ECLI:NL:RBROT:2026:2323

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
11765539 CV EXPL 25-14240
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:269 lid 1 BWArt. 7:269 lid 2 sub a BWArt. 7:269 lid 2 sub c BWArt. 3 lid 1 IVRKArt. 556 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing provisionele ontruimingsvordering onderhuurder met verlenging ontruimingstermijn wegens minderjarige kinderen

Woonplus vordert ontruiming van een woning die door [gedaagde 1] werd gehuurd en tijdelijk aan [gedaagde 2] werd onderverhuurd. Na beëindiging van de huurovereenkomst per 9 januari 2026 weigert [gedaagde 2] de woning te verlaten. Woonplus betoogt dat zij de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 2] voortzet, maar deze wil beëindigen vanwege financiële omstandigheden en redelijkheid.

De kantonrechter acht aannemelijk dat er een onderhuurovereenkomst bestaat tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die Woonplus heeft voortgezet. Gelet op de omstandigheden, waaronder het ontbreken van duidelijke afspraken en de financiële situatie van [gedaagde 2], is het redelijk dat Woonplus de overeenkomst beëindigt. De belangen van de minderjarige kinderen worden meegewogen, waardoor de ontruimingstermijn wordt verlengd tot twee maanden na betekening.

De kantonrechter veroordeelt [gedaagde 2] tot ontruiming binnen deze termijn en beide gedaagden hoofdelijk in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De hoofdzaak wordt aangehouden en op 31 maart 2026 voortgezet.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de provisionele ontruimingsvordering toe met een ontruimingstermijn van twee maanden vanwege minderjarige kinderen en veroordeelt beide gedaagden in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11765539 CV EXPL 25-14240
datum uitspraak: 27 februari 2026
Vonnis in het incident van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.V.C. Haneveld,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert,

