Woonplus vordert ontruiming van een woning die door [gedaagde 1] werd gehuurd en tijdelijk aan [gedaagde 2] werd onderverhuurd. Na beëindiging van de huurovereenkomst per 9 januari 2026 weigert [gedaagde 2] de woning te verlaten. Woonplus betoogt dat zij de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 2] voortzet, maar deze wil beëindigen vanwege financiële omstandigheden en redelijkheid.
De kantonrechter acht aannemelijk dat er een onderhuurovereenkomst bestaat tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die Woonplus heeft voortgezet. Gelet op de omstandigheden, waaronder het ontbreken van duidelijke afspraken en de financiële situatie van [gedaagde 2], is het redelijk dat Woonplus de overeenkomst beëindigt. De belangen van de minderjarige kinderen worden meegewogen, waardoor de ontruimingstermijn wordt verlengd tot twee maanden na betekening.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde 2] tot ontruiming binnen deze termijn en beide gedaagden hoofdelijk in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De hoofdzaak wordt aangehouden en op 31 maart 2026 voortgezet.