ECLI:NL:RBROT:2026:2161

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/10/697953/HA ZA 25-328
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 6:119 BWArt. 233 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis wegens niet-bestaande vorderingen uit geldlening

WV.Work had een vordering ingesteld tegen [persoon A] wegens niet-nakoming van opeisbare geldleningen, welke vorderingen waren overgedragen door derden via een akte van cessie. De rechtbank had deze vordering bij verstek toegewezen omdat [persoon A] niet was verschenen. In verzet stelde [persoon A] dat de oorspronkelijke vorderingen niet meer bestonden omdat zij waren vervangen door een nieuwe geldlening (Geldlening 3) met gewijzigde voorwaarden, afgesloten in het kader van een herfinanciering.

De rechtbank oordeelde dat WV.Work relevante feiten had verzwegen door Geldlening 3 niet te noemen, wat in strijd was met de waarheidsplicht uit artikel 21 Rv Pro. De nieuwe geldlening verving de oude, waardoor de vorderingen uit Geldlening 2 ten tijde van de cessie niet meer bestonden. Hierdoor kon WV.Work geen rechten ontlenen aan de overgedragen vorderingen.

De rechtbank vernietigde het verstekvonnis, wees de oorspronkelijke vorderingen af en veroordeelde WV.Work in de proceskosten. Het vonnis werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [persoon A] dit niet had gevorderd.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de vorderingen van WV.Work worden afgewezen wegens het niet meer bestaan van de overgedragen vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/697953/HA ZA 25-328
Vonnis in verzet van 18 februari 2026
in de zaak van
[persoon A],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in verzet,
oorspronkelijk gedaagde,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. B.P. van Overeem te Amsterdam,
tegen
WV.WORK B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
gedaagde in verzet,
oorspronkelijk eiseres,
hierna te noemen: WV.Work,
advocaat: mr. B.G. van Twist te Rotterdam .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2024, met producties E1-E5 (inclusief beslagstukken);
- het verstekvonnis van 15 januari 2025;
- de dagvaarding in verzet van 25 maart 2025;
- de akte overlegging producties behorende bij dagvaarding van 25 maart 2025, met producties G1abc-G5 van mr. G.A. Shoebag (de toenmalig advocaat van [persoon A] );
- de brief van 29 april 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
- de brief van 27 juni 2025 van de rechtbank, waarbij aan partijen nadere informatie is verstrekt met betrekking tot de inhoud van de zitting (zittingsagenda);
- de brief van 14 juli 2025 van mr. Shoebag, met aanvullende producties genummerd 1-6;
- de brief van 15 juli 2025 van mr. Van Twist, met producties E6-E12;
- de brief van 18 juli 2025 van mr. Shoebag met aanvullende producties genummerd 1-4;
- de brief van 22 augustus 2025 van de rechtbank, waarbij de datum voor de mondelinge behandeling nader is bepaald op 16 december 2025;
- het bericht van 5 december 2025 van mr. Van Overeem (de huidige advocaat van [persoon A] ), met producties G6-G8;
- de op de mondelinge behandeling van 16 december 2025 overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van Overeem en pleitnotities van mr. Van Twist.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

WV.Work had tegen [persoon A] een vordering ingesteld. WV.Work vorderde van [persoon A] betaling van opeisbare vorderingen uit een geldlening. Die opeisbare vorderingen waren volgens de stellingen van WV.Work door een derde aan haar overgedragen. De vordering van WV.Work op [persoon A] is bij verstekvonnis toegewezen. [persoon A] was niet in die procedure verschenen en de vorderingen kwamen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. In deze verzetzaak heeft [persoon A] alsnog verweer gevoerd. Hij vordert om het verstekvonnis te vernietigen. Daartoe stelt [persoon A] het volgende. Derden hadden opeisbare vorderingen op [persoon A] . Een bank heeft de schulden van [persoon A] geherfinancierd. Daarbij zijn de vorderingen van de derden voor een groot deel afgelost. De bank was alleen bereid tot de herfinanciering op voorwaarde dat de derden en [persoon A] ter zake van de resterende opeisbare vorderingen een nieuwe overeenkomst van geldlening zouden aangaan. Dat hebben zij gedaan. De derden en [persoon A] kwamen een lange aflossingstermijn overeen, een iets hogere rente en achterstelling bij de vorderingen van de bank. Alles conform de eisen van de bank. Nadien hebben de derden de oude opeisbare vorderingen op [persoon A] overgedragen aan WV.Work. Dat was niet mogelijk omdat die oude opeisbare vorderingen niet meer bestonden. De rechtbank stelt [persoon A] in deze verzetprocedure in het gelijk. De vorderingen van WV.Work worden alsnog afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot die beslissing komt.

