Eiser verloor een aanzienlijk bedrag aan cryptobeleggingsfraude, waarbij betalingen via rekeningen van gedaagden liepen. Gedaagde 2 stelde haar zakelijke bankrekening ter beschikking en sloot een overeenkomst als 'billing agent', maar stortte gelden door conform instructies van fraudeurs. De rechtbank oordeelde dat de betalingen niet onverschuldigd waren omdat ze voortkwamen uit een overeenkomst tussen eiser en de fraudeurs, die niet nietig was.
Wel werd geoordeeld dat gedaagde 2 onrechtmatig handelde door haar rekening als doorgeefluik te gebruiken zonder voldoende controle, wat onzorgvuldig was jegens eiser. Hoewel gedaagde 2 zelf ook slachtoffer was, bleef haar onzorgvuldig handelen haar aansprakelijk. Eiser had eigen schuld omdat hij onvoldoende onderzoek deed en ondanks twijfels bleef betalen.
De schadevergoeding werd daarom verminderd met 25% eigen schuld van eiser. De vordering tegen gedaagde 1 werd toegewezen wegens verstek. De vordering tot incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Gedaagde 2 werd veroordeeld tot betaling van €31.045 plus wettelijke rente vanaf 11 februari 2025 en in proceskosten.