ECLI:NL:RBROT:2026:2162

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713073 / JE RK 26-48 & C/10/713517 / JE RK 26-102
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4.10 Procesreglement Civiel jeugdrechtArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling en schoolverzuim

De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde op 3 februari 2026 de verzoeken tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2011 en 2014, woonachtig bij hun moeder. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en de Raad voor de Kinderbescherming vroegen om verlenging respectievelijk nieuwe ondertoezichtstelling vanwege zorgen over de schoolgang en de thuissituatie.

De ouders verzetten zich tegen de verlenging, stellende dat onvoldoende onderzoek was verricht en dat zij bereid zijn tot samenwerking. De kinderrechter oordeelde dat het verzoek van de GI tot verlenging niet tijdig was ingediend en daarom niet ontvankelijk was. Het verzoek van de Raad werd wel toegewezen omdat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, met name door het langdurige schoolverzuim van de jongste.

De kinderrechter benadrukte het belang van een zorgvuldig traject om de jongste terug te leiden naar passend onderwijs en het belang van medewerking van de ouders aan onderzoeken en interventies. De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor zes maanden en de beschikking is direct uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen voor zes maanden wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en schoolverzuim.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaaknummers: C/10/713073 / JE RK 26-48 & C/10/713517 / JE RK 26-102
datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
en
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ([geboorteland]),
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. L.A. Alderlieste uit Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. L.A. Alderlieste uit Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI van 9 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
  • het gezinsplan van de GI van 12 januari 2026, ontvangen op 13 januari 2026;
  • het verzoekschrift van de Raad van 19 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op 19 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Engels;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Pools;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1];
  • vertegenwoordigers van de Raad, [naam 2] en [naam 3].
1.3.
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Engelse en Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 4], tolk in de Engelse taal, en [naam 5], tolk in de Poolse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolken zijn beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover op 22 januari 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1].
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2025 [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 16 januari 2026.

3.De verzoeken

zaaknummer C/10/713073
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
zaaknummer C/10/713517
3.2.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft naar voren gebracht dat de schoolgang van [minderjarige 2] de voornaamste zorg is. De ouders hebben tot op heden geen toestemming verleend voor onderzoek van [minderjarige 2] naar zijn school- en zorgbehoeften of voor de aanvraag van een zorg- en onderwijs arrangement. Regulier onderwijs is op dit moment geen optie voor [minderjarige 2], maar de ouders hebben een andere visie. Het samenwerkingsverband passend onderwijs is betrokken. De GI wil graag in gesprek met de ouders, het samenwerkingsverband en de betrokken hulpverlening om uit te leggen wat de meerwaarde is van de onderzoeken om de schoolgang van [minderjarige 2] op gang te laten komen.
In maart 2026 staat een verkenningsweek bij iHub gepland, waarbij – voor beide ouders apart – gekeken zal worden naar de interactie tussen ouder en de kind en op welke wijze de veiligheid in de thuissituatie gewaarborgd kan blijven.
4.2.
De Raad heeft het verzoek gehandhaafd. Een ondertoezichtstelling voor de komende zes maanden is nodig en kan helpend zijn. Er lijkt sprake van veel weerstand bij de ouders. Het is belangrijk dat de ouders en de GI tot een samenwerking komen in het belang van de kinderen. Het is zorgelijk dat [minderjarige 2] al langere tijd niet naar school gaat. Ook waren er in het afgelopen jaar zorgen over de thuissituatie waarin de kinderen opgroeiden.
4.3.
Door en namens de ouders is verweer gevoerd tegen het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling. Er is te weinig onderzoek verricht naar de huidige situatie. Er zijn te weinig zorgen om de ondertoezichtstelling te laten voortduren. De zorgen zijn met name gericht op de schoolgang van [minderjarige 2]. De ouders erkennen dat dit een probleem is en zij zien in dat hij naar school moet. De ouders hebben een voorkeur voor regulier onderwijs en volgens hen is dat nog steeds een mogelijkheid. Door de GI is onvoldoende onderbouwd dat hiervan geen sprake kan zijn. Indien regulier onderwijs niet mogelijk is, bestaat er een mogelijkheid om [minderjarige 2] naar een privéschool te laten gaan. Die mogelijkheid is door de GI niet onderzocht. Ook is er door de GI niet geregeld dat [minderjarige 2] thuis huiswerkopdrachten kan maken. De vader kan [minderjarige 2] zelf inschrijven op een privéschool. Er is geen vooruitgang geboekt gedurende de ondertoezichtstelling. De ouders willen graag samenwerken en meewerken aan alle onderzoeken om tot een oplossing voor [minderjarige 2] te komen, maar een ondertoezichtstelling is hiervoor niet noodzakelijk.