3.De feiten

3.1.
De heer [persoon B] (hierna: [persoon B] ) en mevrouw [persoon C] (hierna [persoon C] ) zijn echtgenoten. [persoon B] is de [naam functie] (hierna: [naam functie] ) van WV.Work.
3.2.
Bij schriftelijke overeenkomst van 19 november 2021 (hierna: Geldlening 1) heeft [persoon B] € 500.000,00 tegen een rentepercentage van 3% per jaar geleend aan [persoon A] voor de aankoop van het appartementsrecht [adres 1] te Rotterdam . De hoofdsom diende uiterlijk op 20 mei 2022 te worden terugbetaald. Op het appartementsrecht is een eerste recht van hypotheek ten behoeve van [persoon B] gevestigd. [persoon A] heeft de hoofdsom niet tijdig terugbetaald.
3.3.
Bij schriftelijke overeenkomst van 21 januari 2022 (hierna: Geldlening 2) heeft [persoon C] € 600.000,00 tegen een rentepercentage van 3% per jaar geleend aan [persoon A] voor de aankoop van het appartementsrecht [adres 2] te Rotterdam . De hoofdsom diende uiterlijk op 1 juli 2022 te worden terugbetaald. Op het appartementsrecht is een eerste recht van hypotheek ten behoeve van [persoon C] gevestigd. [persoon A] heeft de hoofdsom niet tijdig terugbetaald.
3.4.
NIBC Direct Hypotheken B.V. (hierna: de bank) heeft op 12 juli 2022 een hypothecaire geldlening van € 930.000,00 verstrekt aan [persoon A] . [persoon A] heeft daarmee Geldlening 1 volledig terugbetaald en van Geldlening 2 een bedrag van € 35.363,00 terugbetaald.
3.5.
[persoon B] en [persoon C] hebben hun eerste recht van hypotheek op voornoemde appartementsrechten uit Geldlening 1 en Geldlening 2 laten doorhalen ten behoeve van de bank.
3.6.
Bij schriftelijke overeenkomst van 29 juni 2022 hebben [persoon B] en [persoon C] het nog niet terugbetaalde bedrag van € 564.637,00 tegen een rentepercentage van 3,5% per jaar geleend aan [persoon A] (hierna: Geldlening 3). De hoofdsom van € 564.637,00 dient uiterlijk 72 maanden na ondertekening van deze overeenkomst te worden terugbetaald. In de overeenkomst is ook het volgende bepaald:
“IN AANMERKING NEMENDE:
• dat de lener behoefte heeft aan aanvullende financiering;
• dat de uitlener zich bereid heeft verklaard om voor 72 maanden een bedrag van € 564.637 ter leen te verstrekken aan de lener, hierna: de overeenkomst van geldlening;
• tot zekerheid voor de nakoming van de verplichting tot nakoming van de overeenkomst van geldlening zal ondergetekende alle aan hem ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst toebehorende registergoederen, hierna: de registergoederen niet verder bezwaren;
• dat de overeenkomst van geldlening uitdrukkelijk is/zal zijn achtergesteld ten opzichte van de vorderingen uit alle geldleningen die de lener nu en in de toekomst aan NIBC Direct Hypotheken B.V., gevestigd te Den Haag of haar rechtsopvolgers verschuldigd mocht zijn of worden;
• dat de uitlener en de lener wensen hierbij afspraken te maken ter zake van de overeenkomst van geldlening.”
3.7.
Een akte van cessie van 31 december 2023, met [persoon C] , [persoon B] en WV.Work als partijen, vermeldt onder meer het volgende. [persoon A] heeft op/omstreeks 9 juli 2022 een bedrag van € 535.363,00 afgelost. Door deze aflossing is (Geld)lening 1 met een hoofdsom van € 500.000,00 geheel afgelost. Van (Geld)lening 2 met een hoofdsom van € 600.000,00 resteert nog een hoofdsom van € 564.637,00. [persoon C] en [persoon B] zijn een onderlinge herschikking overeengekomen. De oorspronkelijke “lening 2” is vernummerd tot “lening 1”. [persoon B] heeft de aan “lening 1” (voorheen dus aangeduid als lening 2) verknochte vorderingsrechten geleverd aan WV.Work. WV.Work heeft die levering aanvaard.
3.8.
[persoon A] heeft over de overdracht van de vorderingen een een mededeling van 29 december 2023 van [persoon B] en [persoon C] ontvangen.

