ECLI:NL:RBROT:2026:2291

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
10/177997-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor belaging, mishandeling en bedreiging met jeugddetentie en contactverbod

De rechtbank Rotterdam heeft op 26 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een jeugdige verdachte die werd beschuldigd van belaging, mishandeling en bedreiging van zijn ex-vriendin. De feiten vonden plaats tussen oktober 2023 en april 2024 en betroffen onder meer het stelselmatig lastigvallen via telefoontjes, het inloggen op sociale media accounts van het slachtoffer, het aanmaken van nepaccounts en het versturen van dreigende berichten. Daarnaast mishandelde hij het slachtoffer en bedreigde haar met woorden die een ernstige vrees voor haar leven konden veroorzaken.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het zich begeven rondom de woning van het slachtoffer, waarvoor hij werd vrijgesproken. De verklaring van het slachtoffer werd ondersteund door een anonieme getuige en technische bewijzen zoals telecomgegevens en sociale media-informatie.

De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een contactverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar, met een sanctie van twee weken jeugddetentie per overtreding. De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd en positieve ontwikkelingen.

Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €4.858,20 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 april 2024. De vordering van de benadeelde partij werd volledig toegewezen. De rechtbank achtte de opgelegde straf en maatregel passend gezien de ernst van de feiten en de impact op het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie (waarvan 100 voorwaardelijk) en een vijfjarig contactverbod met schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10/177997-24
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsman mr. D.W. Roos, advocaat in Den Haag.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 12 februari 2026.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. A.H.A. de Bruijne, heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;
  • toepassing van het jeugdstrafrecht;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek
  • oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van 5 jaar, waarbij per overtreding 2 weken hechtenis wordt toegepast (met een maximum van 6 maanden).

