Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2243

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714797 / KG ZA 26-145
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:247 lid 3 BWArt. 8 EVRMArt. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verhuisverbod bij eenhoofdig gezag en emigratie naar Portugal

De vrouw, die het eenhoofdig gezag over de minderjarige uitoefent, wil met het kind naar Portugal verhuizen. De man, die het gezag niet heeft, vordert een verhuisverbod. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in beginsel zelf over de woonplaats mag beslissen, maar dat zij de omgang tussen de man en de minderjarige moet bevorderen.

De rechtbank oordeelt dat de man een spoedeisend belang heeft omdat de verhuizing kort na de zitting gepland staat. De rechtbank weegt de belangen van de minderjarige, die op een leeftijd is waarop zij zich kan aanpassen en die nu op een school zit waar zij gepest wordt. De vrouw heeft toegezegd de omgang te blijven bevorderen en de man kan contact houden via video en bezoek.

De rechtbank concludeert dat de belangen van de minderjarige en de omgangsverplichting van de vrouw geen grond vormen voor een verhuisverbod. De vordering van de man wordt afgewezen. De vrouw mag op 14 februari 2026 met de minderjarige naar Portugal verhuizen. De vordering van de vrouw tot een omgangs- en informatieregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het verhuisverbod wordt afgewezen en de vrouw mag met de minderjarige naar Portugal verhuizen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/714797 / KG ZA 26-145
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in kort geding van 13 februari 2026 op grond van artikel 29a Rv en vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. G. Grijs te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.V. Paniagua te Rotterdam.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de betekende dagvaarding met producties van de man, ingekomen op 12 februari 2026;
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties van de vrouw, ingekomen op 13 februari 2026.
1.2.
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling mondeling uitspraak gedaan op de vorderingen in conventie, omdat een zodanig spoedeisend belang bestond bij de beslissing dat een volledige schriftelijke uitwerking daarvan niet kon worden afgewacht. De voorgenomen verhuizing van de vrouw met de minderjarige naar Portugal is namelijk op 14 februari, oftewel een dag na de mondelinge behandeling. De schriftelijke uitwerking is daarom opgemaakt op grond van artikel 29a lid 5 en 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit vonnis wordt ook een beslissing genomen op de vordering in reconventie.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van de minderjarige.
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.4.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Spaanse nationaliteit.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert:
I. de vrouw te verbieden om – met de minderjarige – te verhuizen of een ander met de minderjarige te laten verhuizen dan wel naar het buitenland te reizen en
II. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn overige vorderingen ingetrokken.
3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en vordert in reconventie een specifieke regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en een informatieregeling.

