Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, had een compensatieaanvraag ingediend op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen wees haar aanvraag aanvankelijk af voor de jaren 2011 tot en met 2014, maar kende later compensatie toe voor 2010 en begin 2012. In het bestreden besluit werd een nabetaling van slechts € 10,- toegekend, terwijl eiseres recht had op een hoger bedrag.
De rechtbank stelde vast dat de Dienst Toeslagen een rekenfout had gemaakt bij de verrekening met het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. De nabetaling moest worden verhoogd naar € 2.083,-, waarvan nog € 2.073,- betaald moest worden. Eiseres trok haar overige beroepsgronden in en vroeg alleen om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de behandeling van de zaak langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor eiseres recht had op een schadevergoeding van € 2.000,-. Deze vergoeding werd verdeeld tussen de Dienst Toeslagen (€ 1.750,-) en de Staat (€ 250,-). Daarnaast werden griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend, waarbij de kosten werden verdeeld tussen de Dienst Toeslagen en de Staat.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de nabetaling van € 10,- betrof en bepaalde zelf dat eiseres recht heeft op € 2.083,-. Het beroep werd gegrond verklaard en de Dienst Toeslagen en de Staat werden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.