2.[gedaagde 2] ,

verblijfplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonplus’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 24 juni 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde 1] ;
  • de specificatie van de huurachterstand van 27 oktober 2025;
  • de akte overlegging producties en eiswijziging van Woonplus, met bijlagen;
  • de dagvaarding met provisionele vordering van 29 januari 2026, met bijlagen;
1.2.
Op 23 januari 2026 was er een zitting in de zaak tussen Woonplus en [gedaagde 1] . Daarbij waren mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] aanwezig namens Woonplus, bijgestaan door de gemachtigde. Ook [gedaagde 1] was aanwezig. Naar aanleiding van de eiswijziging heeft de kantonrechter aan Woonplus de gelegenheid gegeven om [gedaagde 2] in het kader van een provisionele vordering (artikel 223 Rv Pro) te betrekken bij de procedure door haar op te roepen voor de zitting van 10 februari 2026.
1.3.
Op 10 februari 2026 is de zitting voortgezet. Daarbij was mevrouw [naam 1] aanwezig namens Woonplus, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren ook aanwezig. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] huurde van Woonplus sinds 14 maart 2022 een woning in [woonplaats] . Hij heeft een huurachterstand laten ontstaan. In de dagvaarding van 26 juni 2025 eist Woonplus dat [gedaagde 1] de huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. Uit een woonfraude-onderzoek van Woonplus is vervolgens gebleken dat [gedaagde 1] de woning niet zelf in gebruik heeft. Partijen hebben in een gesprek met elkaar dan ook afgesproken om de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen per 9 januari 2026. [gedaagde 1] moest de woning met ingang van die datum verlaten hebben. Dit heeft hij [gedaagde 2] ook gemeld.
2.2.
[gedaagde 2] heeft zich daarna bij Woonplus gemeld en haar gemachtigde heeft op 8 januari 2026 aan Woonplus laten weten dat [gedaagde 2] de woning niet wil verlaten. Bij een bezoek op 9 januari 2026 door Woonplus aan de woning bleek inderdaad dat de woning nog volledig ingericht was en [gedaagde 2] geen medewerking verleent aan een vrijwillige oplevering op 9 januari 2026.
2.3.
[gedaagde 1] heeft erkend de woning tijdelijk in gebruik te hebben gegeven aan [gedaagde 2] , omdat zij geen onderdak had voor haar en haar kinderen. Nu [gedaagde 2] de woning niet wil verlaten, ziet Woonplus zich genoodzaakt om de eis tegen [gedaagde 1] te wijzigen door naast betaling van de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning ook te vorderen dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld in de schade die Woonplus lijdt doordat [gedaagde 2] weigert uit de woning te vertrekken.
2.4.
Bij dagvaarding van 29 januari 2026 heeft Woonplus [gedaagde 2] ook betrokken in de procedure op grond van hetzelfde feitencomplex als hiervoor is geschetst. Vooruitlopend op een oordeel in de bodemprocedure wil Woonplus dat [gedaagde 2] de woning ontruimt. Woonplus vindt namelijk dat [gedaagde 2] zonder recht of titel in de woning verblijft. Als de kantonrechter vindt dat er sprake is van een onderhuurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die Woonplus met ingang van 9 januari 2026 heeft voortgezet, dan wil Woonplus dat in de bodemprocedure de onderhuurovereenkomst wordt beëindigd. Daarnaast eist Woonplus dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk worden veroordeeld de gebruiksvergoeding tot de ontruiming en de proceskosten te betalen.
2.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] geven aan dat [gedaagde 2] tot januari 2026 maandelijks aan [gedaagde 1] heeft betaald voor het gebruik van de woning. [gedaagde 2] benoemt verder dat zij de woning niet wil verlaten, omdat zij een stabiele thuissituatie wil creëren voor haar kinderen en dat dit zonder woning niet mogelijk is. Zij wil minstens tot het einde van het schooljaar in de woning verblijven. [gedaagde 1] beargumenteert in de hoofdzaak verder dat hij niet langer verantwoordelijk is voor de kosten van de woning nadat de huurovereenkomst is geëindigd op 9 januari 2026 en dat hij dat ook tegen [gedaagde 2] heeft gezegd. Hij vindt dat Woonplus zich voor die kosten moet richten tot [gedaagde 2] .
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat de voorlopige voorziening (gedeeltelijk) wordt toegewezen. Hieronder wordt dit uitgelegd.
Belang bij de voorlopige voorziening
2.7.
Om een voorlopige voorziening toe te kunnen wijzen, moet deze worden ingediend in een aanhangig geding en voldoende samenhang hebben met de eindvordering. Aan deze vereisten is voldaan. Verder moet de kantonrechter het belang van Woonplus bij toewijzing van de vordering afwegen tegen het belang van [gedaagde 2] bij afwijzing van de vordering, een en ander tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. Dit toetsingskader wordt hieronder toegepast.
[gedaagde 2] moet de woning ontruimen
2.8.
Eerst moet de kantonrechter kwalificeren of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een (onder)huurovereenkomst hebben gesloten. De kantonrechter vindt de kans dat in de bodemprocedure zal worden vastgesteld dat [gedaagde 1] de woning heeft onderverhuurd aan [gedaagde 2] groot. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij de woning tijdelijk in gebruik heeft gegeven aan [gedaagde 2] en dat [gedaagde 2] voor dit gebruik maandelijks een bedrag betaalde aan [gedaagde 1] . Dat dit bedrag in delen en niet op vaststaande tijdstippen is betaald maakt daarbij niet uit. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 2] tot januari 2026 maandelijks een bedrag van € 750,00 per maand betaalde, volgens [gedaagde 1] als bijdrage aan de huur.
2.9.