4.De beoordeling

4.1.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.1.
Deze zaak heeft een internationaal privaatrechtelijk karakter. Om die reden ligt zowel de rechtsmacht van de voorzieningenrechter als het toe te passen recht ambtshalve ter beoordeling voor. De voorzieningenrechter stelt op grond van de omstandigheden van partijen vast dat hij bevoegd is op de vorderingen te beslissen en dat op de vorderingen Nederlands recht moet worden toegepast.
Het geschil in conventie
4.2.
Spoedeisend belang
4.2.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw voornemens is om de dag na de mondelinge behandeling, op zaterdag 14 februari 2026, met de minderjarige te emigreren naar Portugal. De vrouw stelt dat de man geen spoedeisend belang heeft, omdat de man al langer op de hoogte was van een emigratie naar Portugal en hij bovendien geen bodemprocedure is gestart.
4.2.2.
De voorzieningenrechter concludeert dat de man pas kort op de hoogte is van het precieze moment van de verhuizing en dat de vrouw de verhuisdatum heeft vervroegd. De man stelt onweersproken dat er dertien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling, toen de man en de vrouw overleg hadden, nog geen concrete datum voor de emigratie vaststond. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de spoedeisendheid hierin ligt besloten, waardoor de man ontvankelijk is in zijn vorderingen.
4.2.3.
De voorzieningenrechter gaat dan ook over tot een inhoudelijke behandeling van de vorderingen in conventie.
4.3.
Verhuisverbod
4.3.1.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft de minderjarige recht op omgang met zijn ouders. Dit artikel bepaalt ook dat de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met de minderjarige heeft.
4.3.2.
Op grond van artikel 1:247 lid 3 BW Pro omvat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van de minderjarige met de andere ouder te bevorderen. Uit vaste rechtspraak volgt dat deze norm zich zowel richt tot ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, als tot de ouder die het ouderlijk gezag alleen uitoefent. Indien de gezaghebbende ouder niet voldoet aan de verplichting om omgang tussen de minderjarige en de andere ouder te bevorderen, bestaat een grondslag om de keuzevrijheid van de gezaghebbende ouder ten aanzien van de woonplaats van de minderjarige te beperken. Op grond van artikel 8 EVRM Pro is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen de minderjarige en de andere ouder. Een verbod om te verhuizen aan de gezaghebbende ouder kan dan een passende maatregel zijn. [1] Op grond van deze rechtspraak stelt de voorzieningenrechter vast dat er een grondslag bestaat voor een beperking van de bevoegdheid van de gezaghebbende ouder om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te bepalen, in de vorm van een verhuisverbod.
4.3.3.
De vrouw mag gelet op het eenhoofdig gezag in beginsel zelf over de woonplaats van de minderjarige beslissen. Zij kan in die zin zonder toestemming van de man met de minderjarige naar Portugal verhuizen. Hiervoor is echter uiteengezet dat de vrouw de verplichting heeft om omgang tussen de man en de minderjarige te bevorderen. Bovendien wordt die keuzevrijheid begrensd door de belangen van de minderjarige, die niet onaanvaardbaar in het gedrang mogen komen. Daarbij gaat het in het bijzonder om het recht op omgang tussen de minderjarige en de man. Verder is de vrouw gehouden om vóór het nemen van een belangrijke beslissing omtrent de minderjarige die de omgangsregeling met de man betreft – een verhuizing naar het buitenland valt daar zonder meer onder – de man te raadplegen. De vragen die de voorzieningenrechter moet beantwoorden zijn dan ook of de vrouw zal voldoen aan de verplichting om omgang tussen de man en de minderjarige te bevorderen en welke impact de voorgenomen verhuizing van de vrouw heeft op de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige. Daarbij is van belang dat vanwege het karakter van het kort geding als spoedeisende procedure die tot een voorlopige ordemaatregel leidt, het kort geding zich niet leent voor uitgebreid feitenonderzoek.
4.3.4.
De minderjarige verblijft momenteel elke woensdagmiddag tot donderdagochtend en om de week in het weekend bij de man. Door de verhuizing zal deze omgangsregeling niet meer uitgevoerd kunnen worden. Die omstandigheid maakt echter niet dat daarom geen sprake is van het bevorderen van de omgangsregeling door de vrouw. Het is namelijk onvermijdelijk dat een verhuizing invloed heeft op de omgangsregeling, zeker als sprake is van een emigratie. De vraag is of de vrouw ondanks deze afstand de omgang zal blijven bevorderen, in die zin dat de belangen van de minderjarige niet in het gedrang komen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat het geval is. Partijen hebben een goede band. De raad heeft ook benadrukt dat dit positief is en een goede basis vormt voor de omgang. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de vrouw blijft meedenken om de contacten tussen de man en zijn dochter mogelijk te maken. Zo heeft zij bijvoorbeeld aangeboden dat de man in de buurt kan komen wonen en werkzaamheden kan verrichten voor de latere gemeenschap. Dit was ook het oorspronkelijke plan van partijen. Bij verhuizing blijven de vakanties wat de vrouw betreft tussen partijen bij helfte verdeeld en de minderjarige zou maandelijks (lange) weekenden naar de man kunnen. Daarnaast kunnen de man en de minderjarige zo vaak als zij willen (video)bellen. De man was ook al langere tijd op de hoogte van de emigratie naar Portugal. Dat de man pas kort voor het uitbrengen van de dagvaarding is gaan nadenken over de gevolgen van een verhuizing, kan de vrouw niet worden tegengeworpen.
4.3.5.
Wat betreft de belangen van de minderjarige merkt de voorzieningenrechter verder op dat de raad heeft benadrukt dat de minderjarige op een leeftijd is (tien jaar) waarin zij goed in staat is om zich aan te passen aan een nieuwe omgeving. De minderjarige weet bovendien al een tijd van de verhuizing naar Portugal en is ook al bij het huis geweest. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat zij op een later moment met de minderjarige teruggaat naar Nederland om afscheid te nemen van haar klas en haar vrienden en vriendinnen. Bovendien zijn partijen het erover eens dat de minderjarige nu op een school zit waar zij veel last heeft van pestgedrag. Een schoolwissel is om die reden hoe dan ook wenselijk. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de belangen van de minderjarige zich niet verzetten tegen een verhuizing naar Portugal. Deze afweging levert dus geen grond op voor een verhuisverbod.
4.3.6.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering van de man, het verhuisverbod, moet worden afgewezen. Dat betekent dat de vrouw op 14 februari 2026 met de minderjarige naar Portugal mag verhuizen.
4.3.7.
De voorzieningenrechter benadrukt dat zij zich ervan bewust is dat deze beslissing impact heeft op de man, zeker omdat de vrouw de dag na de mondelinge behandeling al met de minderjarige verhuist. De voorzieningenrechter heeft er echter vertrouwen in dat de goede band die die man met de minderjarige heeft, in stand kan worden gehouden. De vrouw heeft en houdt de verplichting om deze omgang te blijven bevorderen, ook vanuit Portugal. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat een beslissing in kort geding slechts een voorlopig oordeel is. Mocht de man voornemens zijn een bodemprocedure te starten, dan kan in die procedure een beslissing worden genomen op de dan voorliggende verzoeken.
Het geschil in conventie
4.3.8.
De vrouw vordert in reconventie een voorlopige omgangs- en informatieregeling. De voorzieningenrechter zal die vorderingen afwijzen, omdat er geen spoedeisend belang is. Niet gebleken is immers dat de invulling van de omgangs- en informatieregeling tussen partijen in geschil is. Hiervoor is al benadrukt dat partijen een goede band hebben en dat de vrouw ook concrete voorstellen heeft gedaan voor de invulling van het contact tussen de man en zijn dochter. Uit de verklaringen van de man leidt de voorzieningenrechter ook af dat hij graag een frequente omgangsregeling wil hebben. Het is aan partijen om dit in onderling overleg af te stemmen.
4.3.9.
De vordering in reconventie wordt daarom afgewezen.
In conventie en reconventie
4.4.
Proceskosten
4.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de voorzieningenrechter dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. Gelet op de afwijzing van het verhuisverbod ligt het niet in de rede om de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Uitgangspunt in familiezaken is ook dat ieder zijn of haar eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
5.1.
wijst af de vorderingen van partijen;
5.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en wat betreft de vorderingen in conventie in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 en schriftelijk uitgewerkt op 24 februari 2026 en wat betreft de vordering in reconventie in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513.