Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
2.De zaak in het kort
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
een aanvullende schriftelijke ronde
Rechtbank Rotterdam
WV.Work had een vordering ingesteld tegen [persoon A] wegens niet-nakoming van opeisbare geldleningen, welke vorderingen waren overgedragen door derden via een akte van cessie. De rechtbank had deze vordering bij verstek toegewezen omdat [persoon A] niet was verschenen. In verzet stelde [persoon A] dat de oorspronkelijke vorderingen niet meer bestonden omdat zij waren vervangen door een nieuwe geldlening (Geldlening 3) met gewijzigde voorwaarden, afgesloten in het kader van een herfinanciering.
De rechtbank oordeelde dat WV.Work relevante feiten had verzwegen door Geldlening 3 niet te noemen, wat in strijd was met de waarheidsplicht uit artikel 21 Rv Pro. De nieuwe geldlening verving de oude, waardoor de vorderingen uit Geldlening 2 ten tijde van de cessie niet meer bestonden. Hierdoor kon WV.Work geen rechten ontlenen aan de overgedragen vorderingen.
De rechtbank vernietigde het verstekvonnis, wees de oorspronkelijke vorderingen af en veroordeelde WV.Work in de proceskosten. Het vonnis werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [persoon A] dit niet had gevorderd.
Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de vorderingen van WV.Work worden afgewezen wegens het niet meer bestaan van de overgedragen vorderingen.