ECLI:NL:RBROT:2026:2254

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
10-252665-25, 10-174343-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting, vernieling en bedreiging met psychische stoornis

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte veroordeeld voor opzettelijke brandstichting in zijn huurwoning, vernieling van die woning en bedreiging van een zakelijke tegenpartij. De brandstichting vond plaats op 23 september 2025 en bracht gevaar voor omliggende woningen en personen met zich mee. De bedreiging betrof een dreigement om een restaurant op te blazen bij uitblijven van betaling.

De verdachte leed aan een psychotische stoornis, waardoor de feiten in verminderde mate aan hem zijn toegerekend. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte bewust brand stichtte en vernieling pleegde, en dat hij de zakelijke tegenpartij bedreigde met een misdrijf tegen het leven gericht. De primaire tenlastelegging van afpersing werd verworpen wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Bijzondere voorwaarden, zoals meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling en ambulante behandeling, zijn opgelegd om recidive te voorkomen. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de psychische stoornis en het advies van de reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden wegens brandstichting, vernieling en bedreiging.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-252665-25, 10-174343-25
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Datum zitting: 6 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. M.J.E. Kallen
Officier van justitie: mr. C.T. den Uil
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in zijn huurwoning, terwijl
daarvoor gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De verdachte heeft door zo te handelen zich ook schuldig gemaakt aan vernieling van de woning. Wegens een psychische stoornis worden deze feiten hem in verminderde mate toegerekend. Verder is bewezen dat de verdachte iemand heeft bedreigd met wie hij een zakelijk conflict had. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Daarbij worden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering opgelegd.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – opzettelijk brand heeft gesticht in zijn woning waarbij er gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bestond, subsidiair dat het aan verdachtes schuld te wijten is dat deze brand is ontstaan. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van vernieling van deze woning. Verder wordt de verdachte beschuldigd van afpersing subsidiair bedreiging van het [slachtoffer 1].
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
10-252665-25
1.
hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam
opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een brandstof
en/of een bankstel en/of een deken, althans een brandbare stof,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - gemeen gevaar voor een of
meer goederen, te weten de woning gelegen aan [adres delict] en/of
omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen te duchten was
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
meerdere personen die aanwezig waren in de woningen gelegen aan [adres delict]
en/of in omliggende woningen en/of portieken te duchten was;
subsidiair
hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam,
zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend
open vuur en/of sigaret in aanraking te brengen met een brandbare stof en/of
(vervolgens) bij een (beginnende) brand weg te lopen,
waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan en/ of een
ontploffing teweeg is gebracht,
terwijl daardoor gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning
gelegen aan [adres delict] en/of omliggende woningen en/of de inboedel van
die woningen ontstond
en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
meerdere personen die aanwezig waren in de woningen gelegen aan [adres delict]
en/of in omliggende woningen en/of portieken ontstond.
2.
hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam
opzettelijk en wederrechtelijk
de woning gelegen aan [adres delict] en/of toebehoren aan voornoemde
woning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten
aan Havensteder, toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
10-174343-25
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Rotterdam,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n),
door met een groep mensen het restaurant van [slachtoffer 1] te betreden en te
dreigen met het opblazen van het restaurant, bij het uitblijven van betaling;
subsidiair
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Rotterdam,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en / of met zware mishandeling en / of openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen en/of
brandstichting,
door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: 'als je niet
betaald, blaas ik het restaurant op', althans woorden van gelijke dreigende aard of
strekking.

2.Bewijs / Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor opzettelijke brandstichting en vernieling, zoals ten laste gelegd als de feiten 1 primair en 2 onder parketnummer 10-252665-25. Daarnaast moet de verdachte worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde afpersing onder parketnummer 10-174343-25. De verdachte moet wel worden veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde bedreiging.
2.2.
Conclusie van de verdediging
Voor het feit onder parketnummer 10-174343-25 heeft de verdediging primair integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van objectief bewijs. Subsidiair is verzocht de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit, nu er geen sprake is van een voltooide afpersing.
Ten aanzien van de brandstichting onder parketnummer 10-252665-25 heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’. Hiertoe is aangevoerd dat op basis van het dossier onduidelijk is of er mensen aanwezig waren in de nabijgelegen woningen. Evenmin volgt uit het dossier hoe de woningen zich (qua ligging en afstand) tot de woning van de verdachte verhouden.
De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte opzettelijk brand in zijn woning heeft gesticht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan vernieling van deze woning. Daarnaast is bewezen is dat de verdachte het [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.5.
2.3.2.
Feiten 1 primair en 2 onder parketnummer 10-252665-25
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. [1]
1. Verklaring van de verdachte [2]
2. Proces-verbaal van de politie [3]
3. Proces-verbaal van de politie [4]
2.3.2.