4.Waardering van het bewijs

4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde (belaging) heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het contact in de ten laste gelegde periode tegen de uitdrukkelijke wil van de aangeefster heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de gedachtestreepjes 3 en 4 op de tenlastelegging is aangevoerd dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte zich toegang tot deze accounts heeft verschaft en dat deze toegangsverschaffing heeft plaatsgevonden binnen de ten laste gelegde periode.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde (mishandeling) heeft de verdediging aangevoerd dat hier onvoldoende bewijs voor is, aangezien de verklaring van de aangeefster niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De verklaring van de anonieme getuige kan niet worden gebruikt voor de bewijsconstructie.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (bedreiging) heeft de verdediging aangevoerd dat bedreiging niet kan worden bewezen, omdat de uitlating bij de aangeefster niet de redelijke vrees kon doen ontstaan dat de verdachte haar daadwerkelijk iets zou aandoen. De uitlating moeten worden gezien als een uiting van onmacht en frustratie.
4.1.2.
Beoordeling
Inleiding
De [aangeefster], heeft meerdere malen aangifte gedaan van onder andere belaging door de verdachte. De aangeefster zou in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 24 april 2024 voortdurend zijn lastig gevallen door de verdachte. De verdachte is de ex-vriend van de aangeefster en zij hebben samen een dochter. De aangeefster heeft uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van de verdachte over te gaan.
Feit 1
Gedachtestreepje 1: bellen naar de aangeefster
De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte haar veelvuldig heeft gebeld. De politie heeft onderzoek gedaan naar de historische telecomgegevens van het telefoonnummer van de aangeefster. Hieruit volgt dat zij in de periode van 15 oktober 2023 tot en met 28 december 2023 625 keer is gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer]. Het overgrote deel van deze oproepen duurde minder dan vijf seconden. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij als enige gebruik maakte van het telefoonnummer +[telefoonnummer] en dat het kan zijn dat hij de aangeefster in die periode gebeld heeft. De aangeefster heeft verklaard dat zij het telefoonnummer van de verdachte heeft geblokkeerd. Dat was nadat zij op 9 oktober 2023 aangifte tegen hem had gedaan. Vervolgens werd zij dagelijks meermaals overdag en in de nacht gebeld door een anoniem nummer. Zij vermoedde dat het de verdachte was. Toen zij een keer opnam en hoorde dat het de verdachte was, vertelde zij hem dat hij moest stoppen met bellen. Hieruit, en uit de korte duur van de oproepen, waaruit volgt dat er geen lang gesprek heeft plaatsgevonden, leidt de rechtbank af dat de aangeefster geen telefonisch contact met de verdachte wenste en dat dit voor de verdachte ook duidelijk was. De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die de aangeefster veelvuldig heeft gebeld en dat dit tegen de wil van de aangeefster was.
Gedachtestreepje 2: begeven rondom woning van de aangeefster
Het dossier bevat onvoldoende bewijs voor het zich bij en/of rondom de woning van de aangeefster begeven. Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Gedachtestreepje 3 en 4: inloggen en/of aanmaken van (nep) accounts op naam van de aangeefster en haar via die accounts dreigende berichten sturen
De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte op haar sociale media accounts heeft ingelogd en ook nepaccounts op haar naam heeft aangemaakt en via deze accounts dreigende berichten naar haar heeft gestuurd. Deze verklaring vindt steun in het volgende. Uit een bij de aangifte gevoegd bericht van ene [naam] blijkt dat deze [naam] de aangeefster vraagt of
zijhaar, [naam], een berichtje heeft gestuurd via insta of dat haar account is gehackt. Uit een ander bij de aangifte gevoegd bericht blijkt dat de verdachte chat via een oud account van de aangeefster. Op de telefoon van de verdachte wordt gezien dat er op zeven verschillende snapchataccounts, die allemaal de initialen van de aangeefster bevatten, is ingelogd. Dat het de verdachte was die toegang had tot deze accounts volgt ook uit berichten waarin de gebruiker van een van de accounts schrijft dat hij binnenkort een rechtszaak tegen ‘haar’ heeft. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft ingelogd op accounts van de aangeefster en ook nepaccounts op haar naam heeft aangemaakt. Uit de data van de aangiften en de verklaring van de aangeefster volgt dat deze gedragingen binnen de tenlastegelegde periode hebben plaatsgevonden.
Gedachtestreepje 5: contact zoeken met derden en/of via derden de verblijfplaats van de aangeefster achterhalen