Na de beëindiging van de huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en Woonplus op 9 januari 2026 heeft Woonplus als verhuurder de overeenkomst die tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gold, voortgezet (artikel 7:269 lid 1 BW Pro). Woonplus wil deze overeenkomst echter beëindigen, omdat [gedaagde 2] te weinig financiële middelen heeft om de huurovereenkomst voort te zetten en omdat het van Woonplus in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden om de huurovereenkomst met [gedaagde 1] voort te zetten (artikel 7:269 lid 2 sub a en Pro sub c BW).
2.10.
De kantonrechter vindt het aannemelijk dat de huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] in de bodemprocedure wordt beëindigd. Zij kan niet vaststellen dat [gedaagde 2] onvoldoende financiële waarborg biedt, omdat Woonplus dat vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd en [gedaagde 2] heeft gesteld dat zij de afgelopen maanden ongeveer € 750,00 per maand aan huur heeft betaald. Ter zitting is echter wel gebleken dat [gedaagde 2] met haar salaris de huurprijs maar net kan betalen. Dit is een omstandigheid die de kantonrechter zal meewegen in de beoordeling of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van Woonplus gevergd kan worden dat zij de huurovereenkomst met [gedaagde 2] voortzet.
2.11.
De kantonrechter vindt het aannemelijk dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat van Woonplus niet kan worden gevergd dat zij de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 2] moet voortzetten. [gedaagde 2] heeft belang bij het behoud van de woning en de huurovereenkomst, omdat zij en haar twee minderjarige kinderen een dak boven het hoofd moeten houden en zij haar kinderen een stabiele gezinssituatie wil bieden. De kantonrechter moet op grond van artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de belangen van het kind bij behoud van de woning als eerste meewegen. De ontruiming van de woning met minderjarige kinderen is namelijk een ingrijpende maatregel. Woonplus heeft echter als sociale verhuurder ook een zwaarwegend belang om de woning weer snel tot haar beschikking te krijgen. Door de woning onder te huren, dringt [gedaagde 2] namelijk voor op de lange wachtlijst die voor huurders bestaat voor sociale huurwoningen. Woonplus moet hiervoor waken. Daarnaast is (nog) niet gebleken dat [gedaagde 2] de bestaande verplichtingen tussen haar en Woonplus kan blijven nakomen. Het helpt ook niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen duidelijke afspraken hebben gemaakt over het in gebruik nemen van de woning. Dat betekent dat Woonplus een onderhuurovereenkomst overneemt zonder dat er voorwaarden zijn afgesproken over een kernprestatie zoals de (wijze van) betaling. Het feit dat [gedaagde 2] een afwachtende houding aanneemt in haar zoektocht naar een andere woning, haar inschrijving bij Woonnet heeft laten verlopen en weigert te communiceren met Woonplus over de ontstane situatie helpen haar ook niet. Bovendien is de woning waarin zij met haar minderjarige kinderen verblijft een zogenaamd seniorenflat en daarom niet geschikt voor haar. De kantonrechter vindt het door al deze omstandigheden aannemelijk dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van Woonplus gevergd kan worden om de onderhuurovereenkomst voort te zetten.
2.12.
De kantonrechter staat de ontruiming dan ook toe, maar zal de ontruimingstermijn vanwege de aanwezigheid van minderjarige kinderen verlengen. De kantonrechter vindt dat deze beslissing recht doet aan de belangen van de kinderen.
2.13.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 2] de woning met al haar spullen moet verlaten. Dat moet binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis. Door de ontruimingstermijn vast te stellen op een langere termijn heeft [gedaagde 2] de tijd om, met hulpverlening, onderdak te vinden voor haar kinderen. De kantonrechter vindt het onder de omstandigheden die zijn geschetst in 2.11 te ver gaan om de ontruimingstermijn te verlengen totdat het huidige schooljaar is afgelopen. De kantonrechter drukt [gedaagde 2] op het hart om nu al contact te zoeken met het Wijkteam. Woonplus heeft tijdens de zitting toegezegd dit contact te kunnen faciliteren.
2.14.
De kantonrechter machtigt Woonplus niet om de woning zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv Pro).
2.15.
Er worden ook geen ontruimingskosten toegewezen, omdat het nog niet vaststaat of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn.
[gedaagde 2] (en [gedaagde 1] ) moeten de proceskosten in het incident betalen
2.16.
[gedaagde 2] (en [gedaagde 1] ) moeten de proceskosten in het incident betalen, omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). Zij zijn daarvoor wettelijk gezien hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aan Woonplus moeten betalen op € 288,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 432,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.17.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonplus dat eist. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit oordeel uitvoerig te motiveren, omdat hiertegen geen bezwaar is gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Het vervolg in de hoofdzaak
2.18.
[gedaagde 2] heeft nog niet gereageerd op de dagvaarding. Dat mag zij nog doen. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 31 maart 2026 om 11.30 uur zodat [gedaagde 2] schriftelijk kan reageren op de vorderingen in de hoofdzaak opgenomen in de dagvaarding van 29 januari 2026.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident
3.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking te stellen van Woonplus;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk in de kosten van dit incident, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 432,00;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af;
in de hoofdzaak
3.5.
bepaalt dat [gedaagde 2] op de rolzitting van
dinsdag 31 maart 2026om
11.30 uurmag reageren op de dagvaarding;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
64363