordt gewacht tot 1 juli 2025.
Het standpunt van eiser
5. Eiser betoogt dat de lijfrentepolis wel voldoet aan de voorwaarden uit artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw, juncto artikel 1, sub n, van de Pw, juncto artikel 3.125 a van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Artikel 3.125 a en artikel 3.125 c van de Wet Inkomstenbelasting 2001 zijn alternatief en niet cumulatief. Daarom kan de lijfrentepolis volgens eiser niet worden gezien als voorliggende voorziening en als middel waarover eiser
redelijkerwijs kan beschikken. Volgens eiser is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Subsidiair betoogt eiser dat, op het moment van het afsluiten van de lijfrentepolis, de ingangsdatum daarvan samen viel met het moment dat eiser de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Dat die leeftijd inmiddels is verhoogd, heeft de wetgever nagelaten in de wetgeving te verdisconteren. Het is volgens eiser onrechtvaardig en onevenredig om deze fout van de wetgever aan eiser tegen te werpen. Daarbij komt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ervoor te zorgen dat bijstandsgerechtigden hun aanvullende pensioenvoorziening kunnen behouden. Met het bestreden besluit wordt eiser zijn aanvullende pensioenvoorziening ontnomen. Voorts meent eiser dat het college feitelijk de uitzondering uit artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw op het begrip voorliggende voorziening toepast. In beginsel moet een voorliggende voorziening eerst opgesoupeerd worden alvorens er bijstand om niet of als lening wordt verstrekt. Aangezien er bijstand als lening aan eiser is toegekend, is het college kennelijk van mening dat de uitzondering uit artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw hier toegepast kan worden. Eiser betoogt verder dat het college eiser niet mag dwingen om zijn polis over te sluiten. Los van het feit dat de pensioengerechtigde leeftijd van eiser nog niet (definitief) is vastgesteld, vindt eiser de eis tot oversluiten onevenredig. Aan het oversluiten van de polis zijn namelijk hoge kosten verbonden. Eiser voert tot slot aan dat artikel 15, tweede lid, onder b, sub 1, van de Pw vermeldt dat het uitstellen van de ingangsdatum van de lijfrente tijdens de toetsingsperiode niet is toegestaan. Het college heeft zelf aangegeven dat zij het aanbod tot oversluiten van de polis in strijd met de wet doet. Het college handelt op punten in strijd met de wet, terwijl zij op andere punten, ondanks dat zij aangeeft de uitwerking daarvan te betreuren, de wetgeving streng toepast. Het belang dat eiser heeft bij het behouden van zijn lijfrentepolis dient zwaarder te wegen dan (de fout in) de wetgeving.
Het juridisch kader
6.
Participatiewet
Artikel 1, sub n, van de Pw legt uit wat onder lijfrente in de zin van de
Pw wordt verstaan, namelijk: een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van die wet die voorziet in een oudedagslijfrente, dan wel een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop artikel 1, onderdeel 0, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is.
Artikel 15, eerste lid, van de Pw regelt in welke gevallen geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet
noodzakelijk worden aangemerkt.
In artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw staat dat onder ‘een beroep kunnen doen op een voorlopige voorziening’ niet wordt verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en:
1°. tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld;
2°. voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan
€ 328.113,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventueel door de belanghebbende daarover verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en
3°. voor zover de inleg in het kader van de lijfrente of lijfrenten:
( i) voorafgaand aan de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden; of
(ii) tijdens de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden, daarbij jaarlijks ten minste enige inleg heeft plaatsgevonden en de inleg ten hoogste € 7.875,00 per jaar heeft bedragen.
Op grond van artikel 15, derde lid, van de Pw wordt in dit artikel verstaan onder toetsingsperiode: periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand.
Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt onder redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, niet verstaan het op verzoek van het college:
b. benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente
overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, alsmede om te beschikken over
een waardetoename van die lijfrente.
Wet Inkomstenbelasting 2001
Uit artikel 3.125, eerste lid, Wet Inkomstenbelasting 2001, volgt wat als
lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangemerkt.
a. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden;
(…..)
c. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten - beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling - niet
meer beloopt dan € 26.781 per jaar.

