In deze zaak staat een executiegeschil centraal tussen ex-partners die gezamenlijk vijftien onroerende zaken in Rotterdam bezitten. Na beëindiging van hun relatie ontstond een geschil over de verdeling van deze eigendommen, wat leidde tot meerdere procedures. Het bodemvonnis van 29 oktober 2025 veroordeelde eiseres tot betaling van een bedrag aan gedaagde, dat niet tijdig werd voldaan, waarna gedaagde executoriale beslagen legde op diverse onroerende goederen.
Eiseres vordert opheffing van deze beslagen onder de voorwaarde dat zij het bedrag van €236.616,30 betaalt, en een verbod voor gedaagde om verdere executiemaatregelen te treffen. Gedaagde stelt dat een hoger bedrag verschuldigd is, maar erkent dat hiervoor geen executoriale titel bestaat. De voorzieningenrechter oordeelt dat alleen het bedrag van €236.616,30 verschuldigd is en dat na betaling de beslagen moeten worden opgeheven.
Daarnaast wordt gedaagde verboden om tot het eindarrest in hoger beroep of een regeling tussen partijen verdere beslagen te leggen, met een dwangsom van €150.000 bij overtreding. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.