4.Het geschil

4.1.
WV.Work vorderde bij dagvaarding om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
“I. [persoon A] te veroordelen om aan WV.Work te betalen een bedrag van in totaal € 614.318,61 (zegge: zeshonderd veertienduizend driehonderd achttien euro en eenenzestig cent), te vermeerderen met de contractuele rente van 3% over de openstaande hoofdsom van € 564.637,-- vanaf 1 november 2024 tot de dag der algehele voldoening;
II. [persoon A] te veroordelen in de kosten van het geding, die van de beslagen daaronder begrepen, alsmede de gebruikelijke nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na het te dezen te wijzen vonnis, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, ingeval de voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.”
4.2.
WV.Work heeft aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. [persoon A] heeft niet voldaan aan zijn verplichtingen uit de opeisbare geldlening van in totaal € 614.318,61, te weten het restant van de opeisbare hoofdsom van € 564.637,00 en de contractuele rente van € 49.681,61. [persoon A] heeft van de hoofdsom van € 600.000,00 uit Geldlening 2, die op 1 juli 2022 opeisbaar was, slechts € 35.363,00 terugbetaald. [persoon B] heeft deze opeisbare vordering uit Geldlening 2 bij akte van cessie van 31 december 2023 overgedragen aan WV.Work.
4.3.
Bij het verstekvonnis van 15 januari 2025 heeft de rechtbank beslist:
“veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van € 614.318,61, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 3% per jaar over € 564.637.00 vanaf 1 november 2024 tot de dag van algehele voldoening:
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die aan de kant van eiseres worden begroot op € 11.536,91, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.”
4.4.
[persoon A] heeft als eiser in verzet gevorderd om bij vonnis:
I. opposant te ontheffen van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij Uw vonnis van 15 januari 2025, tussen geopposeerde als eiseres en opposant als gedaagde bij verstek gewezen;
II. geopposeerde in haar oorspronkelijke vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar die te ontzeggen;
met veroordeling van geopposeerde in de kosten van deze verzetprocedure.
4.5.
[persoon A] heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. WV.Work heeft geen juridische grondslag voor haar vorderingen. Ten tijde van de akte van cessie bestonden de daarbij overgedragen vorderingen uit “lening 1” (Geldlening 2) op [persoon A] niet meer. [persoon B] en [persoon C] hebben namelijk op 29 juni 2022, in het kader van de herfinanciering van de schulden van [persoon A] bij de NBIC-bank, hem een nieuwe geldlening (Geldlening 3) met een hoofdsom van € 564.637,00 als vervanging van de bestaande Geldlening 2 verstrekt (productie G2). Uit Geldlening 3 volgt dat de hoofdsom van € 564.637,00 uiterlijk 72 maanden na ondertekening, te weten op 29 juni 2028, moet worden terugbetaald. WV.Work heeft Geldlening 3 bij dagvaarding niet genoemd en deze niet ingebracht. Daarmee heeft WV.Work relevante feiten verzwegen voor de rechtbank. Dit levert strijd op met artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
4.6.