De beoordeling van de rechtbank

7. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaronder de uitspraak van 24 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1834, moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat het ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om het vermogensbestanddeel feitelijk te kunnen aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
8. In geschil is of het college de afkoopwaarde van de lijfrentepolis van eiser heeft mogen betrekken bij de bepaling van eisers vermogen. Eiser heeft de berekening van het vermogen in cijfermatig opzicht niet bestreden.
9. Het betoog van eiser dat de lijfrente geen voorziening en geen middel is, slaagt niet. Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Pw is een lijfrentepolis geen voorliggende voorziening voor de bijstand indien de ingangsdatum van de lijfrente op of na de pensioengerechtigde leeftijd valt. De polis van eiser heeft als ingangsdatum de datum dat eiser 65 jaar wordt, terwijl de vermoedelijke pensioengerechtigde leeftijd op dit moment 67 jaar en drie maanden is. De polis van eiser voldoet voorts niet aan artikel 3.125 a van de Wet Inkomstenbelasting 2001, omdat de ingangsdatum ervan vóór de verwachte pensioengerechtigde leeftijd (67 jaar en drie maanden) valt. Ook is niet voldaan aan artikel 3.125 c van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Deze tijdelijke oudedagslijfrente mag niet eerder ingaan dan het jaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. De polis van eiser valt daar niet onder.
10. Omdat de polis van eiser niet voldoet aan het bepaalde in artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw, is artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Pw niet van toepassing. Uit de brief van 7 juni 2024 blijkt dat de afkoopwaarde is vastgesteld door Nationale Nederlanden en dat er dus een afkoop mogelijk is. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij niet wil afkopen vanwege de hoge kosten. Hoe hoog de afkoopkosten zijn, kon eiser niet zeggen. Hoewel de wens van eiser begrijpelijk is, kan hierdoor niet gezegd worden dat eiser redelijkerwijs niet kan beschikken over de lijfrente.
11. Het betoog van eiser dat door het college feitelijk de uitzondering uit artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw heeft toegepast door de bijstand als lening te verstrekken, slaagt ook niet. Het college heeft slechts de bijstand aanvankelijk als lening verstrekt, omdat eiser de mogelijkheid kreeg om zijn polis over te sluiten naar een polis die onder de voorwaarden van artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw zou vallen. Daarmee zou deze nieuwe polis niet meer als middel en dus voorliggende voorziening in de zin van de Pw worden beschouwd.
12. Met het college is de rechtbank verder van oordeel dat eiser niet is gedwongen tot oversluiten van de polis, maar dat het college slechts heeft meegedacht met eiser en opties heeft geboden om de lijfrentepolis dusdanig te laten aanpassen, dat deze zou vallen onder de voorwaarden van de wet. Eiser heeft niet betwist dat hij nooit is ingegaan op de vraag van het college om een kosteloze vrijblijvende offerte op te vragen.
13. Dat bij het afsluiten van de polis de lijfrentepolis wel aan de voorwaarden uit het huidige artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw voldeed, is niet tegen te werpen aan het college. Het college heeft in het bestreden besluit onder verwijzing naar kamerstukken gewezen op de bedoeling van de wetgever en gebruik gemaakt van zijn beoordelingsruimte. Het college heeft het belang van eiser erkend om zijn lijfrentepolis te behouden en hem de mogelijkheid geboden om de polis onder de voorwaarden van artikel 15, tweede lid, onder b, sub 1, van de Pw te laten vallen. De belangen van eiser zijn door het college voldoende meegewogen bij het bestreden besluit. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid niet kan worden verwacht dat de lijfrentepolis van eiser als voorliggende voorziening wordt aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

14. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden de lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden als middel voor de bijstand heeft betrokken en de bijstandsuitkering tot de waardebepaling van de lijfrentepolis in de vorm van een lening heeft verstrekt. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.