Verzoeker heeft op 9 februari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, van de Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Verzoeker had reeds een moratorium van zes maanden toegewezen gekregen van 17 januari 2025 tot en met 17 juli 2025.
De rechtbank beoordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien verweerster heeft aangekondigd de ontruiming op 10 februari 2026 uit te voeren. De wet beoogt met het moratorium een adempauze te bieden om schulden te regelen, maar de maximale termijn van zes maanden is al verstreken. Verzoeker stelt dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd en dat schuldhulpverlening hem in de steek heeft gelaten, maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om een nieuw moratorium toe te kennen.
De rechtbank besluit daarom het verzoek af te wijzen. Er is geen mondelinge behandeling gehouden vanwege het spoedeisende karakter en het ontbreken van belangenschade voor verweerster. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door rechter M.C. Snel-van den Hout.