5.De beoordeling

zaaknummer C/10/713073
5.1.
Ingevolge artikel 2.4.10. van het Procesreglement Civiel jeugdrecht dient het verzoek tot een verlenging van de ondertoezichtstelling uiterlijk tijdens de achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling te worden
ingediend. Het onderhavige verzoek is echter door de GI op 9 januari 2026, en daarmee een week vóór het verlopen van de termijn van de ondertoezichtstelling, ingediend. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk geweest om het onderhavige verzoek vóór het aflopen van de termijn van de ondertoezichtstelling op een zitting te behandelen en is de kinderbeschermingsmaatregel inmiddels verlopen. Een verlenging van die maatregel kan dan ook niet meer aan de orde zijn. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen.
zaaknummer C/10/713517
5.2.
Ten aanzien van het verzoek van de Raad is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden nog ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen wonen sinds september 2025 weer bij de moeder thuis. Het ontbreekt tot op heden nog steeds aan voldoende zicht op de opvoedsituatie van de kinderen bij elk van de ouders afzonderlijk. Het gezin staat op de wachtlijst voor een gezinsopname bij Gezin Totaal. Door middel van die gezinsopname dient er meer zicht te komen op de interactie tussen de ouders en de kinderen. Daarnaast is het een grote zorg dat [minderjarige 2] sinds april 2025 niet naar school gaat. De visies van de ouders en de hulpverlening over wat er nodig en passend zou zijn voor [minderjarige 2], lopen sterk uiteen. Het is hierdoor tot op heden niet gelukt om een school voor hem te vinden, waardoor zijn ontwikkeling stagneert.
5.3.
In de komende periode is het van belang dat er een zorgvuldig traject wordt ingezet om [minderjarige 2] terug te geleiden naar onderwijs en om ervoor te zorgen dat hij kan instromen in een passende onderwijssetting, waarin wordt aangesloten bij zijn leer- en ondersteuningsbehoeften. De kinderrechter is met de GI van oordeel dat een psychodiagnostisch onderzoek helpend kan zijn om meer zicht te krijgen op welke begeleiding en ondersteuning [minderjarige 2] nodig heeft. Het is belangrijk dat de ouders toestemming verlenen voor een dergelijk onderzoek en gaan samenwerken met de GI en het samenwerkingsverband om de impasse te doorbreken en de situatie voor [minderjarige 2] te verbeteren. De advocaat van de ouders heeft aangegeven dat hij hierin wellicht een rol kan vervullen en dat lijkt de kinderrechter verstandig en nodig.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De doelen van de (verlopen) ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en de ouders zijn onvoldoende in staat om de bestaande zorgen zelfstandig weg te nemen. Er is tot op heden namelijk nog geen dan wel veel te weinig vooruitgang geboekt. De kinderrechter acht de betrokkenheid van de jeugdbeschermer in de komende zes maanden noodzakelijk om te kunnen monitoren of de schoolgang van [minderjarige 2] en de hulpverlening van Gezin Totaal van de grond komt en de veiligheid van de kinderen gewaarborgd is. De kinderrechter zal [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht stellen voor de duur van zes maanden. Deze relatief korte termijn betekent dat er binnen afzienbare tijd duidelijke en concrete afspraken moeten worden gemaakt over welke stappen gezet gaan worden om te bewerkstelligen dat [minderjarige 2] naar school gaat. Verder zal het traject iHub ook snel van start moeten gaan. De GI dient dan ook voortvarend op te treden en de ouders dienen hun medewerking te verlening aan de door de GI in te zetten interventies.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 3 februari 2026 tot 3 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het verzoek van de GI.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door
mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Spaans als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.