Bewijsmotivering opzettelijke brandstichting
Niet ter discussie staat dat de verdachte op 23 september 2025 brand heeft gesticht in zijn woning gelegen aan [adres delict]. Naar aanleiding van deze brand is er forensisch onderzoek verricht aan de woning. Uit dit onderzoek volgt onder meer dat de woning een portiekwoning op de tweede etage betreft, dat er bij de brand giftige hete rookgassen ontstonden en dat de brand zich had kunnen ontwikkelen tot een grote uitslaande brand. De brand moest door de brandweer worden geblust en is niet vanzelf uitgegaan. Er bestond dus een risico dat de brand naar naastgelegen woningen zou overslaan of dat de omwonenden giftige rookgassen zouden inademen. Uit het dossier blijkt ook dat er ten tijde van de brand zeker op zes adressen in de directe nabijheid iemand thuis was. De buurman van [huisnummer] is de verdachte bijvoorbeeld bij de lift tegengekomen, toen de verdachte na de brandstichting de woning verliet. Verder is algemeen bekend dat veel personen op het moment van de brandstichting – rond 08:00-08:30 uur – thuis zijn. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met de brandstichting ook een gevaar voorzienbaar en dus te duchten was voor de personen die zich in de omliggende woningen bevonden, in de zin van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
2.3.3.
Bewijsmotivering bedreiging
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden. [5]
Vaststaat dat er tussen de verdachte en [slachtoffer 1] (de aangever) sprake was van een zakelijk geschil, ontstaan naar aanleiding van de overname van het restaurant van de verdachte. De verdachte meent dat hij onvoldoende geld heeft ontvangen voor de overname. Op 16 april 2025 is de verdachte, samen met anderen, het restaurant binnengegaan. Bij de politie en ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij toen boos was en om zijn geld heeft gevraagd.
[slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte steeds dreigender werd in zijn bewoordingen en dat hij niet stopte met het eisen van het geld. Vervolgens zei de verdachte tegen hem dat hij het restaurant zou opblazen als hij niet zou betalen. [6] De zakenpartner van de [aangever], was op dat moment ook in het restaurant aanwezig en heeft verklaard dat de verdachte op luide provocerende toon aan het praten was en zei: “als jullie het geld niet geven, dan explodeer ik de winkel.” [7] [getuige], een medewerker van het restaurant, heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte boos was en riep: “als je niet betaalt, laat ik het restaurant ontploffen.” [8]
De aangifte wordt op essentiële onderdelen ondersteund door twee getuigenverklaringen. De rechtbank acht de verklaringen geloofwaardig en heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid hiervan. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat voormelde medewerker, die niet betrokken was bij het gesprek, de situatie kennelijk zo dreigend vond dat hij tijdens het gesprek foto’s van de verdachte is gaan maken. De bedreiging kan dus wettig en overtuigend bewezen worden.
2.3.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
10-252665-25
1. hij op 23 september 2025 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een brandstof, een bankstel en een deken, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan [adres delict], omliggende woningen en de inboedel van die woningen, en
  • levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten personen die aanwezig waren in de aan [adres delict] omliggende woningen en portieken
te duchten was;
2. hij op 23 september 2025 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk de woning gelegen aan [adres delict] en toebehoren aan voornoemde woning die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Havensteder, toebehoorden, heeft beschadigd;
10-174343-25
hij op 16 april 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: 'als je niet betaalt, blaas ik het restaurant op', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2.3.5.
Vrijspraak afpersing (primair onder 10-174343-25)
De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
10-252665-25
De eendaadse samenloop van
feit 1 primair
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
en
feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
10-174343-25
Feit 1 subsidiair
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit 1 en feit 2 onder 10-252665-25,
en het subsidiair ten laste gelegde feit onder 10-174343-25, worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Tevens wordt gevorderd dat de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, worden opgelegd en onmiddellijk uitvoerbaar worden verklaard.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf de duur van het voorarrest niet overschrijdt.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in zijn huurwoning. Hij heeft van tevoren nog met 112 contact opgenomen en gedreigd zijn woning in brand te steken tenzij er direct geld voor hem geregeld zou worden. Toen zij niet aan zijn eis tegemoet konden komen heeft hij zijn voornemen tot uitvoering gebracht. Toen de brand eenmaal woedde heeft de verdachte de deur achter zich dichtgetrokken en heeft zijn appartement verlaten.