WV.Work heeft hiertegen op de zitting – samengevat – het volgende aangevoerd. [persoon B] en [persoon C] hebben in hun beleving de overeenkomst van 29 juni 2022 (Geldlening 3) louter en alleen opgesteld om de bank tevreden te stellen met betrekking tot de herfinanciering van [persoon A] . Geldlening 3 is echter nooit bedoeld en beschouwd als vervanging voor Geldlening 2 en is in de praktijk nooit uitgevoerd. [persoon A] weet dat hij alleen zijn verplichtingen uit Geldlening 2 moet nakomen en heeft tot zijn aflossingsvoorstel van 17 maart 2025 geen bezwaar gemaakt tegen de verwijzingen naar Geldlening 2 of “lening 1” en de berekende rente van 3% per jaar en de boeterente van € 250,00 in aan hem verstrekte overzichten. Daarom heeft WV.Work de overeenkomst van 29 juni 2022 (Geldlening 3) in de dagvaarding niet vermeld. WV.Work heeft daarmee niet in strijd met artikel 21 Rv Pro gehandeld. De vordering op [persoon A] is voldoende bepaalbaar. Uit de akte van cessie blijkt dat [persoon B] een vordering op [persoon A] heeft. [persoon B] heeft rechtsgeldig een vordering overgedragen aan WV.Work.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Ontvankelijkheid verzet
5.1.
[persoon A] is ontvankelijk in het verzet. Het verstekvonnis is van 15 januari 2025. [persoon A] heeft onbetwist gesteld dat hij op 26 februari 2025 voor het eerst op de hoogte is geraakt van de inhoud van het verstekvonnis. De verzetdagvaarding is uitgebracht op 25 maart 2025. [persoon A] heeft dus tijdig verzet ingesteld. WV.Work heeft dat ook niet betwist.
Vernietiging verstekvonnis
5.2.
De rechtbank zal het verstekvonnis vernietigen, [persoon A] ontheffen van de daarbij uitgesproken veroordeling en de oorspronkelijke vorderingen van WV.Work alsnog afwijzen. De rechtbank motiveert deze beslissingen als volgt.
Verzwijgen van relevante feiten
5.3.
WV.Work heeft in de oorspronkelijke dagvaarding bewust relevante feiten verzwegen. Zij heeft Geldlening 3 niet genoemd en niet in het geding gebracht. Geldlening 3 bevat ten opzichte van Geldlening 2 geheel andere voorwaarden.
Samengevat komen deze neer op het volgende:
“De uitlener” zijn [persoon B] en [persoon C] . “De lener” is [persoon A] . De uitgeleende hoofdsom bedraagt € 564.637. De lener dient over de restant hoofdsom een rente te betalen van 3,5% per jaar. De rente verschijnt in gelijke maandelijkse termijnen. De uitgeleende hoofdsom dient uiterlijk 72 maanden na ondertekening van de overeenkomst te worden terugbetaald. De lening kan niet tussentijds worden opgezegd behalve zoals voorzien in artikel 6 ervan Pro. De overeenkomst van geldlening is achtergesteld ten opzichte van de vorderingen die de lener aan de bank (de herfinancier) verschuldigd mocht zijn of worden. Als zekerheid is vermeld dat de lener alle hem ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst toebehorende registergoederen niet verder zal bezwaren.”
5.4.
Uit de inhoud en de context van Geldlening 3 volgt dat het de bedoeling van partijen is geweest om Geldlening 2 daarmee te vervangen. Het tot stand brengen van Geldlening 3 was nodig om te voldoen aan de voorwaarden die de bank stelde voor de herfinanciering van de schulden van [persoon A] .
5.5.
WV.Works moet zich ervan bewust zijn geweest dat de gewijzigde voorwaarden in Geldlening 3 relevant waren voor de door de rechtbank op de vorderingen te nemen beslissingen. Door deze relevante feiten niet op te nemen in de dagvaarding heeft WV.Work de rechtbank bewust onjuist geïnformeerd. WV.Work heeft daarmee in strijd met artikel 21 Rv Pro gehandeld.
Geen overdracht van vorderingsrechten ter zake van “lening 1” (Geldlening 2)
