De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op 4 februari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van een vier maanden oude minderjarige verlengd tot 28 april 2026. Dit volgt op een eerdere spoedbeschikking van 28 januari 2026, waarbij de minderjarige voorlopig onder toezicht werd gesteld en uit huis geplaatst in een neutraal pleeggezin.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft het verzoek tot verlenging ingediend vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van de minderjarige. Deze is met meerdere, deels oude, botbreuken in het ziekenhuis opgenomen, waarvan de ouders geen verklaring kunnen geven. Er loopt een strafrechtelijk onderzoek en een onderzoek door het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling.
De ouders voeren geen verweer tegen de ondertoezichtstelling, maar verzetten zich tegen de uithuisplaatsing en verzoeken om herroeping. Zij stellen voor om de veiligheid te waarborgen via een vier-ogen-beleid of plaatsing in een netwerkpleeggezin, wat volgens hen beter is voor de gehechtheidsrelatie. De gecertificeerde instelling sluit zich aan bij het verzoek van de Raad en benadrukt de betrokkenheid van de ouders.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Het contact tussen de minderjarige en de ouders dient te worden voortgezet en de GI blijft zoeken naar een plaatsing binnen het netwerk van de ouders.