ECLI:NL:RBROT:2026:2140

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601393:R-RK – NL:TZ:2601398:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 305 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium ter opschorting ontruiming wegens huurachterstand

Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was aangekondigd op basis van een proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025 wegens huurachterstand.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming op korte termijn zou plaatsvinden. De wetgever beoogt met het moratorium een adempauze te bieden aan schuldenaren om een regeling met schuldeisers te treffen. De rechtbank stelt vast dat de lopende huurtermijnen, hoewel soms te laat, zijn voldaan en dat verzoekster haar inkomen zal laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor toekomstige betalingen gewaarborgd zijn.

De belangenafweging leidt tot toewijzing van het moratorium voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 12 februari 2026
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 22 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 4 februari 2026.
Ter zitting van 4 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • de heer A. van Gemert, werkzaam bij AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders, namens Stichting Woonplus Schiedam, gevestigd te Schiedam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft inkomsten uit onderneming van circa € 1.500,- per maand. Daarnaast ontvangt zij huurtoeslag en kindgebonden budget. De kale huur van verzoekster bedraagt € 746,51 per maand. De huurtermijnen van oktober, november en december 2025 zijn steeds op de eerste van de maand voldaan. De huurtermijn van januari 2026 is op 3 januari 2026 voldaan. Daarnaast is de huurtermijn van februari 2026 voldaan. Ook zal verzoekster haar inkomsten laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.

3.Het verweer

Verweerster heeft zich in haar verweerschrit – kort samengevat – op het volgende standpunt gesteld. Verzoekster heeft zich niet gehouden aan de afspraken zoals deze zijn gemaakt in het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025. Tot op heden heeft verzoekster geen aflostermijnen voldaan. Ook houdt verzoekster zich niet aan de afspraak om de lopende huurtermijen tijdig (voor de eerste van de maand) te voldoen. Op dit moment bedraagt het totaal openstaand bedrag € 3.589,94. Verweerster verzoekt dan ook het verzoek af te wijzen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 15 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 5 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b lid 4 Fw omschrijft de voorzieningen die kunnen worden getroffen. In dit geval is verzocht om een voorziening te treffen die strekt tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro. Dat artikel bepaalt (voor zover relevant), dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat is uitgesproken wegens een financiële tekortkoming uit de huurovereenkomst, wordt opgeschort voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling indien het een tekortkoming van vóór de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling betreft, en de lopende verplichtingen inmiddels worden voldaan. Het gaat bij dergelijke tekortkomingen immers ook om financiële schulden, waarvoor de wettelijke schuldsaneringsregeling bedoeld is. Ontruimingsvonnissen die een andere grondslag hebben, zoals overlast, vallen niet onder het bereik van artikel 305 Fw Pro en zijn wel ten uitvoer te leggen (ook in geval de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegepast). [1]
In deze zaak gaat het om een proces-verbaal van een comparitie van partijen, waarin is afgesproken dat de huurovereenkomst onder bepaalde voorwaarden eindigt en de verweerder in dat geval het gehuurde mag ontruimen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de grosse van het onderhavige proces-verbaal gelijk gesteld worden met een vonnis als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw.
Uit de samenhang van die artikelen leidt de rechtbank af dat een moratorium kan worden toegewezen indien de executoriale titel voor de ontruiming (die in dit geval voortkomt uit de grosse van het proces-verbaal) is gebaseerd op een tekortkoming in een financiële verplichting uit de huurovereenkomst. Het gaat dan om een bestaande achterstand in de betaling van de huurtermijnen, waarvoor het minnelijk traject (of een eventueel daarop volgende schuldsaneringsregelingstraject) geacht wordt een regeling te bieden (in de vorm van een - gedeeltelijke - betaling of kwijtschelding) terwijl de lopende verplichtingen worden voldaan. Daarvan is in dit geval sprake. Uit het proces-verbaal volgt immers dat partijen hebben afgesproken dat de huurovereenkomst eindigt als verzoekers in de aflossingsperiode de aflossing of de lopende huurtermijnen niet op tijd betalen. Dat zulks vervolgens het geval is geweest en een tekortkoming in een financiële verplichting de reden is om tot ontruiming over te gaan, staat tussen partijen niet ter discussie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen van oktober, november en december 2025 alsook de huurtermijnen van januari en februari 2026 zijn – weliswaar te laat – betaald. Daarnaast zal verzoekster haar inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 september 2025 uitgesproken proces-verbaal van de kantonrechter tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
22 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie ook de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 942, nr. 3, p. 26