Op 11 april 2024 ontving de politie een melding dat de verdachte contact had opgenomen met het consultatiebureau en dat het consultatiebureau informatie had verstrekt over de verblijfplaats van de aangeefster, die in een opvanghuis verbleef. Daarnaast heeft de zus van de aangeefster tegenover de politie verklaard dat zij door de verdachte wordt lastiggevallen. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte ook contact heeft opgenomen met de ouders van de aangeefster. Derhalve kan ook het vijfde gedachtestreepje worden bewezen.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde onder de gedachtestreepjes 1, 3, 4 en 5 heeft begaan. Van het tweede gedachtestreepje wordt de verdachte vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van de aangeefster – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig is geweest dat van een stelstelmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster kan worden gesproken.
Feit 2
De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 15 oktober 2023, midden in de nacht, is mishandeld door de verdachte en dat zij op dat moment haar dochter vast had. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar op haar armen heeft geslagen, haar bij de keel heeft gepakt en deze vervolgens heeft dichtgeknepen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van een getuige die anoniem wenst te blijven en waarvan de persoonsgegevens daarom alleen bij de politie bekend zijn. Deze getuige heeft verklaard dat zij op 14 oktober 2023 heeft gehoord dat de aangeefster “politie politie” aan het schreeuwen was en dat zij toen naar de aangeefster toe is gegaan. Toen zij haar kamer uitliep zag zij de verdachte de woning verlaten en wegrennen. Zij zag vervolgens dat zowel de aangeefster als haar dochter aan het huilen waren, dat de aangeefster rode vlekken op haar armen had en dat haar nek rood was. De aangeefster heeft haar toen verteld dat de verdachte zojuist bij haar was geweest, dat hij seks wilde, dat zij dat niet wilde en dat hij haar had proberen te dwingen. Vervolgens had hij geprobeerd om haar keel dicht te knijpen. Dit gebeurde allemaal terwijl ze haar dochtertje in de armen had.
De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van deze getuige niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat deze onvoldoende concreet en niet betrouwbaar is. De rechtbank volgt dit verweer niet. De getuige heeft een zeer gedetailleerde verklaring afgelegd die overeenkomt met de inhoud van de verklaring van de aangeefster. Ook de door de getuige waargenomen letsels passen bij hetgeen de aangeefster heeft verklaard. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze getuige te twijfelen en acht de verklaring daarom bruikbaar voor het bewijs.
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van de aangeefster door op haar armen te slaan en haar keel vast te pakken en deze vervolgens dicht te knijpen.
Feit 3
De aangeefster heeft ook aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte. Zij heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij haar mee zou nemen naar Oeganda om haar daar levend te begraven. De verdachte heeft bekend dit te hebben gezegd.
Voor de beoordeling van de vraag of bij de aangeefster in redelijkheid de vrees heeft kunnen ontstaan dat de verdachte daadwerkelijk zou overgaan tot het misdrijf waarmee hij dreigde, acht de rechtbank het volgende van belang. De bewoordingen duiden – objectief bezien – op het doden van de aangeefster. De verdachte spreekt immers over het levend begraven van de aangeefster. Die uitlating is gedaan in een periode waarin de aangeefster door de verdachte werd belaagd, en een aantal maanden nadat zij door hem was mishandeld. Onder die omstandigheden kon, naar het oordeel van de rechtbank, bij de aangeefster de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte haar zou doden. De aangeefster is ook daadwerkelijk bang geworden, zo blijkt uit haar verklaring.
4.1.3.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2023 tot en met 24 april 2024 te
Vlaardingen en/of Schiedam,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door:
- veelvuldig naar die [slachtoffer] te bellen en
/of
- zich bij/voor/in/rondom de woning waar die [slachtoffer] verblijft te begeven en/of
- in te loggen op sociale media accounts van die [slachtoffer] en
/of
- ( nep) accounts op sociale media aan te maken en
/ofvia die accounts (dreigende) berichten te versturen naar die [slachtoffer] en
/of
- contact te zoeken met derden en
/ofvia derden de verblijfplaats van die [slachtoffer] te achterhalen
met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen,
niet te doen, te dulden en
/ofvrees aan te jagen;
2
hij op
of omstreeks15 oktober 2023 te Schiedam,
althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft mishandeld door:
- met zijn vuist tegen de armen,
althans het lichaam,van die [slachtoffer] te slaan en
/of
- die [slachtoffer] bij haar keel vast te pakken en
/ofvervolgens haar keel dicht te knijpen;
3
hij op
of omstreeks6 januari 2024 te Schiedam,
althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Jij loopt niet met een andere kanker boy je spreekt niet af met een andere kanker boy want anders gaat die boy zien en jij [slachtoffer] toch gaat lekker mee naar Uganda begraaf ik je daar levend "
, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.belaging;

