Verzoeker heeft op 16 januari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelde de behandeling vast op 4 februari 2026. Verweerster, de verhuurder, was niet aanwezig bij de zitting maar liet weten zich te zullen beroepen op het eerdere vonnis.
De rechtbank constateerde een bedreigende situatie omdat een vonnis tot ontruiming van 12 december 2025 en een exploot van 30 december 2025 waren overgelegd, waarin ontruiming op 20 januari 2026 werd aangekondigd. Verzoeker heeft de huur van februari 2026 voldaan en er is beschermingsbewind ingesteld, waardoor de huurbetalingen gewaarborgd zijn.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming wordt opgeschort en de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van het moratorium. Schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uitbrengen.