Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Procesverloop
(UHT-DH A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1 december 2017. Eiser had als expat in Engeland gewerkt en met zijn gezin gewoond en was in 2017 terug naar Nederland gekomen. Zijn belastingen werden via zijn werkgever gedaan door accountantskantoor Ernst & Young. Hij had zich door alles wat er geregeld moest worden als gevolg van de verhuizing, niet gerealiseerd dat hij kinderopvangtoeslag had moeten aanvragen. Met een besluit van 3 september 2020 is de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 april 2020 toegekend. Met een besluit van 27 oktober 2020 is het verzoek van eiser tot herziening over de periode van 1 december 2017 tot 1 april 2020 afgewezen. Het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2020 is met een besluit van 1 december 2020 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of de toepassing van de Awir, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. [1] Voor compensatie wegens hardheid van het wettelijke systeem moet in het betreffende toeslagjaar sprake zijn van een verlaging of terugvordering van kinderopvangtoeslag van ten minste € 1.500,-. [2]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.J. Nieuwstraten, griffier.