De woning betreft een portiekwoning en in de omliggende woningen waren op het moment van de brand meerdere bewoners aanwezig. Door zijn handelen heeft de verdachte aanzienlijke materiële schade toegebracht aan de woning. Hiermee heeft hij laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendom. Daarnaast heeft de verdachte door de brandstichting bewust het risico genomen dat buren zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen of zelfs in levensgevaar zouden komen. De gevolgen van de brand zijn uiteindelijk gelukkig beperkt gebleven, mede doordat de verdachte zelf 112 heeft gebeld en men op het in dat gesprek geuite dreigement tot brandstichting heeft geacteerd. Dit neemt niet weg dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf. Bovendien rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat hij nagelaten heeft om zijn medebewoner(s), waarvan hij nota bene één kort na de brandstichting nog in de lift van het appartementencomplex was tegengekomen, te waarschuwen voor de brand.
Verder heeft de verdachte iemand bedreigd met wie hij een zakelijk conflict had, door te dreigen zijn restaurant op te blazen indien het slachtoffer hem niet zou betalen. Het is volstrekt ontoelaatbaar dat de verdachte op deze manier heeft gereageerd op een zakelijk geschil. Het dreigen met een explosie brengt niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij het slachtoffer, maar ook bij het personeel en de overige personen die op dat moment in het restaurant aanwezig waren.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
NIFP-rapport
In het rapport van psychiater [naam] van 28 november 2025 staat het volgende. De verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een psychotische episode, deels in remissie. Tijdens de ten laste gelegde brandstichting was waarschijnlijk sprake van achtervolgingswaanzin met gevoelens van angst, agitatie en boosheid als gevolg. Om die reden wordt geadviseerd om de verdachte de brandstichting bij een bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat. Enige bescherming wordt gezien in de motivatie van de verdachte om begeleiding en behandeling te ondergaan. Bij een bewezenverklaring wordt geadviseerd het recidiverisico te beperken door een klinisch psychiatrische behandeling van de psychotische stoornis in een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA), met aansluitende resocialisatie via begeleid wonen en ambulante nazorg in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
Rapport reclassering
In het rapport van de reclassering van 8 augustus 2025 staat het volgende. Er is op dit moment sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden van de verdachte. De verdachte heeft geen vaste woon- en verblijfplaats, geen inkomen, geen dagbesteding en beschikt niet over een steunend netwerk. Daarnaast is hij in de afgelopen jaren meermaals bij politie en justitie in beeld gekomen vanwege conflicten met derden. Er zijn geen beschermende factoren waargenomen. Gelet hierop wordt het risico op recidive als hoog ingeschat en worden interventies noodzakelijk geacht. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en opname in een zorginstelling.
Aanvullend advies reclassering
De reclassering heeft op 5 februari 2026 een aanvullend advies uitgebracht over de verdachte. Hierin staat het volgende. Indien de verdachte na een eventuele detentieperiode niet direct geplaatst kan worden in een instelling, is het noodzakelijk dat de reclassering zich op andere vlakken inzet. Dit geldt ook na een klinische opname om ervoor te zorgen dat de verdachte de juiste nazorg ontvangt. Als bijzondere voorwaarden worden daarom geadviseerd: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname en het meewerken aan middelencontrole.
4.3.3.
Oplegging straf
Op basis van het rapport van de psychiater stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten in de zaak onder parketnummer 10-252665-25 enigszins heeft beïnvloed. Deze feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 6 maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering in haar advies van 5 februari 2026 heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Bovendien volgt uit het rapport van de psychiater dat de psychische stoornis waarschijnlijk is uitgelokt of versterkt door het middelengebruik. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, verblijf in een begeleid wonen instelling of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname en beheersing van het middelengebruik.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan het criterium dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Van een dusdanig dreigend concreet gevaar is uit het dossier onvoldoende gebleken. De bijzondere voorwaarden worden daarom niet dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 157, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit onder parketnummer 10-174343-25 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit 1 en feit 2 onder parketnummer 10-252665-25 en het subsidiair ten laste gelegde feit onder parketnummer 10-174343-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 24 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de verdachte meldt zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij reclassering op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. de verdachte laat zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start direct na detentie of zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. de verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start in overeenstemming met de zorginstellingen, de reclassering en het NIFP. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. de verdachte laat zich gedurende de proeftijd of zolang nodig wordt geacht ambulant behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
5. de verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. I. Tillema, voorzitter,
en mrs. C.G. van de Grampel en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 februari 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.
2.Verklaard tijdens de zitting van 6 februari 2026.
3.Forensisch onderzoek woning ([adres delict]), proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
4.Bevindingen buurtonderzoek, proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2].
5.In de voetnoten wordt verwezen naar de exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen waaraan de feiten en omstandigheden zijn ontleend. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 3].
6.6 Pagina’s 22-23 van het proces-verbaal.
7.Pagina’s 29-30 van het proces-verbaal.
8.Pagina’s 34-35 van het proces-verbaal.