2.
mishandeling;
3.
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf en maatregel

7.1.
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op 17- en 18-jarige leeftijd schuldig gemaakt aan het plegen van in totaal drie strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich gedurende een periode van zeven maanden schuldig gemaakt aan het belagen van zijn ex-vriendin. De verdachte heeft haar veelvuldig gebeld, nepaccounts aangemaakt op haar naam en haar via die accounts dreigende berichten gestuurd. Ook heeft hij contact gezocht met derden, onder andere om achter de verblijfplaats van zijn ex-vriendin te komen. De verdachte heeft met zijn handelingen ernstig inbreuk gemaakt op het persoonlijke leven van zijn ex-vriendin. Haar gevoel van veiligheid is haar ontnomen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn ex-vriendin. Hiermee heeft hij haar pijn gedaan en angst aangejaagd. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden daar vaak lange tijd last van. De angst voor de dader hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring van de aangeefster blijkt dat dit ook in haar geval zo is. Zij heeft om veiligheidsredenen in een safehouse verbleven en draagt nog steeds een noodknop.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
7.3.2.
Rapportage
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 maart 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Ondanks dat er verdiepingsdiagnostiek heeft plaatsgevonden, is er nog te weinig zicht op het psychosociaal functioneren van de verdachte. Uit het door de politie afgenomen Screening Assessment for Stalking and Harassment (SASH) is naar voren gekomen dat het risico op recidive groot is. De laatste overtreding van het contactverbod is tekenend voor de kans op herhaling. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en een inspanningsverplichting voor het hebben van een dagbesteding. Gezien de persistente aard van de verdachte, hij is reeds drie keer achter een geheim adres van het slachtoffer gekomen, adviseert de reclassering dadelijke uitvoering van de bijzondere voorwaarden. Verder adviseert de reclassering het jeugdstrafrecht toe te passen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij begeleid woont op een woongroep van EEV en dat hij via EEV ambulante hulp krijgt. Daarnaast is hij bezig met het aflossen van zijn schulden en werkt hij doordeweeks als pakketbezorger.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten deels heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. In een dergelijk geval dient uitgangspunt te zijn dat de berechting plaatsvindt op grond van het jeugdstrafrecht, tenzij sprake is van een van de gevallen als bedoeld in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Nu daarvan geen sprake is, en gelet op het advies van de reclassering en het standpunt van de officier, zal de rechtbank ten aanzien van de feiten die tijdens de meerderjarigheid zijn gepleegd op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak 16 maanden. De redelijke termijn is gestart op 28 mei 2024, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan de datum van het vonnis is een periode van bijna 21 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met bijna 5 maanden. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van hoogte van de op te leggen straf.
Op te leggen straf en maatregel
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook heeft de rechtbank gelet op de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 20 dagen. De rechtbank bepaalt het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie op 20 dagen, omdat een terugkeer naar de jeugdgevangenis de positieve ontwikkeling van de verdachte zal doorkruisen, wat niet in het belang is van de samenleving, en de rechtbank een terugkeer naar de jeugdgevangenis ook gezien het tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten niet meer passend vindt. De rechtbank vindt, alles afwegend, de straf zoals geëist door de officier van justitie passend en legt daarom een jeugddetentie op van 120 dagen, met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht (zijnde 20 dagen), waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk is om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel, aangezien de verdachte zijn leven grotendeels op orde lijkt te hebben en het geadviseerde contactverbod in de vorm van na te noemen maatregel wordt opgelegd.
De rechtbank zal – zoals door de officier van justitie gevorderd – aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte dient zich te onthouden van ieder contact met [slachtoffer], geboren op 26 april 2004. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank verwijst voor de motivering hiervan kortheidshalve naar de hiervoor onder 7.3.2. weergegeven inhoud van het rapport van de reclassering.
Voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan deze maatregel houdt zal vervangende jeugddetentie worden toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. De duur van de maatregel wordt bepaald op 5 jaar.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de aangeefster wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij], ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 358,20 aan materiële schade en een bedrag van € 4.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de materiële schade omdat het conditio sine qua non-verband ontbreekt tussen de schadepost en het bewezenverklaarde. Ten aanzien van de immateriële schade is de verdediging subsidiair van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering wegens het ontbreken van een voldoende rechtstreeks causaal verband dan wel wegens een onevenredige belasting van het strafproces. Meer subsidiair is aangevoerd dat de immateriële schadevergoeding moet worden vastgesteld op een lager bedrag.
8.3.
Beoordeling
Materiële schade
De gevorderde vergoeding van materiële schade ziet op het eigen risico voor zorgkosten die de benadeelde partij stelt te hebben gemaakt. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen deze kosten en de bewezenverklaarde feiten. Volgens de verdediging had de benadeelde partij al een belast verleden en kunnen de gebeurtenissen die zij eerder heeft meegemaakt ook PTSS-klachten veroorzaken. Uit het bij de vordering gevoegde bericht van de psycholoog die op 18 maart 2025 een intake heeft afgenomen blijkt evenwel dat de op dat moment bestaande klachten van de benadeelde partij samenhangen met haar laatste relatie en op de voorgrond staan. Uit een tweede bericht van de psycholoog, van 1 juli 2025, blijkt dat de benadeelde partij daarvoor is behandeld. Het causaal verband tussen de gestelde schade en het bewezen verklaarde is daarmee voldoende aangetoond. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat de bewezen verklaarde feiten grote impact op haar
gevoel van vrijheid en veiligheid hebben gehad en nog steeds hebben. Zij voelt zich thuis
niet meer veilig, heeft meerdere keren moeten verhuizen en kampt met psychische klachten.
Voor haar psychische klachten heeft zij hulp gezocht en is zij doorverwezen naar een psycholoog. Die heeft vastgesteld dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS).
De rechtbank stelt op basis van de berichten van de psycholoog, waarnaar hiervoor ook is verwezen, vast dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, bestaande uit geestelijk letsel. Hierdoor is sprake van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dat geeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Bij de vaststelling van de schadevergoeding heeft de rechtbank onder meer gelet op de ‘Rotterdamse Schaal’ voor smartengeldbedragen. De rechtbank acht een schadevergoeding van € 4.500,- billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij dus geheel toe.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 24 april 2024.
Veroordeling in proceskosten
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.858,20, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 77we, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
100 (honderd) dagen,
niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de
proeftijdvast op
2 (twee) jarenonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
legt de veroordeelde op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de
duur van 5 (vijf) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:
zich te onthouden van direct of indirect contact met [benadeelde partij], geboren op 26 april 2004, na heden;
met bevel dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van
€ 4.858,20 (zegge: vierduizend achthonderdachtenvijftig euro en twintig cent), bestaande uit € 358,20 aan materiële schade en € 4.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen
€ 4.858,20(hoofdsom,
zegge:
vierduizend achthonderdachtenvijftig euro en twintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. H. Biemond en A.M.T.A. Verhagen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2023 tot en met 24 april 2024 te
Vlaardingen en/of Schiedam,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door:
- veelvuldig naar die [slachtoffer] te bellen en/of
- zich bij/voor/in/rondom de woning waar die [slachtoffer] verblijft te begeven en/of
- in te loggen op sociale media accounts van die [slachtoffer] en/of
- ( nep) accounts op sociale media aan te maken en/of via die accounts (dreigende) berichten te versturen naar die [slachtoffer] en/of
- contact te zoeken met derden en/of via derden de verblijfplaats van die [slachtoffer] te achterhalen
met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij op of omstreeks 15 oktober 2023 te Schiedam, althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft mishandeld door:
- met zijn vuist tegen de armen, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te slaan en/of
- die [slachtoffer] bij haar keel vast te pakken en/of vervolgens haar keel dicht te knijpen;
3
hij op of omstreeks 6 januari 2024 te Schiedam,
althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Jij loopt niet met een andere kanker boy je spreekt niet af met een andere kanker boy want anders gaat die boy zien en jij [slachtoffer] toch gaat lekker mee naar Uganda begraaf ik je daar levend ",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.