Overwegingen van de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Naar aanleiding van eisers aanvraag om een bijstandsuitkering, zijn aan eiser vanaf 5 juli 2024 voorschotten toegekend. Met het primaire besluit is met ingang van 21 mei 2024 aan eiser een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van een lening, in afwachting van het bedrag waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken uit de afkoop van zijn lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden. Het college heeft daarbij overwogen dat, indien niet is overgegaan tot het afsluiten van een nieuwe polis die (wel) aan de voorwaarden van de wet voldoet, bij ongewijzigde omstandigheden per 1 juli 2025 zal worden overgegaan tot een besluit tot terugvordering van de bijstand tot een bedrag van € 3.109,13. Het vermogen zal dan per 21 mei 2024 worden vastgesteld op € 7.575,-.
4. Aan het bestreden besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Er bestaat alleen recht op bijstand als iemand onvoldoende inkomen of vermogen heeft voor het levensonderhoud. Als er sprake is van vermogen, is dat een reden voor afwijzing van de bijstandsuitkering. Aan eiser is een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van een lening. Dit is gedaan omdat eiser over een lijfrentepolis beschikt, die wordt gezien als een middel (vermogen) voor de bijstand. De waarde van de lijfrentepolis bij afkoop moet nog worden vastgesteld. Volgens artikel 15, lid 2, van de Pw is de lijfrentepolis geen voorliggende voorziening voor de bijstand, indien de ingangsdatum van de lijfrente op of na de pensioengerechtigde leeftijd valt. De polis van eiser voldoet hier niet aan aangezien de ingangsdatum, de datum is wanneer eiser 65 jaar wordt. Zijn vermoedelijke pensioengerechtigde leeftijd is op dit moment 67 jaar en 3 maanden. Toen eiser de polis afsloot, zou de ingangsdatum wel samenvallen met zijn pensioengerechtigde leeftijd. Daarom heeft het college, in strijd met de wet, aan eiser de mogelijkheid geboden om zijn polis over te sluiten, waarbij de ingangsdatum van de lijfrente samen zou vallen met zijn pensioengerechtigde leeftijd. Nationale Nederlanden biedt weliswaar hiertoe geen mogelijkheid, maar eiser heeft aangegeven dat hij geen gebruik wilde maken van andere verzekeraars die dat wel aanbieden. Eiser heeft er niet voor gekozen om zijn lijfrentepolis aan te passen en ook niet om de polis af te kopen. Dit was ten tijde van het primaire besluit nog niet bekend. In het voordeel van eiser is door het college berekend wat de afkoop zou opleveren indien hij hier wel voor zou kiezen. De uitkering is in de vorm van een lening uitgekeerd zolang de waarde van de polis niet vaststaat. Zodra de waarde vaststaat, wordt het vermogen vastgesteld en is duidelijk welk bedrag ingeteerd dient te worden en wat vervolgens om niet wordt verstrekt. In het bestreden besluit heeft het college meegedeeld dat met de omzetting van de lening in een deel terugvordering en een deel om niet, wordt gewacht tot 1 juli 2025.
5. Eiser betoogt dat de lijfrentepolis wel voldoet aan de voorwaarden uit artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw, juncto artikel 1, sub n, van de Pw, juncto artikel 3.125 a van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Artikel 3.125 a en artikel 3.125 c van de Wet Inkomstenbelasting 2001 zijn alternatief en niet cumulatief. Daarom kan de lijfrentepolis volgens eiser niet worden gezien als voorliggende voorziening en als middel waarover eiser
redelijkerwijs kan beschikken. Volgens eiser is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Subsidiair betoogt eiser dat, op het moment van het afsluiten van de lijfrentepolis, de ingangsdatum daarvan samen viel met het moment dat eiser de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Dat die leeftijd inmiddels is verhoogd, heeft de wetgever nagelaten in de wetgeving te verdisconteren. Het is volgens eiser onrechtvaardig en onevenredig om deze fout van de wetgever aan eiser tegen te werpen. Daarbij komt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ervoor te zorgen dat bijstandsgerechtigden hun aanvullende pensioenvoorziening kunnen behouden. Met het bestreden besluit wordt eiser zijn aanvullende pensioenvoorziening ontnomen. Voorts meent eiser dat het college feitelijk de uitzondering uit artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw op het begrip voorliggende voorziening toepast. In beginsel moet een voorliggende voorziening eerst opgesoupeerd worden alvorens er bijstand om niet of als lening wordt verstrekt. Aangezien er bijstand als lening aan eiser is toegekend, is het college kennelijk van mening dat de uitzondering uit artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw hier toegepast kan worden. Eiser betoogt verder dat het college eiser niet mag dwingen om zijn polis over te sluiten. Los van het feit dat de pensioengerechtigde leeftijd van eiser nog niet (definitief) is vastgesteld, vindt eiser de eis tot oversluiten onevenredig. Aan het oversluiten van de polis zijn namelijk hoge kosten verbonden. Eiser voert tot slot aan dat artikel 15, tweede lid, onder b, sub 1, van de Pw vermeldt dat het uitstellen van de ingangsdatum van de lijfrente tijdens de toetsingsperiode niet is toegestaan. Het college heeft zelf aangegeven dat zij het aanbod tot oversluiten van de polis in strijd met de wet doet. Het college handelt op punten in strijd met de wet, terwijl zij op andere punten, ondanks dat zij aangeeft de uitwerking daarvan te betreuren, de wetgeving streng toepast. Het belang dat eiser heeft bij het behouden van zijn lijfrentepolis dient zwaarder te wegen dan (de fout in) de wetgeving.
Artikel 1, sub n, van de Pw legt uit wat onder lijfrente in de zin van de
Pw wordt verstaan, namelijk: een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van die wet die voorziet in een oudedagslijfrente, dan wel een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop artikel 1, onderdeel 0, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is.
Artikel 15, eerste lid, van de Pw regelt in welke gevallen geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet
noodzakelijk worden aangemerkt.
In artikel 15, tweede lid, onder b, van de Pw staat dat onder ‘een beroep kunnen doen op een voorlopige voorziening’ niet wordt verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en:
1°. tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld;
2°. voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan
€ 328.113,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventueel door de belanghebbende daarover verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en
3°. voor zover de inleg in het kader van de lijfrente of lijfrenten:
( i) voorafgaand aan de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden; of
(ii) tijdens de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden, daarbij jaarlijks ten minste enige inleg heeft plaatsgevonden en de inleg ten hoogste € 7.875,00 per jaar heeft bedragen.
Op grond van artikel 15, derde lid, van de Pw wordt in dit artikel verstaan onder toetsingsperiode: periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand.
Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt onder redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, niet verstaan het op verzoek van het college:
b. benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente
overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, alsmede om te beschikken over
een waardetoename van die lijfrente.
Wet Inkomstenbelasting 2001
Uit artikel 3.125, eerste lid, Wet Inkomstenbelasting 2001, volgt wat als
lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangemerkt.
a. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden;
c. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten - beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling - niet
meer beloopt dan € 26.781 per jaar.