Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
29 januari 2026
Rechtbank Rotterdam
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie en verzoekt toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) met een eerdere ingangsdatum. De rechtbank beoordeelt dat zij niet te goeder trouw was bij het ontstaan van bepaalde schulden binnen de driejaarstermijn, onder meer door het voortzetten van opdrachten ondanks problemen met een zelfstandig ondernemer en het ontvangen van een grote aanbetaling zonder uitvoering.
Ondanks deze kwade trouw past de rechtbank de hardheidsclausule toe omdat mevrouw [verzoekster] sinds februari 2024 haar onderneming heeft beëindigd, geen nieuwe schulden heeft gemaakt en spijt betuigt. De rechtbank stelt de duur van de Wsnp op drie jaar vast, passend bij de omvang van de schulden en de afloscapaciteit van circa €1.200 per maand.
De ingangsdatum wordt vastgesteld op 29 juni 2025, zeven maanden vóór de datum van het verzoek, omdat mevrouw [verzoekster] in die periode naar het oordeel van de rechtbank waarschijnlijk aan haar verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject heeft voldaan. De bewindvoerder krijgt de opdracht om hierover te rapporteren.
De rechtbank benoemt een bewindvoerder en rechter-commissaris, legt de verplichtingen van mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp uit en wijst op de mogelijkheid van een schone lei na succesvolle afronding. De uitspraak is openbaar en er is een termijn van acht dagen voor hoger beroep.
Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt toegewezen voor drie jaar met ingangsdatum 29 juni 2025 en toepassing van de hardheidsclausule.