ECLI:NL:RBROT:2026:2266

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/9209
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken ingebrekestelling tegen niet-tijdig besluit UWV

SGS Nederland B.V. heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van het UWV over een herbeoordeling van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is, waarbij vereist is dat voorafgaand aan het beroep een ingebrekestelling is verstuurd aan het bestuursorgaan.

Het UWV stelt dat het geen ingebrekestelling heeft ontvangen en kan ook geen ontvangstbevestiging of beschikking dwangsom overleggen. Eiseres kon het verzendbewijs van de ingebrekestelling niet meer achterhalen en overlegt geen beschikking waarin een maximale dwangsom is toegekend. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling is verstuurd, waardoor niet is voldaan aan artikel 6:12, tweede lid, Awb.

Daarnaast kan het beroepschrift niet worden aangemerkt als ingebrekestelling omdat het niet voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij het beroep niet inhoudelijk. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aannemelijke ingebrekestelling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9209
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

SGS Nederland B.V., uit Spijkenisse, eiseres,

(gemachtigde: [naam 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [naam 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing (beroep ntb) op de aanvraag van eiseres om een herbeoordeling van de aan (ex-)werknemer [naam 3] verleende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1] Als de betrokkene geen ingebrekestelling aan het bestuursorgaan stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk.
3. Het UWV heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld de ingebrekestelling niet te hebben ontvangen. Ook heeft het UWV geen ontvangstbevestiging of beschikking dwangsom in deze zaak kunnen terugvinden, waaruit de ontvangst van de ingebrekestelling zou kunnen worden afgeleid. Aan eiseres is op 13 februari 2026 schriftelijk gevraagd te reageren op het verweerschrift onder verwijzing naar een verzendadministratie waaruit blijkt dat de ingebrekestelling van 30 november 2023 is verstuurd naar het UWV. In reactie hierop heeft eiseres op 24 februari 2026 per e-mailbericht aangegeven het verzendbewijs niet meer te kunnen achterhalen. Ook heeft zij geen beschikking overgelegd waarin het UWV haar in deze zaak de maximale dwangsom heeft toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de ingebrekestelling is verstuurd. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste uit artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb dat het beroepschrift twee weken na een ingebrekestelling kan worden ingediend. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het beroepschrift niet aangemerkt kan worden als een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, omdat het niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Er is verder geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.