5.6.
[persoon B] en [persoon C] enerzijds en [persoon A] anderzijds zijn over en weer gebonden aan wat zij zijn overeengekomen door het aangaan van Geldlening 3. Dat zij Geldlening 3 aangingen omdat de bank dat als harde voorwaarde stelde voor de gewenste herfinanciering van de schulden van [persoon A] , doet daar niet aan af. Na het aangaan van Geldlening 3 kon [persoon B] aan “lening 1” (Geldlening 2) geen rechten meer ontlenen. Ten tijde van het tot stand komen van de akte van cessie van 31 december 2023 bestonden er geen vorderingen meer ter zake van “lening 1”. Daarom heeft de akte van cessie geen overdracht tot gevolg gehad van de daarin aangeduide vorderingen.
Afwijzing oorspronkelijke vordering van WV.Work
5.7.
Uit de stellingen die WV.Work aan de door haar ingestelde vorderingen ten grondslag heeft gelegd, kan niet worden afgeleid dat WV.Work ten tijde van dagvaarding enige vordering op [persoon A] had, noch dat zij die inmiddels heeft. Daarom moet het verstekvonnis worden vernietigd en moeten de vorderingen van WV.Work alsnog worden afgewezen.
5.8.
Aan het voorgaande doet niet af dat [persoon A] inmiddels mogelijk ook tekort is geschoten in voor hem ten opzichte van [persoon B] en [persoon C] uit Geldlening 3 voortvloeiende verbintenissen (betaling van rente), noch dat [persoon B] de [naam functie] is van WV.Work. Uit wat WV.Work aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, kan niet worden afgeleid dat die vorderingen bestaan, noch dat zij ten tijde van het instellen van die vorderingen of thans gerechtigd was/is tot incasso van enigerlei vordering op [persoon A] .
G
een aanvullende schriftelijke ronde
5.9.
Hiervoor is vastgesteld dat WV.Work bij dagvaarding in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen uit artikel 21 Rv Pro, namelijk de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (‘de waarheidsplicht’). Tegen die achtergrond heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om WV.Work in de gelegenheid te stellen om de grondslag van haar vorderingen na de mondelinge behandeling eventueel alsnog aan te passen aan de na tegenspraak gebleken feiten die zij in de oorspronkelijke dagvaarding heeft verzuimd te vermelden.
WV.Work wordt in de kosten van de procedure veroordeeld
5.10.
WV.Work is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in verzet, (inclusief de nakosten) betalen. De kosten van de verzetdagvaarding zijn daar niet onder begrepen, omdat [persoon A] oorspronkelijk correct was gedagvaard. Dat hij die dagvaarding niet tijdig heeft ontvangen, en daarom aanvankelijk niet in rechte is verschenen, komt voor zijn rekening en risico.
5.11.
De proceskosten met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.905,00
Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard
Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat niet heeft gevorderd (artikel 233 lid 1 Rv Pro).

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart het verzet ontvankelijk;
6.2.
verklaart het verzet gegrond en vernietigt het onder zaaknummer C/10/689926 op 15 januari 2025 gewezen verstekvonnis,
6.3.
doet opnieuw recht en:
6.4.
wijst de oorspronkelijke vorderingen van WV.Work af,
6.5.
veroordeelt WV.Work in de proceskosten aan de zijde van [persoon A] van € 9.905,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als WV.Work niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
[3366/1729]